Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nepotisme - (vriendjespolitiek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nepotisme zn. ‘vriendjespolitiek’
Vnnl. nepotisme ‘begunstiging van familieleden’ [1671; WNT]; nnl. nepotisme ‘begunstiging van familie, vooral met posities’ in het voordeelig ambt in de familie te houden ... hun nepotisme [1880; WNT voordeelig], enkel door nepotisme, als zoon van den vroegere minister, gouverneur geworden [1896; Archief Eemland], dan bij uitbreiding ook ‘begunstiging van vrienden’ in ... wars van alle nepotisme. Zijn vrienden scheen hij soms met opzet voorbij te gaan [1920; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans népotisme ‘begunstiging van familieleden door kerkvorsten’ [1653; TLF], dat zelf ontleend is aan Italiaans nepotismo [voor 1667; DELI], een afleiding met het achtervoegsel -ismo ‘verschijnsel’, zie → -isme, van nepote ‘neef’; nepote is een geleerde ontlening aan Latijn nepōs (genitief nepōtis) ‘neef (zoon van broer of zus), kleinzoon’, verwant met → neef. De term werd oorspronkelijk gebruikt voor de gunsten die pausen bewezen aan hun neven (ze hadden vaak geen kinderen) en later in het algemeen aan hun familieleden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nepotisme [begunstiging van familieleden met baantjes en goederen] {1659-1673} < frans népotisme < italiaans nepotismo, van nepote, nipote [neef] < latijn nepos (2e nv. nepotis) [kleinzoon, neef]. Het woord ontstond doordat pausen kerkelijke goederen overdroegen aan wat zij eufemistisch hun ‘neven’ noemden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nepotisme s.nw.
Onregmatige begunstiging van familie en vriende.
Uit Ndl. nepotisme (1659 - 1673).
Ndl. nepotisme uit Fr. népotisme, met lg. gevorm van Latyn nepos 'neef'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nepotisme (Frans népotisme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nepotisme ‘begunstiging van familieleden met baantjes en goederen’ -> Indonesisch népotisme ‘begunstiging van familieleden met baantjes en goederen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nepotisme begunstiging van familieleden met baantjes en goederen 1659-1673 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut