Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

negentig - (telwoord)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

negentig* [negen keer tien] {(t)negentich 1201-1250} middelnederduits negentich, oudhoogduits niunzug, oudengels hundnigontig, oudwestfries tniogentich; de t- in de anlaut schijnt een restant te zijn van hund, dat eigenlijk ‘tiental’ betekent (vgl. honderd), dus ‘tiental van negen’, terwijl -tig eveneens ‘tiental’ betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

negentig telw., mnl. nēghentich, mnd. nēgentich, ohd. niunzug (nhd. neunzig), owfri. niontich, nogentich, ne. ninety. — De anlaut was oorspr. anders, vgl. mnl. tneghentich, owfri. tniogentich, os. *antnigunta (naar antsiƀunta ‘70’), oe. hundnigontig. Indien men uitgaat van de vorm met hund-, dan kan men dit 1ste lid opvatten als het woord hund > idg. *(d)ḱṃtom ‘decade’ (zie daarvoor: honderd) en dan kan men vergelijken got. niuntēhund, tenminste wanneer men dit woord opvat als niuntē-hund ‘decade van negentallen’. Voor de uitgang zie: -tig. — Een andere formatie vertonen os. nichonte, vgl. ook ohd. sibunzo ‘70’, ahtozo ‘80’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

negentig telw., mnl. nēghentich. = ohd. niunzug (nhd. neunzig), mnd. nēgentich, owfri. niôntich, nogentich, eng. ninety “90”. Zoowel de anlaut als de auslaut zijn vervormd blijkens: I. mnl. tnēghentich, owfri. tniôgentich, os. *antnigunta (vgl. antsiƀunta “70”), ags. hundnigontig, II. os. nichonte, ohd. *niunzo (te verwachten naar sibunzo “70”, ahtozo “80”). Zie -tig. Ags. hund-, os. ant-, mnl., ofri. t- (vgl. tachtig) moet = germ. *χunða- (zie honderd) zijn. Ohd. *hunt-niunzo enz. zal dan wel evenals got. niuntehund “90” zijn op te vatten als “tiental van negentallen”. ’t On. heeft nîu tigir “90”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dertig bijv., Mnl. dertich, Os. thrîtig + Ohd. drîzug (Nhd. dreiszig), Ags. đrítig (Eng. thirty), Ofri. thrítich, On. þrjátigi (Zw. trettio, De. tredive), Go. þreis tigjus: uit drie en tig; z. verder dertien.

tachtig telw., Mnl. tachtig, Os. *ant-ahto-tig + Ags. hund-eahta-tig: die vormen zijn samensmelt. van Os. ant-ahtoda en ahto-tig, Ags. hund-eah-tode en eahta-tig, alle = 80. Ant en hund zijn met hond- (in honderd) verwante praef. Zij bet. tiental en komen alleen voor in ʼt Os. en Ags. bij 70, 80 en 90; die drie getallen werden dan gevormd met ant, hund en het rangtelw., bijv. ant-ahtoda = decas octava (achtste tiental). Daarnevens bestonden ook de gewone vormen: siƀuntig, enz. (het hoofdtelw. met suffix -tig). De vormen met praefíx en die met suffix werden ook wel samengesmolten, als blijkt uit Ags. hundeahtatig = 80, hundniguntig = 90, zoodat men Os. *antsiƀuntig, *antahtotig, *antniguntig mag vermoeden, waaraan tzeventig (dial. Ndl.), tachtig (Ndl., Fri., Ndd.), tnegentig (dial. Ndl., Fri.) rechtstreeks beantwoorden. De t in die drie telw. is dus de vertegenwoordiger van Os. ant of liever van het nasaallooze at, dat eens voorkomt in at-siƀunda = 70 (nevens antsiƀunda).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tnegentig negentig (Ten noordwesten. van de lijn Winterswijk-Oisterwijk-Herne). = mnl. tneghentich ‘id.’., ofri. tniogentich ‘id.’ Vgl. oeng. hundnigontich ‘id.’, got. niuntēhund ‘id.’. Mogelijk is de begin -t een rest van *hund, dat ‘tiental’ kan hebben betekend. De uitgang -tig, in grammatische wisseling met tien, = enkv. van got. tigjus ‘tientallen’.
MNCDN II 15-16 (andere, minder wschl., etymologie).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ne’gentig graden, (voetbalterm) in een uiterste bovenhoek (gezegd bij een raak schot op het doel). - Etym.: Een bovenhoek van het doel (de ’kruising’) heeft een hoek van negentig graden. - Syn. winkelhaak*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

negentig ‘telwoord’ -> Negerhollands negentig, neegentig ‘telwoord’; Sranantongo negentig ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

negentig* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal