Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

negen - (9)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

negen telw. ‘9’
Onl. in neune ‘negen’ [8e eeuw; LS], mid nigun. nessiklinon ‘met negen wormpjes’ [891-900; CG II-1, 39]; mnl. negene [1240; Bern.], neghen.
Os. nigun, nigon (mnd. negen(e)); ohd. niun, nūn, nuin (nhd. neun); ofri. niugun, niugen, niogen (nfri. njoggen); oe. nigun, nigon, nigen (ne. nine); on. níu (nzw. nio); got. niun, Krimgotisch nyne; < pgm. *newun ‘negen’. In het Nederlands en Nederduits met -w- > -g- als in → jeugd.
Verwant met: Latijn novem; Grieks ennéa; Sanskrit náva; Avestisch nauua; Litouws devynì; Oudkerkslavisch devętĭ (Russisch dévjat'); Oudiers noí, Welsh naw; Armeens inn; Tochaars A/B ñu; alle ‘negen’, < pie. *h1n(é)un- (IEW 318).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

negen* [hoofdtelwoord] {1201-1250} oudsaksisch nigun, oudfries ni(u)gun, oudhoogduits, gotisch niun, oudengels nigun, oudnoors níu; buiten het germ. latijn novem, grieks ennea, albaans nëndë, oudiers noí, welsh naw, oudindisch nava.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

negen telw., mnl. nēghen, os. nigun, ohd. niun (nhd. neun), of ri. nigun, niŭgun, oe. nigon (ne. nine), on. nīu, got. niun. — Germ, grondvorm is *newun < idg. *neu̯ṇ, vgl. oi. náva, lat. novem, oiers nōi n-, toch. AB ñu. In lit. devynì, lett. devińi, osl. devętĭ is de d deels door dissimilatie te verklaren, deels ook door invloed van het telw. 10 (opr. newints ‘negende’ heeft de n nog bewaard). — Van een langere stam *e-neu̯en komen hom. einá-etes (< *enu̯a-), ennē̃mar (< *enu̯ēmar), vgl. IEW 318-9).

De westgerm. vormen met g zijn te verklaren door overgang van w > g, evenals in brug, mug, jeugd. Opmerkelijk is de overeenstemming van de idg. grondvorm *neun met *neu̯o- ‘nieuw’. Inderdaad kan de naam voor 9 opgevat worden als een aanduiding van een nieuw aanvangende reeks. Na de grondrij der getallen 1-4 volgde die van 5-8 afgesloten met de dualisvorm *oktōu̯; de sprong naar een nieuwe reeks, die dus steeds weer gecontinueerd zou kunnen worden, duidt het woord *neu̯n aan, waarin dus het begrip van ‘vernieuwing’, maar ook van ‘periodiciteit’ ligt (vgl. daarvoor L. Gerschel, Annales 1962, 711).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

negen telw., mnl. nēghen. = ohd. niun (nhd. neun), os. nigun, ofri. nigun, niū̆gun, ags. nigon (eng. nine), on. nîu, got. niun “negen”, germ. *newun, idg.*newṇ. Voor de ʒ vgl. jeugd; de ʒ wordt echter ook door analogie verklaard: in ’t ordinale zou hij ’t eerst zijn opgekomen naar os. tëgotho, ofri. tëgotha, ags. teogeða “tiende”. Uit idg. *newṇ ook ier. noi, kymr. naw, lat. novem, alb. nenδɛ (*nevn-tɛ), oi. náva “negen”. Uit idg. *enwṇ gr. énwa (in ion. eínatos “negende” e.dgl.; gr. ennéa “negen” is nog niet afdoende verklaard) en arm. inn “negen”. In het Balt. vertoont opr. newints “negende” nog den oorspr. anlaut; lit. devynì, obg. devętĭ “negen” hebben d naar dẽszimtis resp. desętĭ “tien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

negen. Bij ier. noi, lat. novem enz. sluit zich aan toch. A.B. ñû.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

negen telwoord, Mnl. neghen(e), Os. nigun + Ohd. niun (Mhd. id., Nhd. neun), Ags. nigon (Eng. nine), Ofri. nigun, On. níu (Zw. nio, De. ni), Go. niun + Skr. nava, Gr. en-nea, Lat. novem, Oier. noi, Osl. devętĭ, Lit. devyni (in beide d voor n, naar tien): Idg. *ne-ṷ- n̥, Ug. *newun: de Ndl., Os., Ags. en Ofri. vormen met g uit w; in de andere Germ. vormen is w vóór u weggevallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nege (telw.) negen; Aajdnederlands neune <700-800>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

negen ‘telwoord’ -> Negerhollands negen, negon, neegen ‘telwoord’; Berbice-Nederlands negn ‘telwoord’; Skepi-Nederlands negen ‘telwoord’; Sranantongo neigi (ouder: neigien), negen ‘telwoord’; Aucaans neigin ‘telwoord’; Saramakkaans neígi, neni ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

negen* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal