Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

net - (strikwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

net 1 zn. ‘weefsel’
Onl. *netti ‘weefsel’ in een Latijnse context: Partes vero que dicuntur netten et nerebedden, domini erunt ‘de delen echter, die (darm)vliezen en nierbedden genoemd worden, zullen van de heer zijn’ [1176-1200; ONW]; mnl. nette ‘net’ [1240; Bern.], ook al net in Werp an die rechter side v net ‘werp aan de rechterzijde uw (vissers)net uit’ [1285; VMNW]; nnl. ook in overdrachtelijke betekenissen, bijv. in netvlies, zie onder, en in het net van wegen en verbindingen [1864; iWNT], het groote spoorwegnet [1871; iWNT spoorweg]. Zie ook → netwerk.
Os. net, netti (mnd. net, nette); ohd. nezzi (nhd. Netz); ofri. nette, nitte (nfri. net); oe. nett (ne. net); on. net (nzw. nät); got. nati; alle ‘net’, < pgm. *nat-ja, *nat-jō-. Daarnaast ablautend (voltrap) pgm. *nōtō-, waaruit on. nót ‘groot visnet’ (nzw. not).
Verwant met: Latijn nōdus ‘knoop’, en wrsch. ook met nassa ‘fuik’ (< *nad-tā-). Indien deze woorden Indo-Europees zijn, dan kan pie. *n(o)Hd- gereconstrueerd worden, Latijn *nad- en pgm. *nat- uit de nultrap en Latijn nōd- en pgm. *nōt- uit de o-trap. Indien → nestel verwant is, is een reconstructie met laryngaal onmogelijk. Verwantschap met Sanskrit náhyanti ‘binden’ en Oudiers -nascat ‘binden’ < pie. *(h)nedh- (LIV 227) is onzeker. Mogelijk gaan de Germaanse en Latijnse woorden terug op een woord uit een voor-Indo-Europese substraattaal.
netvlies zn. ‘retina, vlies op de binnenkant van het oog’. Vnnl. nettevlies ‘id.’ in Het seste en laetste Vlies wert ... den naem gegeven van Nette-vlies [1642; iWNT]; nnl. ook wel net ‘id.’ in Deeze uitgespanne gezichtzenuw wordt hier genoemd het Net [1736; iWNT net]. Samenstelling van net en → vlies, naar het voorbeeld van middeleeuws Latijn retina ‘netvlies’ bij rete ‘net’. Het netvlies met zijn duidelijk zichtbare bloedvaten deed denken aan een jagers- of vissersnet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

net1* [visnet] {net(te) 1201-1250} oudsaksisch netti, oudhoogduits nezzi, oudfries nette, oudengels nett, oudnoors net, gotisch nati; buiten het germ. latijn nassa [fuik, valstrik], nodus [knoop], oudiers nascim [ik bind], oudindisch nahyati [hij bindt, hij knoopt] (vgl. nestel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

net 1 znw. o., mnl. nette, net o., os. netti, net, ohd. nezzi (nhd. netz), oe. nett (ne. net), on. net, got. nati. Daarnaast staan nog on. netja v., ofri. nette, nitte v. ‘vlies om de ingewanden’ en abl. on. nōt v. ‘groot net’. — oiers nascim (< *nǝd-skō) ‘binden, verplichten’, nasc ‘ring’, nessa ‘dichter bij’, osk. nessimas v. mv. ‘proximae’, lat. nōdus ‘knoop’, van de idg. wt. *ned ‘samendraaien, knopen’ (IEW 758-9). — Zie: nestel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

net II znw. o., mnl. nette, net o. = ohd. nezzi (nhd. netz), os. netti, net, ags. nett (eng. net), on. net, got. nati o. “net”. Hiernaast on. netja v., ofri. nette, nitte v. “vlies om de ingewanden” en on. nôt v. “groot net”. Van een idg. basis nā̆d-, waarvan ook ier. nasc “riem”, nascim “ik bind”, naidm “nexum” (minder wsch. met de woordfamilie van nestel gecombineerd), lat. nassa (*nad-tâ) “fischfuik”. Zie nog netel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nestel. De basis *nedh- wordt vooral aangenomen ter wille van oi. náhyati ‘hij bindt, knoopt’. Als men dit anders verklaart en met lat. necto ‘ik knoop’ verwant acht, ligt een basis *ned- veel meer voor de hand, waarbij dan ook de bij net II genoemde woorden behoren (ook lat. nôdus is gevoeglijk op *nôdo- te herleiden). Zie WP. II, 328 vlg. en literatuur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

net 2 o. (strikwerk), Mnl. nette, Os. netti + Ohd. nezzi (Mhd. netze, Nhd. netz) Ags. nett (Eng. net), Ofri. nette, On. net (Zw. nät, De. net), Go. nati + Lat. nassa (d.i. *nad-tā), Oier. nascim = binden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nèt (zn.) net; Aajdnederlands netti <1176-1200> < Frans net.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1net s.nw.
1. Tipe knoopwerk. 2. Netwerk.
Uit Ndl. net (al Mnl.).
D. Netz, Eng. net.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

net I: touwerk m. gate/ogies; Ndl. net (Mnl. net/nette), Hd. netz, Eng. net, hou verb. m. Lat. nōdus, “knoop”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

net ‘van garen geknoopt weefsel, visnet; netwerk’ -> Deens net ‘visnet; netwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors nett ‘vlechtwerk van draden e.d.; visnet; systeem van verbindingen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † nettequin ‘klein net’; Indonesisch nét ‘tennisnet, badmintonnet, haarnetje’; Negerhollands net ‘grofmazig weefsel om bijvoorbeeld dieren mee te vangen’; Papiaments nèt ‘visnet’; Sranantongo neti ‘visnet’ (uit Nederlands of Engels); Arowaks nete ‘visnet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

net* visnet 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Net, populaire benaming voor het Internet*.

Er bestaan geen regels voor de inhoud van wat wel en niet over ‘het Net’ mag worden getransporteerd. (NRC Handelsblad, 29/12/95)
De grote misvatting is dat het Net wordt gezien als een wereldomspannend, gebruikersvriendelijk en menugestuurd super-BBS. (Kijk, februari 1995)
Internet (ook wel het Net genoemd) is een snel groeiend netwerk van computernetwerken waarop een heleboel informatie beschikbaar is. (PC-Consument, december 1996)
Iedereen hangt tegenwoordig op ‘het net’ rond, maar niemand weet precies waarom. (Vrij Nederland, 19/07/97)
Er is een anti Bauer-pagina op het net. (Nieuwe Revu, 10/12/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1615. Achter het net visschen.

Eig. visschen op eene plaats, die reeds door anderen met het trekgaren, een sleepnet, is afgevischt; dus komen, als er niets meer te vangen is; fig. te laat komen, zijne kans verkeken hebben, ‘iets beproeven dat niets meer kan opleveren doordat een ander de kans reeds heeft waargenomen’. Vgl. Campen, 70: hy visschet altoes achter 't nette; Sartorius I, 2, 11; II 8, 67; Smetius, 46: achter het nett visschen, inanem laborem sumere; De Brune, 26: 't is quaed te visschen achter 't net; Idinau, 38:

 Achter 't net te visschen, is kleyn bescheedt:
 Want daer en is doch niet te halen.

Zie verder nog Bacch. 46: Want waer des Meesters oogh niet op de paerden let, gewis al hoe-je vischt, ghy vischter achter 't net; Winschooten, 165; 332; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1877; Tuinman I, 239; Sewel, 895; Harreb. II, 122; Ndl. Wdb. IX, 1866; Nkr. VII, 8 Febr. p. 2; III, 21 Nov. p. 3; Ons Volksleven V, 161; enz. en vgl. het oostfri. hê mut achter 't net fisken; het fri. efter 't net fiskje, hetzelfde als knikke efter 'e miet, knikkeren achter de meetstreep.

1616. Zijn netten (of netjes) drogen,

d.w.z. een tijd zuinig leven om zijn geldzaken te herstellen; vroeger ook toegepast op een dronkaard, die ophoudt sterk te drinken; zijn roes uitslapen. Vgl. Cats I, 544: Wilt gy 'er somtijds een glaesjen op setten, t' is wel mijn vrient! maer drooght uw netten (wees matig); Winschooten, 164: Netten droogen: het welk oneigendlijk gepast werd op luiden, die wat opgetrokken, en gesoopen hebben, van deselve werd gesegt, dat sij haar netjes wat moeten droogen, dat is, dat sij wat moeten soobereeren, en uitvasten; Tuinman, I, nal. bl. 23: Hy moet zyn netjes wat droogen; Netten, die te water geweest hebben, moet men weder droogen, op dat ze niet verrotten. Dit past men toe op dronkaards; Halma, 379; Sewel, 520: Zyn netten droogen, naar den dronk uitslaapen en vasten; Van Eijk I, nal. bl. 6: dan moest hij zijn' netjes droogen, zijn roes uitslapen; III. 74: hij droogt zijne netten (ook netjes), hij rust wat uit, ook wel: hij scheidt er uit met wijn of sterken drank te gebruiken, of hij slaapt zijn roes uit; Harreb. II, 122; Kippev. II, 247: Er komt eenmaal een tijd dat men zijn netten uit het water neemt; Ndl. Wdb. IX, 1866; III, 3405.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut