Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

net - (keurig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

net 2 bn. ‘ordelijk’
Mnl. net ‘glanzend’ [ca. 1330; MNW], ‘mooi, keurig’ in int nette setten ‘in het net schrijven’ [1456; MNHWS], nett ‘zorgvuldig, keurig’ [1477; Teuth.]; vnnl. net, nett ‘rein, zowel van innerlijk als uiterlijk’ in een suyver maghet net ‘een zuivere, reine maagd’ [1539; MNW], ‘keurig, niet meer in het klad’ in in 't net gebracht [1668; WNT]; nnl. net ‘keurig, ordelijk’ in een nette lijst [1760; WNT uitkoop], ook ‘deftig’ in stijf, al te net [1793; WNT], ‘precies, nauwkeurig’ in dat weet ik zoo net niet [1808; WNT].
Ontleend aan Frans net, nette ‘ordelijk’ [1475; TLF], eerder al ‘zuiver, schoon’ [ca. 1170; TLF] en ‘zonder smetten’ [1100-50; TLF] < Latijn nitidus ‘glanzend, schitterend; keurig’, een afleiding van nitēre ‘glanzen’.
Latijn nitēre is misschien verwant met: Oudperzisch naiba- ‘mooi, goed’, Perzisch nēw ‘id.’; Oudiers nōib ‘heilig’, Middeliers nīam ‘stralendheid, schoonheid’; < pie. *nei-, *noi-, *ni- ‘opgewonden zijn; mooi; glanzen’ (IEW 760).
Als bn. komt het vrijwel alleen nog voor in attributief gebruik: een nette man, een net huis. In andere posities is net in de loop van de 19e eeuw in het Nederlands vrijwel verdrongen door netjes, zie hieronder.
netjes bn. ‘ordelijk, keurig, fatsoenlijk’. Vnnl. netjes ‘keurig’ [1610-19; WNT zwaren], nettekens ‘id.’ in een fijne lakense broeck ... 't staet heel nettekens [1633; WNT], nettekens beschoren ‘keurig geschoren’ [1666; WNT]; nnl. netjes ‘precies, juist’ in hij wist dat netjes te verhaalen [ca. 1725; WNT], ‘keurig’ in de keurslyven (slooten) ... netjes om de middel [1776; WNT], ‘fatsoenlijk’ in omdat het nu eenmaal netjes is en iedereen het doet [1902; WNT]. Gevormd in gemoedelijke omgangstaal uit net ‘keurig’ met een verkleiningsuitgang van zelfstandige naamwoorden, zoals dat ook is gebeurd in → allengs, in eventjes en efkes, zie → even 2, en in stilletjes/stillekens, zachtjes/zachtkens, dunnetjes overdoen, 't is frisjes, je ziet witjes, enz.
Lit.: Schönfeld, par. 187

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

net2 [keurig] {1456} < frans net [schoon, zuiver] < latijn nitidus [schitterend, verzorgd, elegant], van nitēre [schitteren, glanzen] (vgl. netto).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

net 2 bnw., laat-mnl. < fra. net ‘rein’ < lat. nitidus ‘glanzend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

net I bnw. Laat-mnl. uit fr. net (< lat. nitidus “glanzend”), dat ook in andere talen overging.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

net 1 bijv.(zuiver), gelijk Hgd. nett en Eng. neat, uit Fr. net, van Lat. nitidum (-us) = glanzend, van nitere = schijnen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

net (bn.) keurig, net; Middelnederlands net <1456>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2net b.nw. (meer formeel; verouderend)
Netjies.
Uit Ndl. net (al Mnl.).

3net bw.
1. Alleen, slegs. 2. Presies. 3. Eenvoudig, gewoonweg. 4. Op hierdie oomblik. 5. Amper nie.
Uit Ndl. net (al Mnl.). Hou oorspr. met net (2net) verband.

net-net bw.
Amper, byna.
Reduplikasie van net (3net 5).

netnou bw.
Oor 'n rukkie, of 'n rukkie gelede.
Samestelling van net (3net 4) en nou (1nou).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

net vw., net als. Ze eten net twee kleine kinderen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

net II: bw., “alleen, slegs; so pas; presies”, as bw. hou Ndl. net (Mnl. net/nett) misk. verb. m. Fr. net en m. net III; in Ndl. veroud. (Scho TWK/NR 7, 2, p. 14).

net III: b.nw., mooi, netjies, skoon; Ndl. net (Lmnl. net) uit Fr. net, “rein, skoon”, uit Lat. nitidus, “blink, glansend”; vgl. net II.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

net (Frans net)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Net (schoon), van ’t Fr. net en dit van ’t Lat. nitidus = glanzend, blinkend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

net ‘keurig, nauwkeurig’ -> Fries net ‘keurig, nauwkeurig’; Duits nett ‘knap; sierlijk; lief; vriendelijk’; Deens net ‘keurig, netjes’ ; Noors dialect † (uitdrukking) det var nett te pass ‘dat ging net’; Indonesisch nét ‘duidelijk, zuiver, helder’; Javaans enèt, nèt ‘netjes, in het net, precies’; Negerhollands net ‘keurig, netjes’; Papiaments nèt ‘precies’; Sranantongo nèt ‘keurig, nauwkeurig’.

net ‘precies als’ -> Sranantongo nèt, nètnèt ‘precies als’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

net, netjes. Het Nederlandse woord net 'keurig' is ontleend aan het Frans; het is in 1456 voor het eerst in een Nederlandse tekst aangetroffen. Het woord is meegenomen door Nederlanders die zich op andere continenten vestigden: in 1906 merkte F.P.H. Prick van Wely in zijn Neerlands Taal in 't verre Oosten op dat het Nederlandse woord netjes was geleend door het Soendanees en Ambonees als netjis; in die laatste taal werd het volgens hem 'meer gebruikt in de zin van "mooi"'. Het huidige Indonesisch kent nog steeds de woorden nét en necis 'zuiver, schoon, net'; de afleiding menétkan betekent 'een net afschrift maken'. In het Papiaments betekent nèchi ' keurig, verzorgd, ordelijk, beschaafd': hende nèchi zijn 'nette mensen'. Nèchi wordt ook gebruikt voor 'mooi, knap van uiterlijk'.

Dat talen - waaronder het Nederlands - het begrip 'net(jes)' overnemen uit een andere taal, zal waarschijnlijk betekenen dat het oorspronkelijk ging om een bepaalde manier van netheid of fatsoen, een manier die men overnam van een cultuur waar men tegen opkeek: de Nederlanders en Vlamingen hadden in het verleden veel ontzag voor de Franse cultuur, de Indonesiërs voor de Nederlandse.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

net keurig 1456 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut