Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neuken - (stoten; geslachtsgemeenschap hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

neuken ww. ‘geslachtsgemeenschap hebben’
Vnnl. om sijns eijsers vrou (‘de vrouw van de eiser in een rechtzaak’) eens te mogen neuken [1653; Van der Sijs 2006b].
Nnd. nöken, nucken ‘stoten’; on. hnykkja ‘trekken, rukken’ (nzw. dial. nycka, nde. nykke ‘stoten’); < pgm. *hnukjan-.
Uit de verwante Nederduitse en Noord-Germaanse woorden blijkt dat de oorspr. betekenis van dit woord ‘stoten, rukken e.d.’ geweest moet zijn. Deze betekenis is in oude Nederlandse teksten niet geattesteerd, maar blijkt indirect nog wel uit Afrikaans neuk (ww.) ‘hard slaan, hard gooien, vallen’ en uit de betekenis van neuken ‘stoten; bedriegen; zeuren; hinderen’ [eind 19e eeuw; WNT]. Ook Duits bumsen ‘neuken’ betekent eigenlijk ‘stoten’.
Vroege attestaties van neuken in de huidige betekenis komen vooral voor in rechtbankverslagen; het Nederlandse woord is kennelijk altijd als zeer plat beschouwd. De eerste vermelding in een woordenboek is neuken “beslapen, vleeschelijke gemeenschap met eene vrouw hebben” [1898; Van Dale].
Het woord was lange tijd uitsluitend NN, maar raakte sinds eind 20e eeuw ook bekender in het BN, alwaar het het synoniem poepen verdringt.
Lit.: N. v.d. Sijs (2006), Calendarium van de Nederlandse taal: de geschiedenis van het Nederlands in jaartallen, Den Haag, 219-220

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neuken* [geslachtsgemeenschap hebben] {1762} het woord betekende eigenlijk ‘stoten’, vgl. nederduits nöken [stoten], oudnoors hnykkja [rukken]; voor de betekenisovergang van ‘stoten’ naar ‘beslapen’ vgl. fieken, klooiennuk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neuken ww. eerst sedert Kiliaen ‘stompen, stoten; zaniken; coire’, zuidnl. ook ‘kijven, knorren, plagen, bedriegen’ nnl. dial. (brab.) ‘stompen, slaan’, nnd. nöken ‘stoten, futuere’, nucken ‘stoten’, on. hnykkja ‘naar zich toe rukken’. — Zie verder: nuk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

neuken ww., nog niet bij Kil. Dial. = “coïre” en “zaniken”, zuidndl. ook “kijven, knorren, plagen, bedriegen”, zuidndl. en N.-Brab. ook in de oudere bet. “stooten, stompen, slaan”. = ndd. nöken “stooten, futuere”, on. hnykkja “rukken”. Zie bij nuk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

neuken o.w. = stooten, tergen, knoeien, enz. + Ndd. nöken, Eng. to nock, On. hnykkja = stooten: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neuke (ww.) 1. geslachtsgemeenschap hebben 2. stoten 3zeuren; Nuinederlands neuken <1653>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

neuken, ww.: foppen, bedriegen. Afgeleide bet. van neuken ‘stompen, stoten’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

neuken,ww.: hard slaan, stompen. Ook Wvl. neuken, nukken ‘stoten, duwen, tergen, pesten’. De bet. ‘stoten, stompen’ is de oorspronkelijke, de Ndl. ‘coïteren’ is daarvan afgeleid, vgl. D. bumsen. Ndd. nöken ‘stoten’, On. hnykkja ‘rukken’, Ohd. niuwan ‘stoten’. Wellicht met kn/n-variatie (vgl. knok/nok) naast knokken ‘vechten, slaan’, Mhd. knochen ‘stoten, stompen’, On. knoka, Oe. cnuciani, cnocian, E. to knock, Ndd. knoken ‘lawaai maken’. Afl. van knok.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

neuk ww. (plat)
1. Hard slaan. 2. Lastig wees, pla of moeilikheid veroorsaak. 3. Hardhandig gooi. 4. Val. 5. Teen iemand se sin in 'n bepaalde rigting gaan.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. neuken, in dié bet. verouderd maar gewestelik nog bekend in S.Ndl. Bet. 3, 4 en 5 het in Afr. self ontwikkel. Die bet. 'geslagsgemeenskap hê' wat neuken in N.Ndl. het, is nie in Afr. bekend nie, maar is tog in 1762 aan die Kaap gebruik (Scholtz 1972: 145). Hierdie is trouens die oudste optekening (De Vries - De Tollenaere 2000).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1910).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

neuken (DB, O, GG: K), nukken (DB), ww.: een stoot geven, stoten, duwen; tergen, pesten (DB), tuimelen, vallen (O), telen, procreëren (GG). De Wvl. bet. ‘stoten’ is de oorspronkelijke, de Ndl. coïteren’ is daarvan afgeleid, vgl. D. bumsen. Ndd. nöken stoten’, On. hnykkja ‘rukken’, Ohd. niuwan ‘stoten’. Wellicht met kn/n-variatie (vgl. knok/nok) naast knokken ‘vechten, slaan’, Mhd. knochen ‘stoten, stompen’, On. knoka, Oe. cnucian, cnocian, E. to knock, Ndd. knoken ‘lawaai maken’. Afl. van knok. Afl. neukinge ‘rammeling’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

neuk: “lastig wees; slaan”, wel plat i. Afr., maar sonder d. seksuele implikasies v. Ndl. neuken (na Kil), “coire”, wat verb. hou m. nuk en Eng. knock – in bet. “coire, futuere” hoofs. NNdl., in SNdl. veral in bet. “lastig wees; slaan”; vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 14.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

neuken. Begin jaren tachtig kon men, volgens dr. B. van der Have, in het Feyenoordstadion de verwensing god zal me neuken! beluisteren. Hun letterlijke betekenis hadden de woorden van deze woordgroep reeds lang verloren. De verwensing drukt ontzetting, verbazing, ongeloof, verwondering e.d. uit. Steeds vaker horen wij ook ga neuken met jezelf!, een vertaling van het Engelse go (and) fuck yourself! Ook ga je moeder neuken! en laat je neuken in je kont! worden meer mondgemeen. Beide duiden op walging en minachting en hebben als emotionele betekenis ‘rot op, ik kots van je’. → moeder, naaien, pijpen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neuken ‘geslachtsgemeenschap hebben’ -> Fries neuke, nukke ‘geslachtsgemeenschap hebben’; Zuid-Afrikaans-Engels neuk ‘afranselen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

neuken* geslachtsgemeenschap hebben 1762 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2371. Iemand verneuken,

d.w.z. iemand beetnemen, bedriegen, verneuriën. Zie o.a. Molema, 447; D.H.L. 14 en vgl. verneukbroer (in Nest, 76); verneukeratief (in D.H.L. 13; Slop, 21). Verneuken is eene samenstelling van ‘neuken’, welk ww. in Zuid-Nederland de beteekenis heeft van stooten, stompenUit deze beteekenis vloeit voort die van ‘coïre’, keezen (in Nachtkr. 35), fieken (Kmz. 211), fietsen (Köster Henke, 16), zijn stok wegzetten (De Cock2, 172), op zijn elfden vinger staan, op zijn steel staan (in D.H.L. 38); vgl. de syn. uitdr. ‘naaien’ (in Ndl. Wdb. IX, 1346; Kmz. 122; Mgdh. 288) naast ‘genaaid zijn’, gefopt zijn, in Zuidndl. iemand vernaaien, bedriegen (Loquela, 540). Ook de beteekenis ‘gaan’, uitrukken’ hebben beide ww. gemeen; vgl. ‘er uitnaaien’ (fri. utnaeije; stadsfri. uutnaaien); Onze Volkstaal II, 181; Molema, 290; oostfri. ûtneîen; fr. filer son noeud) naast neuken, zich wegmaken (Antw. Idiot. 1915). Zie stooten, bruien en dergelijke en vgl. Tijdschr. XXXVI, 61 vlgg., plagen, tergen, foppen; vgl. De Bo, 737: Iemand in 't water, in den gracht neuken. Hij doet niet liever, hij kan niet anders dan menschen neuken. Als hij u eerst geneukt heeft, dan komt hij u vleien en dienen; Schuermans, 407; Bijv. 208; Antw. Idiot. 853: neuk of neuking, stomp, stoot; neuken, bedriegen, foppen; neukes, bedrieger; Waasch Idiot. 457: neuken, werpen; neuking, rammeling, pak slaag; Tuerlinckx, 410: neuken, foppen; Teirl. 34: afneuken, afranselen, bedriegen, foppen; Loquela, 342: neuken, bruien, brillen; Rutten, 152: neuk, misslag bij 't kegelspel. Hiernaast het door ver versterkte verneuken (Schuermans, 793; De Bo, 1283; Waasch Idiot. 700). Voor den overgang der beteekenissen vgl. bruien, slaan, afranselen, plagen, eene vrouw beslapen, schoffeeren (Ndl. Wdb. III, 1640 vlgg.). Vgl. ons opneuker, opstopper.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut