Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neg - (zelfkant)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neg*, negge [zelfkant] {1846} van middelnederlands egge [scherpe kant] {1277} (vgl. eg1) met een oneigenlijke n die stamt van het voorgevoegd lidw. een.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neg znw. v. ‘zelfkant’ is ontstaan uit ǝn eg, waarvoor zie: egge 2. — Een gelijke voorvoeging van n in naars en misschien neer 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

neg znw. (in de alg. taal vooral “zelfkant”). = eg II, egge II. De n uit verbindingen als ǝn eg: vgl. aars: naars.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

negge 1 v. (scherpe kant), is egge 2 met prothet. n uit lidw. een.

negge 1 v. (scherpe kant), is egge 2 met prothet. n uit lidw. een.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Neg(ge), ook nek, eg, egge, mnd. egge, ohd. ecka, hgd. Ecke, ags. ecg. ono. egg = punt, scherpe kant, zwaard, hoek; eng. edge ook = zelfkant. Nu = de zelfkant van geweven goed, oorspr. scherpe kant, rand, ook hoek. Dialect. ook zelfeg. De n moet verklaard worden als ontstaan door verbogen lidw. of b.nw. vóór den klinker, zooals (n)aars, (n)oem enz. De stam is verwant met lat. acer (scherp) en grie. akoon (werpspies) en met den stam van het ww. eggen; verg. Eg(ge).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut