Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neut - (uitstekend deel (in bouwkunde), hoofd)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neut1* [uitstekend deel (in bouwkunde), barg.: hoofd] {not van de colomne [uitstekend deel] 1599, neut [hoofd] 1901-1925} nevenvorm van noot2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neut 1 znw. v., dial. vorm van noot, maar ook in de bet. ‘uitstekend deel om er een balk op te laten rusten; andere uitstekende delen aan houtwerk; groef in een stuk hout, waarin een ander stuk past’, vgl. Kiliaen not ‘vooruitstekend kapiteel’. — Zie ook: neut 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

neut (dial. = noot, als technisch woord ook in verschill. bett. gebruikt). Zie noot I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

neut 2 v. (alle andere bet.), bijvorm van noot 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

neut (de, -en), kort stenen (soms houten) paaltje op een aantal van welke een houten bouwwerk een eindje boven de grond rust. Ze reden de straat in waar stenen volkswoningen waren neergezet. Hier en daar een groot gebouw op neuten dat zich niet had willen laten verdrijven (Doelwijt 1972b: 110). - Etym.: in AN is het een woord uit de bouwkunde en betekent het een stenen of houten blokje of kort uitsteeksel, op allerlei plaatsen en met allerlei functies; geen enkele bet. komt geheel overeen met die in het SN (WNT 1913, Van Dale). De SN bet. is vermoedelijk vrij jong. Kuhn (1828: 114) beschrijft SN neuten, maar noemt ze ’stenen voeten’ of ’penanten’.
— : hoge neut, pilaar of paal, op een aantal van welke een gebouw of een deel daarvan één verdieping boven de grond rust. Hij was vaak in de buurt, je kon meteen zien waar ze woonde want Bigger Ilhahibaksh was in deze buurt de enige die een huis had op hoge neuten (Vianen 1972: 21). - Etym.: De naam is gegeven op grond van de overeenkomst in functie met een gewone neut*.
Nf., Nf, afkorting van ’Nederlandse florijn’, d.i. Nederlandse gulden, geplaatst voor een geldbedrag. - Opm.: I.h.b. gebr. als onderscheiding t.o.v. Sf* nodig is. Zie ook: Hollands*, Nederlands*, Surinaams* (2), f*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neut ‘uitstekend deel (in bouwkunde)’ -> Deens nød ‘uitsnijding in de zijkant van hout’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut