Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neus - (reukorgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

neus zn. ‘reukorgaan’
Mnl. nose, nuese ‘neus’, in de oudste attestaties als toenaam: Margarethen. nose, Willem Noes ‘(van) Margaretha Neus, (van) Willem Neus’ [beide 1248-71; VMNW], het stelpt ter nose bloet ‘het stelpt het bloed van de neus’ [1287; VMNW], Johanni Nuese ‘(van) Johannes Neus’ [1298; Debrabandere 2003], Hare nuese hadde hare ghebloet ‘haar neus was gaan bloeden’ [1300-50; MNW-R]. Daarnaast bestond een (vooral) oostelijke vorm mnl. nase [1240; Bern.] en een variant mnl. nese, zoals in dien salmen de nese af sniden ‘die moet men de neus afsnijden’ [1237; VMNW]; vnnl. neus ‘neus’ [1535; WNT reformeeren], nose, neuse ‘id.’ [1599; Kil.].
Mnd. nose; ofri. nose (nfri. noas); oe. nosu (ne. nose); < pgm. *nusō-. Hierbij hoort de ablautende variant pgm. *nasō-, waaruit: mnl. nase (met umlaut nese); mnd. nase, nese (door ontlening nde. en nno. nese, nzw. näsa); ohd. nasa (nhd. Nase); oe. nasu; alle ‘neus’; en on. nös ‘neusgat’ (nijsl. nös), mv. nasar, nasir ‘neus’ (nijsl. nasir), nno./nzw. nos ‘snuit’.
De Nederlandse en Nederduitse umlautsvormen (neus resp. nese) zijn opvallend, aangezien een umlautsfactor ontbreekt. Men zou dus voor het Nederlands eigenlijk een reconstructie *nusi- c.q. *nasi- moeten veronderstellen. Mogelijk is de *-i- hier een relict van een oude dualisvorm, zoals → deur < pgm. *duri-. Diverse lichaamsdelen die in een paar voorkomen (bijv. ogen, oren, armen, benen) volgden in het Indo-Europees een dualisverbuiging. De neus moet dan gezien worden als ‘de twee neusvleugels’, zoals in het Latijn en het Sanskrit (zie onder).
Verwant met: Latijn nārēs (mv.) ‘neusgaten’, met een jonger ev. nāris ‘neus’, naast nāsus ‘neus’ (Frans nez); Sanskrit nā́sā (dualis; genitief nasós); Litouws nósis, Lets nãss; Oudkerkslavisch nosŭ (Russisch nos); alle ‘neus’, < pie. *neh2s-, *nh2es- (IEW 755).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neus* [reukzintuig] {nose, ne(u)se 1236} oudfries nose, oudengels nosu, naast middelnederlands nase, nese, middelnederduits nese, oudhoogduits nasa, oudengels nasu, oudnoors nǫs [neusgat]; buiten het germ. latijn nasus, litouws nosis, oudkerkslavisch nosŭ, oudindisch nas- [neus]. De uitdrukking langs zijn neus weg iets zeggen betekent eig. ‘zonder iem., links of rechts, aan te kijken’. De uitdrukking iemand bij de neus nemen [iem. foppen] stamt van dieren, bv. stieren, met een neusring, evenals iemand iets door de neus boren [iem. iets afzetten]. De uitdrukking op zijn neus kijken [beteuterd staan te kijken] betekent ‘met terneergeslagen blik kijken’. De uitdrukking tussen neus en lippen [terloops] werd aanvankelijk gezegd van zaken, die als het ware voor de neus worden weggenomen, vgl. tussen lepel en mond valt veel op de grond. De uitdrukking een wassen neus [een dode letter] slaat op het feit dat men een neus van was makkelijk kan vervormen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neus znw., mnl. nose, noyse (= nöse), ofri. nosi, nose v., oe. nosu (ne. nose), daarvan afgeleid mnd. nuster(en), nöster(en), nnd. nüster (> nhd. nüster), ofri. noster(en). — Daarnaast staan mnl. nese v. m., mnd. nēse v. ‘neus’ uit germ. *nasi, terwijl mnl. nāse v. m., mnd. nase, ohd. nasa (nhd. nase), oe. nasu (in samenstellingen næs-), on. nǫs v. teruggaan op germ. *nasō. Lange klinker vertonen ofri. nōsi ‘snuit’, oe. nōse ‘voorgebergte’, ozw. nnoorw. nōs ‘snuit’. — oi. nasá, nasí ‘neus’, lat. naris, meestal mv. nares ‘neusgaten’, olat. nasum o. ‘neus’, opr. nozy, lit. nósis, osl. nosŭ ‘neus’; idg. wt. *nas- (IEW 755). — Zie ook: nes.

De vorm neus levert moeilijkheden op. Men kan denken aan een ronding uit nēse onder invloed van de n. Men heeft ook gedacht, dat de vorm nēse een ontronding van nôse kan zijn, zodat men zou moeten uitgaan van een vorm *nŭsi- (zie van Ginneken, Taaltuin 2, 1933-4, 88-89). Deze germ. vorm zou dan een idg. *nǝsi vooronderstellen, in ablaut naast nasi, nāsi. Intussen zijn vormen met e (umlaut van a) in het germ. zo bekend, dat men deze verklaring niet behoeft aan te nemen en zeker niet met van Ginneken de vormen nes en nis als ontrondingen zal moeten opvatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

neus znw., mnl. nōse, nȫse v. m. De ȫ zou als o-umlaut van e of als i-umlaut van u opgevat kunnen worden. Het laatste is ’t eenige aannemelijke wegens ofri. nosi, nose v. en ags. nosu v. (eng. nose) “neus” (in samenst. nos-); hierbij wsch. nog mnd. noster(en), nuster(en) (nhd. nüster v.) “neusgat”, ofri. nostern “id.” (ook anders verklaard). Mnl. nēse v. m. “neus” en mnd. nēse v. “id.” gaan op *nasi- terug, waarnaast *nasô- in mnl. nāse v. m., ohd. nasa (nhd. nase), mnd. nāse, ags. nasu (in samenst. næs-), on. nǫs v. “id.”. Wij moeten van een ablautenden consonantstam idg. *nâs-, *nas-, *nas- uitgaan. De umlautvormen zijn wellicht uit den pluralis germ. *nasiz (idg. *nases), met schwundstufe *nusiz ontstaan. Met germ. ô > idg. â: noorw. nôs v. “bek, snuit”, ags. nôse v. “voorgebergte”. Een consonantstam ook in oi. nā́s-, nas- “neus”, obg. noz-dri “neusgaten”, lit. nas-raĩ “muil” (met r-suffix evenals mnd. nuster). Vgl. verder lat. nâris “neusgat”, nâsus “neus”, obg. nosŭ, lit. nósis “id.”. Met misschien ier. êssi “teugels”: voor de bet. vgl. oi. nasyâ- “door den neus getrokken touw”; gr. hēnía “teugel” bezwaarlijk als *ṇ̂siâ- hierbij. Vgl. nog nes.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

neus. Over ö als z.g. “o-umlaut” vgl. nog bij gene Suppl. — De tegenwoordige verbreiding op ndl. taalgebied van aan mnl. nēse beantwoordende vormen wijst op ē als ontrondingsproduct van ȫ, zodat wellicht de vocaal in alle ndl. vormen op i-umlaut van u is te herleiden, behalve die met de vocaal van mnl. nāse enz. in het uiterste Z.-O. Vgl. v. Ginneken Taaltuin 2, 88 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

neus m., met eu = umlaut van gerekte o, Mnl. nose + Ags. nosu (Eng. nose), Ofri. nosi: Ug. *nus-, Idg. * n̥s; daarnevens Mnl. nese, met e = ä + Ohd. nasa (Mhd. en Nhd. nase), Ags. nasu, On. nǫs (Zw. näsa. De. næse); Ug. en Idg. *nas-; daarnevens nog No. nôs = bek, Ags. nóse = voorgebergte: Ug. *nōs-, Idg. nās- + Skr. nās, Lat. nâsus, nâres, Osl. nosŭ, Lit. nosis. — Hetz. w. in het neusje van de zalm = het puntig gedeelte dat vlak onder den bek ligt en met de nekmoot wordt meegesneden; cf. Fr. la crête de la morue.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

naas, zn.: neus. Mnl. nase ‘neus’, Vnnl. 1558 naezen ‘neusvormige haken’, Hasselt (Gessler 74); 1599 nase.j.neuse (Kiliaan). Zoals D. Nase, Oe. nasu < Germ. *nasô-, naast *nasi- > Mnl., Mnd. nêse, Ndl. nes. Verwant met Lat. nâsus ‘neus’. Afl. nazen ‘speuren, neuzen’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

neus s.nw.
1. Vooruitstekende deel van die gesig. 2. Setel van die reuksintuig. 3. Vooruitstekende punt van 'n voorwerp. 4. Geur van wyn.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. neus (al Mnl. in bet. 1, 1644 in bet. 2, 1646 in bet. 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van nose (1894).
D. Nase, Sweeds näsa.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

naas neus (Limburg). = hgd. nase. Ablautend ~ neus, abl. ~ lat. nāsus ‘id.’. Vgl. oind. nas- ‘id.’.
OT II 88-89.

nieëz neus (Lonneker). = mnl. nese ‘id.’, mndd. nese ‘id.’ (= hgd. nase, doch met umlaut t.g.v. een ander suffix, vgl. ofri. nōsi ‘id.’, oind. nasi ‘id.’, lat. naris ‘neusgat’). Ablautend ~ nl. neus.
Bezoen 1938, 6.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Neus snw. Van iemand wat ’n buitengewoon groot neus het, word gesè: Hy het vooraan gestaan toe die Here neuse uitgedeel het: - Corn. en Vervl. 854: “Hij stond op de veurste rij (of hij was er bij) als onze Lieve Heer de neuzen uitdeelde, zegt men van iemand die een geweldigen neus heeft.” Vergelyk daarmee Joos, Schatten 79: Als Ons Heer ’t verstand uitdeelde, stond hij achter de deur (= is dom).
Segsw.: Skerpe neus en spitse ken, daar sit die duiwel in. – Harreb. I, 164: Een spitsche neus en spitsche kin: Daar zit sinjeur de duivel in; Joos 825: een scherpe neus en een scherpe kin heeft altijd van den duvel in. Ook Ter Laan 254, i.v. Geus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

neus (bij de -- nemen) (vert. van Frans mener par le nez)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

neus. De verwensing dikke neus! gaat terug op krijg een dikke neus, dat afgezwakt is tot het gedwarsboomde en onverschillige ‘je kunt mij wat’. Incidenteel komt voor mijn neus uit, het kanaal in! ‘hoepel op, krijg iets ergs zodat ik van je af ben’. (Vgl. Van Eijk 1995: 136). Een enkele maal komt in mijn materiaal ook voor krijg een natte neus! Dit is een vrij onschuldige verwensing die toch minachting voor de opponent uitdrukt. Dezelfde minachting zit in je kunt mijn neus uit! Sanders en Tempelaars (1998) kennen voor Den Haag ook lik me neus! In het antwoordvers Wat je zegt, ben je zelf komt de elliptische verwensing voor (val) met je neus in de koffiemelk! De emotionele betekenis duidt op afkeer, minachting, ergernis enz. en wordt meestal weergegeven met ‘donder op’. → elf, helft, kind, koffiemelk, krijgen, lepel, melk, tiet, touw, verf.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Lid op zijn neus (Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het). Lid is hier het deksel van de vroegere tinnen kannen, waaruit men dronk; door tot het laatste druppeltje te willen drinken, liep men gevaar dit op den neus te krijgen. Lid, mnl. lit, let, ohd. hlit, ags. hlid enz., behoort bij een ww., dat in het os. over is als hlidan, bedekken, sluiten; nu nog over in ons ooglid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neus ‘reukorgaan’ -> Ambons-Maleis nois-nois ‘reukorgaan’; Javindo nees ‘reukorgaan’; Negerhollands naes, nees, nes, nēs ‘reukorgaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

neus* reukorgaan 1236 [CG I1, 23]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1629. Tusschen neus en lippen,

d.i. terloops, in het voorbijgaan; eig. van spijs of drank: in den tijd dat spijs of drank zich tusschen neus en lippen bevindt. Vgl. Het Volk, 3 Jan. 1914, p. 9 k. 1: Het moest wel spannen, wanneer zij 'n beroep deed op de vereeniging van liefdadigheid, want de dames verweten haar, zoo tusschen neus en lippen door, dat de kinderen er toch niet hongerig uitzagen; 3 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Nu vindt het vaak plaats dat buiten den gewonen rangeerdienst ons order wordt gegeven dat er met trein zooveel een rijtuig medegegeven moet worden. Zulks geschiedt dan vaak tusschen neus en lippen.

942. Iemand zijn hoofd (of zijn neus) tusschen twee ooren zetten.

‘Eene grappige bedreiging welke men ondeugende kinderen toevoegt waarop deze antwoorden, als ze met de grap bekend zijn (in Zuid-Nederland althans): ze staan er al’; Ndl. Wdb. XI, 45. In de 16de eeuw bekend bij Marnix; zie ook Idinau, 206:

Men sal u hooft tusschen twee ooren stellen.
Och wat een dreyghement is dat!
So vervaren hem somtijds de blauw ghesellen
Niet wetende waerom, noch hoe, noch wat.
Het dreyghen des Heeren neme in ons herte stadt.

Zie verder Kluchtspel II, 146; Tuinman I, nal. 19; Halma 451; Harrebomée I, 328 a; Antw. Idiot. 854: iemands neus tusschen twee ooren zetten; hd. ich will dir den Kopf zurecht setzenHet hd. er nimmt den Kopf zwischen die Ohren beteekent: hij gaat er vandoor; vgl. onze 17de-eeuwsche uitdr. zyn aars onder zijn arm nemen, opstaan; thans zijn beenen onder den arm nemen. en dial. muess i de 'n Kopf zwisch'n d' Ohr'n setz'n (Wander II, 1533).

947. Het hoofd stooten,

d.w.z. in zijne pogingen schipbreuk lijden, afgeslagen of afgewezen worden (vgl. Vondel's Maeghden, vs. 97; 1375; Hooft, Ned. Hist. 274; Pers, 468 b; 645 b); vervolgens: eene weigering ontvangen; zie Tuinman I, nal. 19; Sewel, 341: Zijn hoofd stooten (afgeslagen worden), to meet with a repulse. Vgl. hiermede zijn neus stooten (fr. se casser le nez à la porte de qqn), een blauwtje loopen (no. 250), met het hoofd tegen den muur loopen (no. 949) en dergelijke. Vandaar dat iemand voor het hoofd stooten beteekent: ‘hem bruskelyk afwyzen’ (Tuinman I, 250), onaangenaam bejegenen, terugstootend behandelen; vgl. Poirters, Hof v. Theod. 37: Om de Keyserinne niet teene mael voor het hooft te stooten, noch haer versoeck plotselyck af te wysen; Sewel, 341: Iemand voor 't hoofd stooten, to deny one a favour; Halma, 223: Iemand voor 't hoofd stooten, iemand zijne gunst ontzeggen; hd. einen vor den Kopf stoszen, ihn beleidigen (Eckart, 284; Wander II, 1525); fri. immen foar de holle stjitte. In de Kempen: zijn kop stooten, niet slagen.

1067. Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel (of het lid) op den neus,

d.w.z. wie al te begeerig is, krijgt niets.Vgl. Reyn. II, 6356: Diet al wil hebben, het valt bi tiden dat hi van allen missen moet, al te ghierich en was nie goet. - ‘Die al wil hebben en sal niet hebben’ (Prov. Comm. 270); hd. wer zu viel haben will dem wird zu wenig. ‘Dit is genomen van de oude gewoonte van drinken uit tinne kannen, waar op een dekzel was. Als men die kannen te hoog oplichte, om ze schoon uit te vagen, dan viel dat lid den drinker wel op den neus. Dit eigent men toe op zulke, welken de begeerte van alles te hebben, wel qualyk bekomt’ (Tuinman II, 52). In de 17de eeuw vinden we de uitdr. bij Jan Vos in de Klucht v. Oene, 264; vgl. verder C. Wildsch. IV, 33; Tuinman I, 104; Sewel, 376; 451: Die 't onderste uit de kan wil hebben, krygt het lid op de neus, he that will have the utmost gets nothing; V. Janus I, 170; Ndl. Wdb. VIII, 2027; Bergsma, 9: Die 't aal (al) hebben wilt, valt 't lid op de neus. Ook in het Nederduitsch is zij zeer gewoon; zie Taalgids IV, 263; Eckart, 245; Wander II, 1130; Ten Doornk. Koolman II, 168; in het Friesch luidt zij: Dy 't onderste ut 'e kanne ha wol, krijt it lid op 'e noas; vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 457 b: 't Scheel valt op zijnen neus, hij mist zijn doel; Antw. Idiot. 1916: Die den lesten druppel uit den pot wilt hebben, krijgt het scheel op zijnen neus, al te begeerlijk vangt niet.(Aanv.) lid beteekent hier eveneens deksel; vgl. ooglid.

1199. Geen knip (voor den (of zijn) neus) waard,

d.w.z. hoegenaamd niets waard, van zeer weinig beteekenis. Reeds in het Grieksch bij Athenaeus: ουκ αξια οντα ψomicron;φου δακτυλων (zie Suringar, Erasmus, CXXXI). In onze taal bij Servilius, 50*: ten is niet een knippe weerdt, ne crepitu quidem digiti dignum; Sart. I, 8, 75: ick vraech daer niet een knip na, ter vertaling van ‘hujus non facio’. Zie ook Latere Versch. 135 en Brieven v. Abr. Bl. I, 223: Van luije traage jonge lieden komt niet dat; en dan knip ik met myn duym op myn middelste vinger. Afrik. Hy is nie 'n knip voor sy neus werd nie. Vgl. het hd. einem ein Schnippchen schlagen; het eng. I don't care a snap (of my fingers). De woorden ‘voor den (zijn) neus’ schijnen een later toevoegsel. Vgl. het synonieme geen klap om zijne ooren waard zijn (Ndl. Wdb. XI, 42), dat eene navolging zijn kan, en het 17de-eeuwsche niet een krits, eig. geen kras, hoegenaamd niets, geen snars. In Zuid-Nederland: geen klets of slag in zijn gezicht weerd zijn (Antw. Idiot. 664; Claes, 113; Teirl. II, 142); fri. gjin knip foar 'e noas wirdig.

1617. Iets bij zijn neus langs (of langs zijn neus weg) zeggen.

Dat wil zeggen: iets zeggen zonder rechts of links te kijken; iets gewoonweg zeggen; schijnbaar zonder eenige bedoeling, eenvoudig, achteloos, terloops. Zie Sartorius I, 6, 35: Hy praet by sijn neus neer met de verklaring; germanice significamus in circumspecte loquentem, qui ultra nasi longitudinem non prospiciat; Winschooten, 356: Afkeeren, afwenden, dit is een woord van een vreedsaam man, die niet smijten, nog vegten wil: maar alleenlijk afkeeren wil het geweld, dat hem werd aangedaan: soo kan men seggen eenvouwdig bij sijn neus neer: ik heb niet gevogten, maar ik heb maar afgekeerd. Zie verder Olip. 189: Als hy om zyn huyr langs by zyn neus neer sprak, gaf hy hem straks de huit vol slagen en de zak. In Marnix' Byenc. 57 v lezen we: ‘Sy loopen slechts lancks haren neuse als dulle beesten, ende sien stock noch staeck aen’, waar de oorspr. bet. nog duidelijker uitkomt.Vgl. eng. to follow one's nose, rechtuit loopen; Zuid-Nederland: zijnen neus achternaar gaan of volgen, rechtdoor loopen (Antw. Idiot. 1916)- Vgl. verder Boere-krakeel, 19:

 Dat 's waer, zei Jaapje, ik bin onzydig,
 En zie zo langs men neus maar heen.

Tuinman I, 335: Hy praat zyn mond mis, dat wil zeggen, hy misspreekt zich..... hy weet zich eenvoudiger te houden, van wien het spreekwoord is: hy praat by zyn neus neer; ook in C. Wildsch. II, 144; VI, 110; Brieven van B. Wolff, 193; W. Leev. IV, 347: Eens gaf hy my een ouwe zet: zo by zyn neus neer; V. Janus I, 69: Daar zeg ik zoo langs mijn neus weg; bl. 143: Zij zijn er op uit om ons beide, zoo langs hunn' neus weg, een kool te stoven; Jong. 173: Ik laat zoo langs m'n neus 'n paar woordjes valle, die ze dan in d'r oore kenne knoopen; B.B. 320; Handelsblad, 16 Januari 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 6: Hullebroeck die zijn liedjes zoo leuk voor den neus weg simpel zong. Vgl. het 18de-eeuwsche voor zijn dasje weg (Spaan, 184), zonder rechts of links te kijken, al maar door.

1618. Met zijn neus in het vet (of in de boter) vallen,

d.w.z. een (onverwacht) fortuintje krijgen; vooral juist komen als men ergens feest viert of smult; een voordeelig huwelijk sluiten. De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 474: Dat ick so ien reys mocht mit myn neus in 't vet raken; Van Eijk III, 41; Nkr. II, 25 Oct. p. 3: Het feit dat Z.E. Gestrenge door zijn benoeming met zijn neus zelf in de boter is gevallen; Kalv. II, 183: Je valt hier met je neus in de boter; Prikk. II, 11: Jij valt ook niet eventjes met je neus in de boter!; Het Volk, 25 Juni 1914, p. 5 k. 2: Nu, ge kunt denken dat hij (een onderkruiper) onder zooveel georganiseerden met zijn neus in de boter viel (leelijk te pas kwam). Elders leest men met zijn aars in de boter vallen (Harreb. I, 84 b), waarvoor men in Friesland zegt mei 't gat yn 'e bûter (of 'bûterfet) falle, gezegd van een meisje zonder geld, dat een rijk huwelijk doet; in Groningen: mit 't achterste (of mit 't gad) in de botter (of in 't bottervat) vallen (Molema 54 a; Bergsma, 67); op de Veluwe: met 't kond in de botter vallenOnze Volkstaal III, 250.; In Zuid-Nederland met zijn gat in de boter vallen (o.a. Antw. Idiot. 281; Teirl. 201; Tuerlinckx, 94). Bij Schuermans, 808 a: met zijne palms (of zijnen neus) in het vet vallen, ergens te midden van eene kermis of feest aankomen, in welken zin het bij ons ook niet ongewoon is (Dr. Bl. III, 46 en vgl. eng. to come at puddingtime); bl. 408: met den neus in 't vet zitten of liggen, goede dagen hebben; Joos, 84: met zijn duimen in 't vet vallen; Land v. Waas: met zijnen achteruit in de boter vallen of met zijnen bek in 't vet vallen. Syn. in de 17de eeuw met zijn lijf in een vat boter vallen; zie V.d. Venne, 226: Die met sijn Lyf in een vat boter valt, schijnt een geluckigen vet-sack te wesen.

1619. Iemand bij den neus hebben (-nemen of leiden),

d.w.z. iemand beethebben, hem foppen; ‘iemand bij het lijf nemen’ (Van Dale); eig. hem bij zijn neus leiden waar men wil, hem beetnemen; oorspr. van dieren, paarden, beren, stieren, die door een neusring geleid worden. Ook in het Grieksch kende men της ρινος ελκειν of αγειν τινα, naast ριναω, bij den neus hebben. Vgl. Winschooten, 268: Sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons bij den neus gehad; Pierlep. 18: Och! ik bin veurzeker by de neus evat; De Brune, Emblemata, 322: Laet u de wereld niet by den neuze leyden: laet u geen klabbeke voor een diamant in de vuyst steken; Z. Nacht. I, 22: Hoe is de quant bedot! en by de neus ghegrepen; Baardt, Deugden-Spoor, 95: By de neus om 't hoy leiden (vgl. om den tuin leiden); Pers, 166 b; 627 b. Zie verder Tuinman I, 23; 182; II, 118; Van Effen, Spect. XI, 6; Ndl. Wdb. IX, 1893. Synoniem was de uitdr. iemand (den neus) snuiten; iemand bij het linkerbeen hebben (of krijgen), waarmede te vergelijken is het fri.: hy het him by 't foetsje krije litten. Volgens Wander III, 956 zegt men in het hd.: einen an (bei, mit) der Nase (her)umführen, einen nasführen (Goethe); vgl. ook het eng. to lead one by the nose; het fr. mener quelqu'un par le (bout du) nez; het ital. menar uno per il naso; het Friesch: immen by de noas habbe of krije.

1620. Niet verder zien (of denken) dan zijn neus lang is,

d.w.z. weinig doorzicht hebben, gezegd van iemand wiens gezichtskring zich niet verder uitstrekt, dan de lengte van zijn neusVgl. het hd. alle Nasen lang, alle Nas lang, d.i. in kurzer Entfernung, nach kurzer Zeit (Schrader, Wunderg 173).. In de late middeleeuwen komt de uitdr. voor, o.a. bij Barth. 137 b: Item die cleyn kinderkijn en dencken niet verder dan hem die naze lanc is, dat is die dingen die tegenwoerdich sijn. Zie verder Goedthals, 96: Niet voordere dincken, dan den nuese lanck is, il ne luy souvient, que depuis le nes, iusques a la bouche; Campen, 4: hy en siet niet veerre dan hem die noese lanck is; Servilius, 149*: hi en siet nyet verder dan syn nuese lanc en is; enz. Vgl. Vondel's Sprookje van Reyntje de Vos, vs. 43; Baardt, Deugden-Spoor, 85; Coster, 228, vs. 32; Van Effen, Spect. VII, 19; Sewel, 522; Rusting, 591: Kyk wat verder als je neus voor uyt steekt; Harreb. II, 99 a en op vele andere plaatsen; Afrik. hy sien nie verder as sy neus lank is nie. In het hd. zegt men eveneens: er sieht, denkt nicht weiter, als seine Nase reicht oder nur der Nase lang; in het Fransch: il ne voit pas plus loin que (le bout de) son nez; in het Friesch: hy sjocht net fierder as syn noas lang is; Nederd. he kikt ni wieder as sin Nos lank is (Taalgids V, 160); eng. he sees no further than his nose. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 79; Waasch Idiot. 457 b; Antw. Idiot. 1442; 1915: niet wijder zien alsdat zijne neus lank is; en vgl. nog de synonieme 17de-eeuwsche uitdr. van zijn neus een anker (of een dregge) maken (vgl. Com. Vet. 2).

1621. Iemand (een gat of een rietje) door den neus boren,

d.w.z. bedriegen, afzetten; oorspr. gezegd van een dier, dat een ring door den neus krijgt; en vandaar in het algemeen iemand pijnlijk aandoen, hem te pakken hebben, beetnemenVgl. voor dezen overgang o.a. Claes, 293: Iemand scheren zonder zeep, hem listig, heimelijk bedriegen; en verder no. 980., bedriegen (in dezen zin in de 17de eeuw ook iemand boren), snijden, afzetten; thans ook iemand iets (geld, loon) onthouden, waarop hij recht heeft. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Vgl. Winschooten, 4: Iemand met een Avegaar door de neus booren: iemand groovelijk bedriegen; Cats II, 171 b: Sy boord' hem door den neus, hoe seer hy was geslepenAangehaald in Ndl. Wdb. III, 543.; Westerbaen II, 268; W.v. Geck, 81; Tengnagel, Frick, 8: De luy zijn langer soo sot niet, dat s'er neus met ien avegaer laten deur-boren; Pluckvogel, 227: Sy heeft hem met een korte reden lustig door den neus geboort; K.U.E. 46; Kluchtspel III, 266: Zy zullen Anselmus met zijn weeten geen gat door de neus booren; Sewel, 520: Iemand iets door de neus booren, to cheat one of a thing; Halma, 86; Handelsblad, 29 Maart 1918 (O), p. 5 k. 5: Dat was een geleerde snuiter; die zou je geen rietje door z'n neus boren. Hiernaast iemand iets door den of uit den neus boren, iemand iets ontfutselen (Winschooten, 32); V. Avant. 277: Onze keukenmeid is mij daar door voorgekomen om my dat voordeeltje uit de neus te boren; Halma, 380: Iemand iets door den neus booren of ontfutzelen; Gallée, 6: iemand iets ût den nöze boren, door list doen verliezen; in de Hollandsche volkstaal: dat is je door je neus geboord, dat is je ontgaan (Ndl. Wdb. III, 544; Jord. II, 392); Nav. XVII, 150: iemand iets in den neus boren; Het Volk, 3 Oct. 1913, p. 5 kol. 1: Achttien vakantiedagen worden hem door den neus geboord. 't Is schande; Dsch. 160: As mijn baas mijn 'n gulde door de neus ken hale, dan doet-ie 't; Landl. 178: En dan de premie, die hun in deze armzalige tijden door den neus was geboord; J. Feith, Uit Piet's Vlegeljaren bl. 194: Die Braks had hem den laatsten dans met Hetty door den neus geboord, en dat kon hij hem niet zoo makkelijk vergeven3de druk, Amsterdam, Scheltens en Giltay.; Nw. School, II, 259: De taalkundige man met de schraperigheid van een vrek er steeds op lettende of hem bij zijn lidwoord geen ‘ennetje’ door den neus geboord werd; Handelsblad, 27 Mei 1917, p. 7 k. 1 (O); Haagsche Post, 2 Febr. 1918, p. 131, k. 3; enz. In West-Friesland beteekent iemand door den neus boren, iemand een geheim ontlokken (De Vries, 85; vgl. fr. tirer les vers du nez à qqn.?). Ook in Zuid-Nederland kent men 't Is deur den neus geboord of 't verken is deur den neus geboord, doch in den zin van: het is te voren heimelijk beraamd of beslist (Antw. Idiot. 853; Schuermans, 407; Claes, 159); deur den neus of de neuze (geboord) zijn, een beetje dronken zijn (Waasch Idiot. 457; De Bo, 738; Antw. Idiot. 853), syn. van 'nen steek deur den neus hebben (vgl. fr. se piquer le nez, zich bedrinken), waarvoor wij zeggen een snee in den neus hebbenNederland (Aug) 1914, p. 380: Maar vroeger dronk-i nog al 'n glaasje - en dan kwam-i nog al 's met 'n klein sneedje in z'n neus thuis. of een scheet in den neus hebben (zie Ndl. Wdb. XIV, 350), syn. van een snip in 't oor hebben (Molema, 564). Bij Rutten, 153 wordt hij is (wel drijmaal) door den neus geboord opgegeven in den zin van: hij is zeer slim. Ook het Engelsch kende to bore through the nose, afzetten, in den nek zienTaal en Letteren XIV, 469..

1622. Iemand iets onder (of door) den neus wrijven,

d.w.z. iemand iets op onzachte wijze zeggen; hem in bedekte termen verwijtingen doen, iets onaangenaams zeggen; mnl. enen iet onder doghen werpen. Eig. iemand iets onwelriekends onder den neus wrijven (vgl. iemand iets op zijn brood geven, - te slikken geven, - te ruiken geven). De uitdr. kan ontleend zijn aan de gewoonte om honden of katten, die nog niet zindelijk zijn, met hun neus in de uitwerpselen te drukken In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 265: Smijt hem dat voor de scheenen: hetwelk oneigendlijk beteekend: vrijf hem dat eens door de neus; houd hem dat eens voor oogen; Hooft, Brieven, 384: Die hem onder verwe van heusch vermaan, groove onweetenheidt in 't stuk van Staat en Oorlog door den neus wrijft; ook Ned. Hist. 229; 427; bij Pers, 214 b: iemand iets in 't gezicht wrijven. Voor de 18de eeuw vergelijke men R. Ansloo, 128: Dies wryft hy hem veel smaat en laster door de neus; Tuinman I, 199: Ymand iets onder den neus wryven; Sewel, 520: Iemand iets in de neus wryven, to upbraid one with a thing, to twit in the teeth with; Villiers, 86. Synoniem was de uitdr. iemand iets door de tanden wrijven (eng. to hit or to cast) anything in a person's teeth) en iemand iets in den baard wrijven (hd. einem etwas in den Bart reiben); thans dial. iemand iets in zijn murf (mond) wrijven. Ook in het hd. is bekend: einem etwas unter die Nase reiben, waarvoor men in het Fransch zegt: planter, jeter ou plaquer qqch. au nez de qqn; de.: at kaste En Noget i Naesen. In Zuid-Nederland: iemand iet onder zijnen neus wrijven (Antw. Idiot. 1916); iemand iet vègen, iemand iet onder zijnen neus vègen, hem iets in bedekte termen verwijten (Antw. Idiot. 2117); iemand iets door den baard strijken (Joos, 117); iemand iets op den neus geven (Schuermans, 407 b), waarvoor volgens De Bo, 325 b ook gezegd wordt iemand iets door den neus flinken = door den baard wrijven, en iemand een snuifje geven (vgl. Tuinman I, 199: iemand een riekertje geven; fri. immen in rûker jaen) of iemand eene sneuve of sneuven geven; Schuermans, 644; Bijv. 309 a; Waasch Idiot. 457 b; in Antw. iemand laten snuiven. In het Friesch: immen hwet om 'e noas wriuwe.

1623. Op zijn neus kijken,

d.w.z. met terneergeslagen blikken staan, beschaamd staan kijken, bedeesd zijn. In de 17de eeuw aangetroffen bij Winschooten, 165: Op sijn neus sien: dat het gelaat van die geen uitdrukt, die een saak buiten sijn gissing teegen loopt; Van Lummel, 494; Kluchtspel II, 84 en 250: Doen stont hy en keeck by sijn neus neêr; Coster, 65, vs. 1618: Daer stont de Juffer en keeck by haer neus, en dorst niet segghen; Pers, 533 a. Zie verder Van Effen, Spect. V, 36; XI, 229; IX, 211 (langs de neus kyken); Sewel, 520: Op zyne neus kyken, to be frustrated in his expectation, to be disappointed; hy keek slecht by zyne neus neer, he was ashamed; he did not know what to do; he was quite disappointed; synoniem was de uitdr. op zijn duimen zien. In Zuid-Nederland gebruikt men in dezen zin neven zijnen neus zien, niet slagen, mislukken, teleurgesteld zijn (Antw. Idiot. 1915); krimneuzen, krimpneuzen en den neus krollen (Schuermans, 296 a; 407 b; Antw. Idiot. 717). In het Friesch: hy sjocht skean by de noas lâns (of del); oostfri. bi de nöse dâlkiken (Dirksen I, 65); fr. faire son nez, l. faire un nez; eng. to look down one's nose (Prick, 1408).

1624. Iets in den neus krijgen (of hebben),

d.w.z. iets in de gaten, in 't snotje krijgen (Waasch Idiot. 600 b: iets in 't slotje? krijgen), in den snuf hebben (Schuerm. 408), den reuk hebben van ietsTijdschrift XIV, 300., er de lucht van krijgen, iets neuzen (Halma, 380), eig. van een jachthond gezegd. Vgl. ook het adjectief neuswijs, hd. naseweis, dat oorspr. gezegd werd van dierenVgl. Barth. 782 b: Dese ezel (veldezel) is wijs in den ruken., vooral speurhonden, eine feine Nase haben; fr. avoir le nez fin; zoo nog in Zuid-Nederland; zie De Bo, 739: De jachthonden zijn neuzewijze beesten; ook de snof, de lucht, de vonk(en) in den neus krijgen (Ndl. Wdb. IX, 1894; Harpoen, vs. 98). Zie voor het bestaan der uitdr. in de 17de eeuw Pierlep. 18; Van Moerk. 294; voor de 18de eeuw vgl. C. Wildsch. III, 327; Halma, 380: Iets in den neus krijgen of hebben, ergens de lucht van weg krijgen, avoir le vent de quelque chose; Harreb. II, 125: Ik had hem dadelijk in den neus; Villiers, 87. In het Friesch: hwet yn 'e noas krije; in Zuid-Nederland: iet in de neuze krijgen of hebben (De Bo, 738 b; Claes, 159; Rutten, 153; Tuerlinckx, 410; Joos, 85); iet in den neus of in 't neusken hebben (Antw. Idiot. 853); iet in 't snuitjen hebben (Antw. Idiot. 1144). Vgl. no. 1438.

1625. Voor iemand (of iets) den neus optrekken (of ophalen),

d.w.z. iemand of iets geringschatten, met minachting aanzien; eig. wegens een onaangenamen reuk den neus te zamen trekken; vgl. fr. hocher du nez; hd. die Nase rümpfen; eng. to turn up one's nose at anything; fri. oan 'e noas lûke. In de 18de eeuw luidt deze uitdr. gewoonlijk den neus opschorten; zie o.a. Van Effen, Spect. XI, 148; Tuinman I, 182 en 310: Hy schort zyn neus op; dit is een gebeerde van versmaading en afkeuring; Br. v. Abr. Bl. I, 190: Men schempt, men haalt den neus op over anderen; Psalm X, 4; Ezechiel VIII, 17; Harreb. II. 124: Hij trekt er den neus voor op; Villiers, 86; enz. In Zuid-Nederland kent men: zijnen neus optrekken, zijn misnoegen toonen (Waasch Idiot. 457 b); de neus opsteken, of opkrullen (Do Bo, 800; eng. to curl one's nose at a p.); den neus intrekken, krollen, iets onaangenaams tegenkomen (Tuerlinckx, 110); iemands neus doen krollen, hem beschaamd maken (Rutten, 153); zijnen neus op iets uitsteken, een vies gezicht om iets trekken; en in denzelfden zin het werkwoord schorsneuzen, schortneuzen (zie Schuermans, 407 b; 597 a), wat Kiliaen krimpneusen noemt, nasu suspendere aduncoOtto, 238 en De Brune, Bank. II, 226: Die zich tot deughd begeeft, wert van de wereld over schouder aenghesien, en aen een kromme neus ghehanghen., waarvoor men eertijds den neus (op)fronselen of fronsneuzen (nog in Antw. Idiot. 434) zeide. Vgl. de syn. uitdr. de schouders ophalen over (of om) iets of iemand.

1626. Iemand iets (niet) aan den neus hangen,

d.w.z. iemand iets (niet) mededeelen, een geheim (niet) toevertrouwen, waarvoor men in Groningen zegt: iemand iets (niet) aan den hals hangen (Molema, 143 b); in Twente: iemand iets an de ooren hangen; elders ook aan 't oor hangen; in de 18de eeuw: in 't oor hangen (Ndl. Wdb. XI, 32). Eene sedert de 17de eeuw voorkomende uitdrukking; zie o.a. Westerbaen II, 766: Hebt ghy misschien wat gunst van uw meesteress' ontfangen, en wilt ghy yder een dat aen zijn neus gaen hangen? Zie verder Tuinman I, 182 en 199: Men behoeft dat elk niet aan den neus te hangen, dat is, te maken, dat hy den snuf daar van kryge,; zie nog W. Leevend VI, 9; C. Wildsch. VI, 39; Sjof. 253; Prikk. V 16; enz. In het Friesch: immen net alles oan 'e noas hingje. Voor Zuid-Nederland vergelijke men Joos, 93; 123; Claes, 159; Schuermans, 276 b en 407 b; uw neus is geen kapstok, er moet niet alles aangehangen worden, gij moet niet alles weten; zie ook Schuermans, Bijv. 148 a; De Bo, 738: iets aan iemands neuze knoopen; iets aan allemans neus knoopen (Joos, 116; 121; Waasch Idiot. 457 b); Rutten, 153: iets aan iemands neus hangen, hem iets toevertrouwen, wat hij niet mag weten; uw neus is geen kapstok, gij zijt te nieuwsgierig; Harreb. I, 382 a; hd. einem etwas auf die Nase binden, mitteilen, zuweilen mit dem Nebensinn der Täuschung.

1627. Zijn neus overal insteken,

d.w.z. zich met alle zaken bemoeien, die iemand niet aangaan; eig. zijn neus dicht bij iets houden om het goed op te nemen, af te neuzen; seine Nase (oder seinen Schnabel) in alles stecken; fr. mettre, fourrer son nez dans quelque chose; eng. to poke one's nose into every thing; de. at stikke sin Naese in Alt. Zie Hooft, Ned. Hist. 22: De neus in diens huishouding te steeken; De Brune, Bank. II, 108; Tuinman I, 329: Hy steekt 'er zyn neus in, dat is, hy is nieuwsgierig en verneemt 'er na. 't Is genomen van snuffelende honden, die hunnen neus in den pot steken; C. Wildsch. I, 237; Villiers, 86; enz. In Zuid-Nederland zegt men naast zijne neuze ergens in (over) steken ook eenen snuit over iets hebben, hetzelfde als gij hebt uwen neus of snuit daar niet tusschen (of over) te steken of zijn snuit ergens inslaan (De Bo, 738; Antw. Idiot. 854; Joos, 74). Zie Harrebomée III, 304 b en vgl. het Friesch: hy moat rounom op 'e noas by. Syn. is zijn mond overal insteken (Harreb. II, 99 a).

1628. Een (langen) neus krijgen (of halen),

d.w.z. beschaamd, met schande van iets afkomen, weggaan, afdruipen. Vgl. Marnix, Byenc. 60 r: Sy sullen wel een lange Neuse krijgen, als sy sien sullen, dat de gansche Schrift, met de uytlegghinghe der H. Vaderen, op onse Leere ten minsten alsoo wel sluyt als een tanghe op een vercken; Van Lummel, 31: Van schaemten sach men se bleusen, want sy creghen al langhe neusen; bl. 90: Sy creghen neusen een elle lanck; bl. 304 en 391; De Brune, 235; Bank. II, 204; Vierl. 23; Tuinman I, 169: een langen neus krygen; en bl. 250: hy heeft een langen neus gekregen.... zulke zien voor zich neêr, en langs hunnen neus, dien zy in 't gezicht krygen; C. Wildsch. III, 322: Om u een langen neus te geeven zend ik u deezen brief ingesloten. Een weergaaze neus haalen (Br. v. Abr. Bl. II, 11); enz. Syn. was de uitdr. camuysVgl. Kil.: Kamus, kamuys, platneuze; Mnl. Wdb. III, 1161; De Brune, Bank II, 254; Halma, 112: Camus, camuse, adj honteux, die eenen langen neus krijgt, beschaamd; verder de plaatsen in 't Ndl. Wdb VII, 1191. staan, die voorkomt bij De Brune, Bank. I, 91, in den zin van verlegen staan. Zie Harrebomée III, 179 a. Ook zeide men vroeger een neus krijgen (Winschooten, 165 en Halma, 380: hij kreeg een schoonen neus), waarmede te vergelijken is het bij Hooft, Ned. Hist. 486 voorkomende beneust heengaan, met een langen neus afdruipen. In Zuid-Nederland zegt men hiervoor: ievers 'nen neus krijgen, halen (zie Antw. Idiot. 1916); er van afkomen met 'nen langen neus, teleurgesteld zijn (Waasch Idiot. 457 b); met een langen neus weerkomen (Joos, 95; 106); er afkomen met eene drupneuze, druipneuze; drupneuzen (De Bo, 273 b); druipneuzen (Schuerm. 108 b en Bijv. 74 a); met eene neuze staan (De Bo, 739 a) en iemand een neus geven, zetten, hem zijn ongelijk doen inzien (Rutten, 153; Joos, 74), In het hd. kent men ook: eine Nase bekommen, mit einer langen Nase abziehenVgl. Paul, Wtb. 369: Einem eine lange Nase machen, indem man die ausgespreizten Finger davor hält, als Zeichen des Hohnes über ein miszlungenes Unternehmen; daher wohl auch mit langer Nase (unverrichteter Sache) abziehen müssen, also indem einem eine solche Gebärde gemacht wird.; de. at gaa bort med en lang Naese; in het Fransch: avoir le nez long, allongé; avoir un pied de nez, een lang gezicht trekken, boos zijn; in het Friesch: in noas fen in jelne lang krije, den neus stooten.

1631. Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht,

d.i. wie van zijne nabestaanden kwaad spreekt, deelt zelf in de schande. Vgl. Fridank, 118, 3: Sin selbes schande er mêret der sîn geslehte unêret; mnl. sijns selfs locht scuut hi sere, die sinen gheslachte sprecht onnereTijdschrift XII, 101; 108.. Zie verder Campen bl. 8: wie syn noese afsnijdet, die schendet syn aensicht, variant van die zyn neus snydt, schendt zyn gezicht (zie Ndl. Wdb. IV, 2207); Goedthals, 28: die synen neuse scheynt bederft zyn aensichte; Hooft, Schijnheilig, 435: Doe hy my altemael had laeten wtkallen, seidt hy; êele man, houdt uw rust; 't is uw huisvrouw: snydy uw neus af, ghy schent uw aensicht; Smetius, 129; Van Moerk. 561; Cats I, 476 en Tuinman I, 199: Die zyn neus afsnyd, schend zyn aangezigt (zoo ook bij Halma, 379); dit drukt aardiguit, dat yemand zich onteert, door gebreken van zyne nabestaande te ontdekken; II, 60: Dit is een oud spreekwoord; 't wil zeggen, dat schoon tusschen bloedverwanten wel eens twist ontstaat, die echter niet te hoog moet loopen, om dat zy altoos moeten denken, dat ze malkanders vleesch zyn, en blyven; C. Wildsch. IV, 36; 190; Ppl. 43; 80; Nkr. III, 10 Jan. p. 2: Wees maar niet bang dat ik u in de krant zal zetten; we dragen immers één naam, en wie z'n neus schendt, schendt z'n aangezicht; Villiers, 87. Voor Zuid-Nederland zie De Bo, 739 a; Antw. Idiot. 1915: die zijnen neus schendt, schendt zijn aangezicht; Waasch Idiot. 457 b; 574 a: schendt ge uwen neus, ge schendt uw aangezicht. In het hd. wer seine Nase abschneidet, der schändet sein Angesicht; fr. c'est se couper le nez pour faire dépit à son visage; oudfr. qui son nez coupe il déserte son vis; eng. don't cut your nose off to spite your face; de. hoo som skaerer sin Naese af, skamferer sit eget Ansigt; zie verder Taalgids IV, 264; Dirksen I, 68; Jahrb. 38, 161; Wander III, 951-952 en vgl. het fri. dy 't him sels yn 'e noas byt, skeint syn antlit of oansicht.

1630. Het is een wassen neus.

Dat wil zeggen het is iets, dat men kan vervormen, waarvan men kan maken wat men wil; vooral gezegd van bepalingen en verordeningen, die men kan uitleggen zoo men wil; vandaar verstaat men onder ‘een wassen neus’ ook een doode letter, iets zonder beteekenis. Vgl. Marnix, Byenc. 52 r: De H. Schrift is een stomme Leeraer, een twist-boeck, doncker, onseecker, twijffelachtich, een doode Letter, een Wassen neuse ende een loode Richtsnoer, dat is te segghen: dat mense trecken, buyghen ende wenden mach, daermense hebben wil; 55 v: Hiermede maeckt sy van de Schrift een Weerhaen, die met alle winden omwaeyt, ende een Wassen neuse die sy aen alle kanten buygen kan. Vergelijk hiermede het mnd. aangehaald bij Schiller und Lübben, III, 177 a: Deyt deme rechten eynen hoeyken um, unde boeget dat vaken scheeff und krum, gherade efft yd sy eine wassene nese; De Brune, 138 en 432:

 De wet, die eer zoo heyligh was,
 Heeft nu ghelijck een neus van was.
 Men buyght de wetten naer de gunst;
 Dat houd men nu de beste kunst.

Zie nog Tuinman I, 224; Br. v. Abr. Bl. I, 275: Gods lieve heilige woord wordt een wasschen neus, en past op alles, wat men wil; Halma, 379: Een wasschen neus, die men draait als men wil, nez de cire, que l'on tourne comme l'on veut; Handelsblad, 24 Oct. 1914, p. 8 k. 2: Hooger beroep bij Gedeputeerde Staten in zake aanslag in de directe belasting naar het inkomen is een wassen neus; Nierstrasz, 74; fri. in waeksen noas; eng. a nose of wax, van personen gezegd, die men draait als men wil (Prick). De oorspronkelijke beteekenis is derhalve geweest: een neus, dien men kan vervormen, zoo men wil; waaraan men elken willekeurigen vorm kan geven, zooals een tooneelspeler dat vroeger deedVgl. Endepols, 89; Wijbrands, Het Amsterd. Tooneel, 79: 15 Julii 1639 aen Herman de Keyser voor een Wasse neus f 1:5.; bij overdracht werd deze benaming toegepast op artikelen en voorschriften, waarvan men kan maken wat men wil, die alleen als het ware voor de leus bestaan. De Russen zeggen: De wet is evenals een dissel, men wendt haar waarheen men wilZeitschrift des Vereins für Volkskunde XIV, 189..

Verouderd is de spreekwijze iemand een neus aandraaien of iemand een wassen neus maken (Weiland), hem iets wijs maken, bedriegen; mnd. einem eine wassene nese ansetten; hd. einem eine (wächserne) Nase (an)drehen, dat te vergelijken is met het vroegere mnl. Gode enen vlassenen baert maken, thans nog Zuidndl. God of onzen Heer een vlassen baard maken of aandoen (Mnl. Wdb. IX, 584; Volkskunde XIV, 147; XVI, 87; Waasch Idiot. 282 a; De Bo, 70 a), hd. Gott einen flächsenen Bart flechten; fr. faire barbe de paille à Dieu (eig. God bespottelijk voorstellen, voor den gek houden, bedriegen?) en iemand ooren (d.i. ezelsooren) aannaaien (Volkskunde XIV, 107; fri. immen ringen yn 'e earen of earen oan 'e kop naije), dat in denzelfden zin gebruikt werd; fr. faire la queue à qqn. Zie Ndl. Wdb. I, 251; II, 826; IX, 1892; XI, 38; Wander III, 955 en Grimm VII, 407-408.

1632. Het neusje van den (of een) zalm,

d.w.z. het fijnste, het uitnemendste, het beste. Het neusje van een zalm noemt men dat gedeelte, hetwelk vlak onder den bek ligt, puntig van vorm is (vgl. de neus van een schoen; het neusje van de ham, van een eendvogel, enz.), en tegelijk met den nekmoot wordt afgesnedenMededeeling van den heer C. Saür, vischhandelaar te Amsterdam.. Dit gedeelte houdt men algemeen voor het lekkerste stukVgl. bij Huygens V, 60: Me waf (wijf) heb ick met eenen oick gesonden om waf viss, e sneke salms of twie, e neuske, sooter is.; vandaar dat dit genomen werd voor iets dat zeer uitmuntend is, iets fijns. Vgl. Van Effen, Spect. III, 164: Maar dit moetje lezen, Heeren; Dit mag eerst werkje heeten; Ha dit is een recht gebrade peertje, een neusje van een zalm; C. Wildsch. I, 239: Een neusjen van den zalm; Halma, 380: Dat is een neusje van eenen zalm, dat is een lekker beetje, c'est un morceau délicat, c'est le meilleur qu'il y ait; bl. 800; Tuinman I, 99: 't Is 't neusje van den zalm; dat word van de liefhebbers voor 't beste en lekkerste van dien smaakelyken visch gehouden; en dit word by gelykenis tot het puikje van andere dingen overgebragt; Ndl. Wdb. IX, 1897. Vgl. in denzelfden zin in Twente en in Deventer: de töpkes van de garven (Draaijer, 42 a).

1797. Iemand de (of een) pen op den neus zetten,

ook wel iemand de pé (d.i. peen, pen, praam, prank of prik) op den neus zetten, door het een of ander doortastend middel iemand dwingen tot spreken of handelen; ook: iemand op gevoelige wijze de waarheid zeggen; hem intoomen, hem beletten uit den band te springenVgl. Brederoo I, 128, 681: Een dubble nues-dwang-straf betoomt myn jonghe sinnen.; vgl. V. Janus, I, 155: Ik wil voor jeluy oogen verzinken, als wij zelfs geen oorzaak zijn, dat men ons deze peen op den neus gezet heeft. 't Is een bril, daar wij duidelijk door kijken kunnen, maar die ons den neus zoo drommels in een drukt, dat er ons de traanen van in de oogen komen; Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 3: Van stonde af begon Bet haar schoonmoeder te vertroetelen en den kinderen werd in de keuken de pen op den neus gezet; Nw. School, I, 24: Je zult last met ze (leerlingen) hebben - zet ze maar dadelijk de pen op den neus. Syn. zijn iemand de prang (= pranger) of de klem, den nijper op den neus zetten (De Cock1, 79; 338; Antw. Idiot. 1915); iemand een prange op de neus zetten, iemand verbieden iets te verklappen (N. Taalgids XI, 306); iemand een pen (of een prik) op den neus zetten (Harreb. II, 124 a); fri.: immen de kaem (pranger) op 'e noasters (neusgaten) sette; de kniper komt op 'e skinen, de nood komt aan den manVgl. Harreb. II, XXVII: Als knijper aan boord komt, als de nood aan den man komt. Zie no. 1638.; geld.: iemand en pin vör de nöze of op den start zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen (Gallée, 33 a); iemand een bril op den neus zetten, iemand breidelen, bedwingen (Tuinman I, 348); iemand de knip op de staart setten (Winschooten, 38); iemand de kniepe op den staart zetten (Gunnink, 51); iemand een karpeson, kappeson (fr. caparaçon, cavaçon) op den neus zetten (Oudemans III, 314; Tuinman I, 333; Ndl. Wdb. III, 1380; Nav. LXI, 181); nd. wen de klemm (of knipen und klemmen) upsetten, jemand in die Enge treiben (Reuter, 58 b); enz. Al de hier genoemde dwangmiddelen kunnen dienen om springende of onwillige paarden te bedwingen. Vgl. ook het fr. donner des morailles à qqn, le tenir serré; pincer le nez à qqn.

2095. De snuf van iets (in den neus) hebben (of krijgen),

d.w.z. de lucht van iets krijgen, iets in de gaten hebben, mnl. iet smaken; iets in de neuze krijgen (De Bo), in de(n) snuf hebben (Joos, 85; Antw. Idiot. 1143), neuze, snuite hebben van iets (De Bo), in de gaten (neusgaten) krijgen, in het snotje hebben (Boekenoogen, 964; Nkr. I, 15 Sept. p. 2; V, 16 April p. 2; IX, 17 April p. 2; Schakels, 120: Hoor je 't kind? Die het 'm ook al in 't snotje); in den snuifer hebben (in Menschenw. 513); een snuf in den neus hebben (in Jord. II, 109); in 't snuitjen hebben (Antw. Idiot. 1144); eig. ‘de inademing van den reuk der dingen, of het genot van dien reuk’. Vgl. Hooft, Brieven, 271: Als hun (de paarden) de snof der stallen in den neus slaat; Warenar, vs. 102: Krijchtse de snof vande Pot mit ghelt inde neus, ick bin armer man as de ghevanghen slaven; Ned. Hist. 339; Mouf. 393; Pers, 419 a; 534 a; 606 a; Paffenr. 87: Den ouwe heeft de snuf al in den neus, en past op je handel naer ik merk; Sewel, 734: Hy heeft 'er de snuf van, he has the scent of it; het oostfri.: hê hed 't al in de snüf; hê hed d'r snüf fan kregen (Ten Doornk. Koolm. III, 249 a); in het nd. ook versnuff krigen; zie Grimm IX, 1385 en vgl. no. 1624.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal