Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nest - (broedplaats van vogels)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nest zn. ‘broedplaats van vogels’
Onl. nest ‘nest’ in hebban olla uogala nestas hagunnan ‘zijn alle vogels nesten begonnen’ [1091-1110; CG II-1, 130]; mnl. nest [1240; Bern.]; vnnl. overdrachtelijk ‘bed’ in Het is nu tijdt, dat elck zijn nest soecke ‘het is nu tijd dat iedereen naar bed gaat’ [1644; WNT].
Mnd. nest (waaruit door ontlening nzw. näste); ohd. nest (nhd. Nest); nfri. nêst, nust; oe. nest (ne. nest); alle ‘nest’, < pgm. *nesta- vroeger *nista-. Hierbij hoort ook de werkwoordsafleiding pgm. *nist-jan- ‘nestelen’, waaruit: mnl. nesten (zie onder); ohd. nisten (nhd. nisten); oe. nist(i)an (ne. nest). Met een -l-achtervoegsel bovendien: pgm. *nist-il-an- ‘nestelen’, waaruit: mnl./nnl. nestelen; mhd. nisteln; nfri. nestelje, nesselje, neskje, njeskje, nusselje; oe. nestlian, nistlan (ne. nestle).
Verwant met: Latijn nīdus ‘nest’; Sanskrit nīḍá- ‘nest, leger van dieren’; Oudiers net ‘nest’; Armeens nist ‘ligging, verblijfplaats’; bij pie. *ni-zd-os < (met assimilatie) vroeger *ni-sd-os ‘nest’ (IEW 887), uit *ni- ‘onder, neer-’ (IEW 312), zie → neer, en de nultrap van de wortel *sed- ‘zitten’ (IEW 884), zie → zitten. Het woord betekent dus eigenlijk ‘plek om neder te zitten/zetten’. Mogelijk ook verwant Oudkerkslavisch gnezdo ‘nest’ (Russisch gnezdó), maar de g- is onverklaarbaar. Litouws lìzdas ‘id.’ is mogelijk ook verwant; de l- zou ontstaan zijn door verwarring met vormen bij pie. *legh- ‘liggen’ (IEW 658), zie → liggen.
nestelen ww. ‘een nest maken, zich vestigen’. Mnl. nistelen ‘id.’ [1240; Bern.], meestal nestelen, zoals in in den drec nesteltet ‘in de uitwerpselen maakt hij (de hop) een nest’ [1287; VMNW]; nnl. ook wederkerend zich nestelen ‘zich vestigen’ [1832; Bomhoff NE]. Daarnaast ook zonder -l- in ooc mooghe wi alse jonghe vogelkens daerin nesten ‘ook mogen we als jonge vogeltjes daarin wonen (in Jezus' wonden)’ [ca. 1465; MNW]. Afleiding van nest.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nest* [vogelbroedplaats] {oudnederlands, middelnederlands nest ca. 1100} middelnederduits, oudhoogduits, oudengels nest; buiten het germ. latijn nidus, litouws lizdas, oudkerkslavisch gnězdo, oudiers net, welsh nyth, armeens nist, oudindisch nīḍa-; het woord is samengesteld uit een eerste lid dat ook in neder wordt gevonden en een tweede dat in zitten voorkomt, dus ‘iets waarop wordt gezeten’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nest znw. o., mnl. nest, nist m. o. ‘nest, leger van dieren’, mnd. ohd. oe. nest < germ. *nista > idg. *ni-zd-o gevormd uit *ni, waarvoor zie: neder en -zd- nultrap van de wt. *sed, waarvoor zie: zitten. — lat. nīdus, oiers net, oi. nida-, ‘nest, leger van dieren’, arm. nist ‘ligging, verblijfplaats’ (IEW 887).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nest znw. o., mnl. nest (nist) m. o. “nest, leger van dieren”. = ohd. nëst o. “id.” (nhd. nest), mnd. nëst o. “id.”, ags. nëst o. (eng. nest) “nest”, oergerm. *nista- > idg. *ni-zdo-. = ier. net, lat. nîdus “nest”, arm. nist “ligging, verblijfplaats”, oi. nîḍá- “leger van dieren, rustplaats”. Vervormd: obg. gnězdo, lit. lìzdas “nest”. Voor ’t eerste lid van *ni-zdo- vgl. neder, ’t tweede staat in ablaut tot zitten; de letterlijke bet. is dus “plaats om neer te zitten”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nest. Ook owvla. nëst m. (Schönfeld Tschr. 52, 1 vlgg.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nest o., Mnl. id. + Ohd. nest (Mhd. en Nhd. id.), Ags. nest (Eng. id.) + Skr. nīḍam (*ni-zdom), Arm. nist, Lat. nidus (*ni-zdos), Oier. net, Lit. lizdas (*ni-zdos), waarin het Idg. præfix *ni = neder (z.d.w.) en den zw. graad van wrt. sed = zitten (z.d.w.) — Nest in boos nest is opgemaakt uit kakkernest.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nès (zn.) nest; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) nes, Aajdnederlands nest <1091-1110>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nest: (meestal voorafgegaan door schijnheilig, verwend enz.) verwaand meisje.

Schijnheilig nest, zel jij op de boere schelde? Heb ie je zakke al zo vol gestole, dat ’t je niet meer schele kan Ant uit d’r erfenis te verdringe? Lompe boere! (Marcellus Emants, Juffrouw Lina, 1888)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nest, in ’t Oudgerm. nizdo = ni-zdo, van ni = neder en den wt. sed = zitten (vgl. Skr. nisad = nederzitten). ’t Woord is dus letterlijk: plaats waar een dier gaat zitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nest ‘vogelbroedplaats; (verouderd) woonhuis’ -> Zweeds näste ‘vogelbroedplaats’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † nest ‘dorsvloer c.q. oppervlakte van een brouwerij’; Negerhollands nest, nes ‘vogelbroedplaats’; Papiaments nèshi, nèishi (ouder: nesji) ‘vogelbroedplaats’; Sranantongo nesi ‘vogelbroedplaats’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans peenjá nesi ‘piranhanest, als plantennaam (de plant wordt in het water gehangen en de piranha's leggen er hun eieren in en blijven erbij, waardoor ze gevangen kunnen worden)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nest* vogelbroedplaats 1100 [CG II1, 130]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

1612. Een nest.

In de 18de eeuw sprak men van een ‘nest van een huis’ voor een slecht huis, een krot, een geringe, armzalige woning (zie Halma en Sewel), een gebruik, dat thans nog evenals in het hd. bekend is; eveneens in Zuid Nederland (zie Antw. Idiot. 2254), waar het ook met verachting op een huishouding of een genootschap wordt toegepast (Waasch Idiot. 456 b). Hiernaast kent men sedert de 18de eeuw (C. Wildsch. VI, 29: een stout nest) een nest (van een meisje), een ondeugend, ingebeeld, nuffig meisje; zoo'n nest! = zoo'n ondeugend, ook: zoo'n preutsch of zoo'n bazig ding! fri. in ondogens nêst, stout meisje; in ald nêst, hatelijke oude vrouw; V. Schothorst, 177: nestig, nesterig, nuffig, ingebeeld. De beteekenis ontwikkeling is hier niet duidelijk. Het liefst zou ik uitgaan van de bet. jonge, onvolwassen visch, die als aas of als voer dient (vgl. brasem; no. 143). Zie verder Ndl. Wdb. IX, 1856.

1576. Muizennesten in het hoofd hebben,

d.w.z. over allerlei dingen, kleinigheden, mijmeren, peinzen; fri. mûzenêsten yn 'e holle ha; mûzenêsten siikje, uitvluchten zoeken, spijkers op laag water zoeken. Deze uitdr. is geen verbastering van ‘muizenissen in het hoofd hebben’, zooals is aangetoond in Noord en Zuid XIX, 62-65. Plantijn vermeldt: Muysenesten int hooft hebben, avoir des nids de sourris à la teste, songer creux, avoir la puce à l'aureille, exputare, in cerebro aliquid evolvere, excogitare, somniare vigilans; zie verder Servilius, 169: Hi heeft vele muysen in 't hooft; bij Sartorius II, 2, 77: Lusciniae nugis insidentis met de vertaling trepelaers die veel musenesten int hooft hebben; Mellema: Muysennesten in 't hooft hebben, songer, songer creux, avoir la puce à l'oreille; vgl. ook Kluchtspel I, 208; II, 70; Marnix, Byenc. 146 v; Poirters, Mask. 212; Coster, 43, vs. 1007; Pers, 539 a; Bank. II, 376: Hy (een koning) heeft zijn hooft altijd vol byen, of muyze-nesten, die altijds hommelen en ritzelen; Idinau, 135; Sewel, 501; Halma, 363; C. Wildsch. III, 271; V, 283; Noord en Zuid XXII, 307; Ndl. Wdb. IX, 1226; B.B. 355; Kmz. 285; Villiers, 84; enz. In het Duitsch kwam voor bij Sebastiaan Francken (1541) II, 40: er hat vil hummeln, mucken (ndl. muggen in 't hoofd hebben (17de eeuw), tauben, meusz, meusznester oder grillen im Kopf; Wander III, 550 citeert: he hett Müsenester im Koppe; 545: er hät Müs im Kopf; Eckart, 354: he hebt Müs in den Kopp; Schrader, 189: er hat Mäuse im Kopfe; nd. du hes wol'n sirs, du bist wohl verrückt (sirs = heimchenZeitschr. f.d. D. Altert. LIII, 133: Die genannten tiere sind erscheinungsformen von elben und dämonen; ihrer gestalt bedienen sich kobolde und hexen, deren üblem einfluss ein gut teil der krankheiten, namentlich gemütsstörungen, zugeschrieben wird - dass man an das vorhandensein derartiger schmarotzen im menschlichen leibe glaubte, dafür zeugen die beschwörungen, die man vornahm, bis schlieslich der ‘teufel’ in gestalt etwa einer mücke den körper verliess. Vgl. ook Leuv. Bijdr X, 245.). In het Fransch zegt men o.a. (zie Nyrop IV, § 397): avoir des trichines au plafond; avoir une écrevisse dans la tourte (ou dans le vol-au-vent); avoir des rats en tête (westvl. eene ratte in den kop hebben; De Bo, 914 b); avoir des papillons noirs en tête; avoir une araignée dans le plafond (17de eeuw: poppen (of wespen) in 't hoofd hebben; Tuinman II, 16: hij heeft zijn hoofd vol spinnewebben; Zuidnederl. een spinnekop in de hersens hebben naast geen spinnekopnetten in den bol hebben, verstandig zijn; Huygens I, 206: Al dit coppe-spin te verdryven uyt je sin; eng. to have cobwebs (or maggots, bugs, wheels, a bee) in one's brain); zie verder De Bo, 719; Waasch Idiot. 448 a; Antw. Idiot. 839; Schuermans, 397 b: hij zit met muizennesten in zijn hoofd, hij brengt allerlei uitvluchten tot zijne verschooning bijIn de Brieven van Abr. Bl. II, 215 lezen we: Te denken en te muizenesten, d.i. zich allerlei muizennesten in het hoofd te halen, te peinzen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut