Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nep - (namaak, bedrog)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nep zn. ‘namaak, bedrog’
Nnl. eerst het ww. neppen ‘voor de gek houden, een loer draaien’ [1913; WNT Aanv. neppen II], ‘misleiden, bestelen, bedrieglijk handelen’ [1922; Moormann 2002, 654], dan ook het zn. nep ‘bedrog’ [1925; Moormann 2002, 654], ‘namaak’, ook in samenstellingen, bijv. in gebak met neproom ‘... met namaak-slagroom’ [1946; WNT turfmolm].
Nep is ontleend aan Duits Nepp ‘bedrog, namaak’, een afleiding van neppen (spreektaal) ‘bedriegen’ [19e eeuw; Kluge], dat zelf ontleend is aan Rotwelsch (het Duitse Bargoens) neppen, nappen ‘iemand oplichten, plukken’ [1755; Endt 1974], een variant van noppen ‘de wolnoppen uitkammen na het weven’. Een andere mogelijkheid is dat nep zelfstandig in het Nederlands is afgeleid van het eerder geattesteerde ww. neppen, dat ontleend is aan hetzelfde Duitse ww. neppen.
Zowel nep als neppen waren eerst Bargoens, maar zijn in het Nederlands in de loop van de tijd ook in de algemene omgangstaal gebruikelijk geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nep [barg.: bedrog] {1927} < hoogduits Nepp vgl. rotwelsch nappen [iem. oplichten, plukken] (18e-eeuws); men heeft verband gezocht met hoogduits noppen [de wolknopen uit het weefsel plukken]; waarschijnlijker evenwel is verband met hebreeuws nāʼaph [onkuis zijn, bedriegen], temeer omdat rotwelsch Neppe ‘hoer’ betekent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

nep bn., bw., (scholierentaal 1981) niet goed (vaag woord dat de scholier gebruikt voor alles wat hem niet bevalt; i.h.b.: niet vlot, stijf). Die jongen is nep. - Etym.: AN (gemeenz.) nep = niet goed als gevolg van bedrog. - Syn. dale*, bef*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nep (Duits Nepp)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nep Bargoens: bedrog 1927 [MOO] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut