Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nek - (achterste deel van de hals)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nek zn. ‘achterste deel van de hals’
Mnl. nacke ‘nek’ [1240; Bern.], necke ‘id.’ in Alse hi sal om sceren mecken, ende hi bachten coemt ter necken ‘als hij zich aan het scheren zet en hij achter bij de nek aankomt’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. nack, neck ‘nek’ [1599; Kil.].
Mnd. necke; ofri. hnekka (nfri. nekke); oe. hnecca (ne. neck); alle ‘nek’, < pgm. *hnekkan-; daarnaast met umlaut ohd. genicke ‘nek’ (nhd. Genick) < pgm. *ga-hnek-ja-. Mnl. nacke gaat terug op pgm. *hnakkan- ‘nek’, dus met andere stamklinker, en waaruit verder: mnd. nacke, ohd. hnac, nac (nhd. Nacken); on. hnakkr, hnakki (nzw. nacke).
Misschien verwant met Oudiers cnocc ‘bult, heuvel’; < pie. *kneg-, *knog- (IEW 559). Men zou dan uit moeten gaan van de nek van dieren. Terugvoering op een algemene wortel pie. *ken- ‘samendrukken’ (IEW 558, NEW) is zeer hypothetisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nek* [achterste deel van hals] {nec(ke) 1350} middelnederduits necke, oudfries hnekka, oudengels hnecca, naast middelnederlands nac(ke) {1201-1250} oudhoogduits hnac, oudnoors hnakkr; buiten het germ. oudiers cnocc, welsh cnwch [heuvel]; verwant met nok. De uitdrukking iemand in de nek zien [hem bedotten] wil letterlijk zeggen ‘achter iemands rug iets doen, hem niet in de ogen kijken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nek znw. m., mnl. necke m. v., mnd. necke, ofri. hnekka, oe. hnecca m. (ne. neck) uit germ. *hnekka (vgl. nog mhd. genicke, genic o., nhd. genick, eig. collectief-formatie met i < e voor volgende i, j). — Daarnaast staan germ. *hnakka- in mnl. nac, nacke m. v., mnd. nacke, ohd. hnac, nac (nhd. nacken), on. hnakkr, hnakki m. — Men kan deze woorden terugvoeren op een idg. wt. *kneg (waartoe behoren nijsl. hnakki ‘anker’, me. nok, ne. nook ‘hoek’, nnoorw. nøkia ‘krommen, buigen’), een afl. van de wt. *ken ‘samendrukken; iets dat samengedrukt is’ (IEW 558); daarvan is ook een afl. *kneug waarvoor zie: nok.

De nek is dus eig. ‘iets samengebalds op de rug’ en zal dus oorspr. de nek van dieren hebben aangeduid. In dit opzicht kan men nek en nok naast elkaar plaatsen. De vergelijking, die G. A. Nauta Ts 55, 1936, 95 met mlat. nucha, fra. nuque ‘nek’ maakt, is echter onjuist, daar deze woorden uit arab. nuḳra ‘nekkuiltje, achterhoofdsgat’ stammen (Lokotsch Nr. 1579). — De idg. wt. *ken is in het germ. rijk vertegenwoordigd; er zijn de volgende afl.:
kneg zie: nek
knes zie: nes 2, nol en noes
knei waarvan kneib zie: nijpen
kneigh zie: nijgen
kneu waarvan kneud zie: noot
kneug zie: nok

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nek znw., mnl. necke m. v. = mnd. nëcke, ofri. hnëkka, ags. hnëcca m. (eng. neck) “nek”; met i < e vóór i, j mhd. genicke, genic o. (nhd. genick) “nek”. Met ablaut mnl. nac (ck), nacke m. v. (nog dial., bijv. Maastrichtsch en verouderend Zaansch), ohd. (h)nac (cch; nhd. nacken), mnd. nacke, on. hnakkr, hnakki m. “nek”. In verschillende talen ook in de bet. “achterhoofd”. De ospr. bet. van den wortel kan “uitsteken” of “buigen” geweest zijn: in beide gevallen is identiteit van *χnakka- met ier. cnocc, nier. cnoc “heuvel” (*knoknó-; q, ?) mogelijk. Voor de bet. vgl. noorw. nakk, o.a. = “bergtop” en du. rotsnamen als Hinternack, Rabennack. Met ablaut misschien nog noorw. nøkja “buigen, krommen”, eng. nook “hoek”. Ook hierbij on. hnekkja “terug doen gaan, verhinderen, afwijzen, terugwijken”? Dat ook gr. knṓssō “ik sluimer” (< “buig ’t hoofd”?) verwant zijn zou, is een al te vaag vermoeden. De combinatie van germ. *χnekkan-, *χnakka(n)- met wvla. hunke “homp” (zie honk), mnd. hunke-bên “ham waarvan het vleesch bijna geheel is weggesneden” is niet wel aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nek. Over germ. *χnakka- < idg. *knoknó- zie bij bakken Suppl. 1e alin. Ook tegenover de hier als elders in kelt. woorden aangenomen geminaat uit occlusief + n past reserve: Thurneysen IF. 44, 371; WP. I, IV vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nek m., Mnl necke + (met umlaut) Hgd. genick, Ags. hnecca (Eng. neck), Ofri. hnekka; verder met ablaut Ohd. hnac (Mhd. nacke, Nhd. nacken), On. hnakki (Zw. nacke, De. nakke): verwant met nok 1 (z.d.w.). — Een harden nek hebben, naar o.a. Exod. XXXII.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nek s.nw.
1. Deel van die liggaam waarop die kop rus. 2. Lang en smal gedeelte onder die bek van 'n bottel. 3. Nou deurgang tussen twee berge of bulte.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. nek (al Mnl.). Bet. 3 het wsk. in Afr. self ontwikkel. Silva (1996) noem ook die moontlikheid dat dit 'n vertaling van die Fr. Hugenote se col kan wees.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1834).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

nek (de, -ken), (ook:) 1. hals. - 2. keel. Wat is er met Leonietje? - Ze heeft een krobia*-been* in d’r nek, me zus (Helman 1954a: 10). - Etym.: Vgl. E neck = hals. Sneki heeft alle bet. van SN n. - Zie ook: pirneki*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nek (zijn -- uitsteken) (vert. van Engels to stick one’s neck out)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

nek. Vooral in Vlaanderen komt als verwensing dikke nek! voor. De basis ervan is krijg een dikke nek! De emotionele betekenis duidt op minachting en kan weergegeven worden als ‘je kunt me wat’. Voor de verwensing breek je nekbreken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nek ‘achterste deel van hals’ -> Frans dialect nèque ‘achterste deel van hals’; Zuid-Afrikaans-Engels nek ‘bergpas’ ; Negerhollands nek ‘achterste deel van hals’; Papiaments nèk (ouder: nek) ‘achterste deel van hals’; Sranantongo neki ‘achterste deel van hals’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans neki ‘achterste deel van hals’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nek* achterste deel van hals 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

782. Zich iets op den hals halen,

d.w.z. zich zelven een last bezorgen, dien men moet torsen, een ongeval veroorzaken, zich iets berokkenen; in de 17de eeuw ook zich iets over den hals halen. Men moet hals hier opvatten in den zin van nek (zie Hooft's Brieven, 76). Weet men te maken, dat een ander dien last moet dragen, dat werk moet verrichten, dan schuift men hem dien last op den hals (vgl. Vondel's Gijsbr. v. Aemst. vs. 1624 en het 17de-eeuwsche iemand iets over den hals senden naast iemand iets of iemand op de hakken zenden); fr. mettre qqch. sur le dos de qqn., se décharger sur lui de la responsabilité; hd. sich etwas auf den Hals laden; einem etwas aufhalsen. Zie verder Lat. Versch. 259; Ndl. Wdb. V, 1540 en 1665-1666; vgl. no. 396 en Rutten, 152 a: Iemand in den nek krijgen, hem tot last hebben aangerand worden; iem. op den nek hebben, iemand moeten onderhouden; fri. him whet op 'e hals helje.In het fr. zegt men: avoir, se mettre qqch. sur les bras.

1607. Iemand den nek toekeeren,

d.w.z. zich met verachting van iemand verwijderen, zich van hem afwenden; iemand geen blik verwaardigen, hem den rug toedraaien, vooral van de fortuin gezegd; hetzelfde als Iemand met den nek aanzien. Vgl. De Brune, Bank. I, 215; Vondel, Jos. in Egypte, 343; Hooft, Ged. I, 288:

 De schutsheer zelf Sint Jan, by wien de Bosliên sweeren,
 Der Spaensche wreedtheit wersch, gaet haer de nek toekeeren.

Vondel, Maeghden, vs. 162:

Een Maeghd ontvonckt het al,
 Ontfangt het al, en keert den nek geen' laegh geboren.

Zie verder Maeghden, vs. 731: den nek bieden, dat ook in de Middeleeuwen voorkomt (Exc. Cron. 9.9 d) en met den nek bejegenen bij Hooft, Ged. II 365; Ansloo, Poezy, 431; Halma, 378: Iemand den nek keeren, tourner le dos à qqn; Sewel, 510: Iemand den nek toekeeren, to turn one's back to one; Harreb. II, 119; Ndl. Wdb. IX, 1817.

1608. Iemand met den nek aanzien.

Hetzelfde als: iemand den nek, den rug toekeeren (Ndl. Wdb. VII, 1982), iem. geen blik waardig keuren, met verachting bejegenen; over schouder aanzien (Winschooten, 253; De Brune, Bank. II, 226; fri. op 'e side oansjen, skouderje). Zie Campen, 109 en 119: Hy siet hem mit den necken aen; R. Visscher, Sinnepoppen, LII: Als zyse arm gemaeckt en uytgesopen hebben, soo keeren sy hun de eers toe en siense met de neck aen; Vondel, Adonias, vs. 817; Six v. Chandelier, Poesy, 547: Gelyk een boom, om zulken heimelyk gebrek, niet aangesien werd, met den nek; Brederoo, Moortje, vs. 604: Myn Maechschap schuwtmen, en aensien my met de neck; Hooft, Baeto, vs. 2: Bejegent met de neck; Antonides, Ged. II, 201; Van Effen, Spect. X, 171; Br. v. Abr. Bl. I, 57; Tuinman I, 327; Sewel, 519: Iemand met de nek aanzien, to disdain looking at one; Halma, 378; Harreb. II, 119; Ndl. Wdb. IX, 1817; Ppl. 165; Sjof. 221; B.B. 281. Bij de Brune, Bank. I, 273 in denzelfden zin iemand met de neckeput aanzien.

1609. Iemand in den nek zien,

d.w.z. iemand bedriegen, veelal bij een verkoop; eig. iets achter iemands rug doen, hem bij eene handelwijze niet in het gezicht zien. Zie Harreb. II, 119 b; Couperus, E. Vere I, 152; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 1 k 2: Dan had hij (de Minister) daarmede de partijen van de rechterzijde leelijk in den nek gezien; Afrik. iemand in die nek kyk. Volgens Schuermans, 405 a en Antw. Idiot. 851 is de zegswijze ook in Zuid-Nederland bekend waar, evenals bij ons in dialect, gezegd wordt: iemand in den nek schoppen (schuppen, schippen of stampen), met iemand spotten, hem bedriegen; zich in den nek laten schoppen, ‘zich laten hoonen door die men goed gedaan heeft’. Zie Joos, 71; 82; De Bo, 735 b; Schuermans, Bijv. 294 b; V. Schothorst, 177; Molema, 278 b en vgl. het Friesch: hy het my yn'e nekke skopt, hij heeft mij duur laten betalen.

2447. Iemand den voet op den nek zetten,

d.i. ‘iemand met de grootste minachting bejegenen’ (Harreb. II, 119 b); ‘hem geweldig drukken, en knellen’ (Weiland); iemand geheel en al in zijne macht hebben en hem dat op vernederende wijze doen gevoelen (Laurillard, 35); eene uitdrukking die herinnert aan de vroegere gewoonte, om den overwonnene den voet op den nek te zetten, of hem, bij het te paard stijgen of aan tafel zitten als voetbank te gebruiken. Vgl. Jozua X, 22-24: Ende hy seyde tot de overste des krijchsvolcx, die met hem getogen waren: Treedt toe, sett uwe voeten op de halsen deser Coningen: ende sy traden toe, ende setten hare voeten op hare halsen; I Kon. V, 3; Ps. CX, 1. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 55: De wieken der hooghe maghten te fnuiken, ende der wereldlyke Ooverheit den voet op den nek te zetten; Ged. II, 240, vs. 611: O Rome, die met de necken trots des aertrijcks opgheheven uw voeten hebt gheschraecht; Ned. Hist. 154: Iemand de hiel op 't hoofd zetten; J.v.d. Sande, Wakende Leeuw, bl. 27: En liet hem duncken dat hy nu de Geusen de voet op haer keel en de victorie in zijn hant had; Tuinman I, 36; Harreb. II, 119 b; Het Volk, 2 Jan. 1914, p. 7 k. 3: Niemand late zich tot het onedel bedrijf verleiden om dien patroon in staat te stellen zijn gezellen den voet op den nek te zetten; Ndl. Wdb. IX, 1816; De Cock1, 36; afrik. iem. die voet op die nek hou; fr. tenir le pied sur la gorge à qqn (vgl. Vondel, Jos. in Dothan, vs. 256: Hy arbeit elck den voet te zetten op den strot); hd. einem den Fusz auf den Nacken (oder die Brust) setzen; eng. to put one's foot on a person's neck.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut