Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nering - (bedrijf, winkel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nering zn. ‘bedrijf, winkel’
Mnl. neringhe ‘kostwinning; bedrijf, ambacht’ in hie verborde ... .i. jaer sine neringhe ‘hij zou een beroepsverbod van een jaar moeten ondergaan’ [1277; VMNW], die ne doen gheene neringhe ‘die geen ambacht uitoefenen’ [1287; VMNW], hem letten willen jn sine Neringhe te comene ‘hem willen beletten zijn beroep uit te oefenen’ [1291; VMNW]; vnnl. Ic (stelle) naer myn cleyne neeringe Gelyc myn teringe ‘ik stel mijn uitgavenpatroon gelijk aan mijn geringe verdiensten’ [1596; iWNT]; nnl. de teering na de neering ... zetten [1711; iWNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ing van het werkwoord neren ‘voeden, onderhouden’ < onl. neren in armliche er sih nerete ‘hij voedde zich karig’ [1151-1200; Reimbibel]. Dit werkwoord bestond ook in geprefigeerde vorm: onl. generen ‘redden, verlossen’ in genere mi fan hendi sundigis ‘red mij uit de hand van de zondaar’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. gheneren ‘id.’.
Ofri. neringe ‘kostwinning’ (nfri. nearing). Bij het werkwoord horen: ohd. nerian ‘redden, behoeden’ (nhd. nähren ‘voeden, onderhouden’); ofri. nera ‘voeden, onderhouden’; oe. nerian ‘redden, bevrijden’; got. nasjan ‘redden, doen genezen’; < pgm. *nazján-, causatief van *-nesan- ‘doorstaan’, dat vooral voorkomt in de geprefigeerde vorm *ga-nésan- ‘gered worden, bevrijd worden, genezen’, waarvoor zie → genezen.
De wortel pgm. *nes-, is verwant met: Grieks neĩsthai (< *nés-esthai) ‘terugkeren’ (zie → nostalgie); Sanskrit násate ‘naderen, zich verenigen’; bij de wortel pie. *nes- ‘terugkeren’ (LIV 454).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nering* [bedrijf] {neringe [broodwinning] 1277} van middelnederlands hem neren [in zijn onderhoud voorzien], van neren [zich voeden] (vgl. generen2).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

nering

Nering is: middel van bestaan, inzonderheid de kleinhandel. Men spreekt van winkeliers als neringdoenden. Bekend zijn uitdrukkingen als: de tering naar de nering zetten, ieder is een dief in zijn eigen nering enz.

Bij het zelfstandig naamwoord nering behoort het werkwoord generen (uitgesproken met een Hollandse harde g!): in zijn onderhoud voorzien, maar oorspronkelijk: redden, gezond maken. Generen hoort dus bij genezen: gezond worden, zoals drenken bij drinken, vellen bij vallen, leggen bij liggen, zogen bij zuigen enz. Een heel ander woord is zich generen waarin de g als zj wordt uitgesproken. Dit is ontleend aan het Franse gêner, oorspronkelijk: folteren, later: hinderen. Se gêner is: zich schamen. Men leidt het woord wel af uit het oorspronkelijk Hebreeuwse, gelatiniseerde gehenna: hel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nering znw. v., owfri. nerringe v. ‘kostwinning, nering’, afl. van mnl. nēren, waarvoor zie: generen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nering znw. Zie generen. Ook owfri. nerringe v. “kostwinning, nering”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nering 1 v. (middel van bestaan), Mnl. neringhe + Mhd. nerunge: afgel. van *neren + Hgd. nähren: z. generen. Hgd. nahrung is niet afgeleid van nähren, maar van Ohd. nara = onderhoud, dat van denz. oorspr. is als nähren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nering s.nw.
Werksaamheid waarmee 'n bestaan gemaak word.
Uit Ndl. nering (Mnl. neringhe). Mnl. neringhe is 'n afleiding van die ww. neren 'in iemand se onderhoud voorsien, 'n bedryf beoefen'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nering (middel van bestaan) van ’t Mnl. neren = voeden, onderhouden, zich generen; van den Germ. wt. nes: behouden worden, waarvan ons genezen; z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nering ‘bedrijf, broodwinning’ -> Zweeds näring ‘voeding, voedsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect neringhe; naringhe, naringuier; naireguier ‘ambacht’; Madoerees neren ‘bedrijf, broodwinning’; Soendanees nering ‘bedrijf, broodwinning’; Negerhollands neering, naaring ‘voedsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nering* bedrijf, broodwinning 1277 [CG I1, 354]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

418. Elk is een dief in zijn nering,

d.w.z. ieder zoekt op slinksche wijze voordeel met zijn beroep te doen; o.a. voorkomend in de Prov. Communia, 56: Alle man es een dief van synre neeringhe, quisque suo quaestu fur sicque tuo simul es tu. Bij Goedthals, 31: Elck is een dief in zijn ambacht, qui ne dérobe ne faict robe; Servilius, 236: elck is een dief in syn ambacht; Sartorius, III, 7, 97: elck is een dief tsynder neeringe, als vertaling van ad suum quemque quaestum aequum est esse callidum, dat we lezen bij Plautus Asin. 186. Zie verder R. Visscher, Brabb. 69: Elck is diefken sijnder hanteeringe; Idinau, 134:

 Te weten, oft waer is, dat men seght,
 Dat elck een dief is, in sijn ambacht;
 Want, so waerlijck doen sy een ieder recht
 Als eens lams sterckte gaet boven leeuwen kracht;
 Ten is 's wolfs aerdt niet, dat hy op den ram lacht.

Vgl. Baerdt, Deughden-Sp. 18: Dus weet, dat yeder een gewis een Boeffjen van sijn Nering is; Tuinman, I, 126; 366; II, 8; Halma, 110: Elk is een dief in zijne neering, chacun vole dans sa profession; Wander I, 589: Jeder ist ein Dieb in seinem Gewerbe (oder in seiner Nahrung oder in seinem Handwerk); nd. elk is 'n Dêf siner Nahrung (Eckart, 79); het ital.: ogn' uno ha'l suo impiccato all' uscio; de.: enhver er en Tyv i sin Naering (Bresemann, 222). Zie verder Bebel, 30: omnis homo nequam in proprio quaestu; Harrebomée I, 130 a; III, 159; De Cock1, 42; Waasch Idiot. 196 a: Elk is een duvel in zijnen stiel; Antw. Idiot. 1648: Iedereen is dief in zijnen stiel; fri.: hy is in dief yn syn eigen nearring.

2250. De tering naar de nering zetten,

d.w.z. zijne uitgaven regelen naar de inkomsten, ‘naar zijne beurs te markt gaan’ (C. Wildsch. I, 226), ‘zaaien naar den zak’ (Waasch Idiot. 753). In de middeleeuwen na der neren die tere setten; vgl. ook Mnl. fragm. 239, 163: Nae dattu goet hebts oft neeringhe, daernae soo sette altoos dijn teringhe; zie verder Lsp. III, 3, 141; Van Zeden, 397: Langhere dan dine cleedre strecken saltu dine lede niet recken; ooc saltu setten dine teere naer dijn winnen, naer dine neere; Goedthals, 54: Teere naer neere setten, elck wyse naer neeringhe teert: naer dat zyn landschap wyd is, fol est qui plus despend, que sa rente ne vaut; Kiliaen: Teere nae neere stellen, sumptum facere pro quaestu: sumptus lucro metiri; Campen, 27: ick wil myn teringe na myn neringe setten; Tijdschrift XXI, 204; Mergh, 35; Servilius, 194*: men moet setten zyn teeringhe nae zyne neringhe; Sart. I, 7. 52: set u teer na u neer; Spieghel, 291: zet u teer, na u neer; tering, na nering; Idinau, 253:

 Men raedt u, tere naer nere te stellen,
 Dat, nae t' ghewin, sulck zy de slete.
 Want, die het houdt gaende, sonder tellen,
 Hem staet te ver-wachten een bitter bete:
 Bijster-veldt geeft menighe een aefsche smete.

Zie verder Winschooten, 164; Brederoo I, 241; Tuinman I, 105; Harrebomée II, 120 a; III, 301 b; 302; Villiers, 126; oostfri. 't teren na 't neren setten; nederd. de tährje nach der nährje setten (Eckart, 579); Waasch Idiot. 645 a; Joos, 191: stelt uw tering naar uw nering; zet uwen teer naar uwen neer; De Bo, 1136: tere naar nere zetten; Antw. Idiot. 2083: stelt de tering naar de nering of uw nering krijgt de tering; de. man maa saette Taering efter Naering; fr. gouverner sa bouche selon sa bourse; hd. das Maul nach der Tasche richten; eng. to cut one's coat according to one's cloth; zie nog Wander III, 506.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut