Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

neef - (zoon van broer of zus; zoon van oom of tante)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

neef zn. ‘zoon van broer of zus; zoon van oom of tante’
Onl. in de verkleinvormen, als toenaam van Thidericvs Neueke ‘Diederik Neefke’ [1199; ONW] en alardi nevekin ‘Alard Neefkijn’ [1183-1205; ONW]; mnl. neue ‘neef, mannelijke bloedverwant’ [1240; Bern.], neve [1275; VMNW], neef ‘mannelijke bloedverwant’ [1458; MNW-P].
Os. neƀo (mnd. neve); ohd. nevo, nefo (nhd. Neffe); ofri. neva (maar nfri. neef is ontleend aan het nnl.); oe. nefa (me. neve); on. nefi; < pgm. *nebōn- ‘mannelijke bloedverwant’.
Verwant met: Latijn nepōs (genitief nepōtis) ‘kleinzoon, nakomeling’ (Roemeens nepot, Frans neveu, vanwaar Engels nephew); Grieks anepsiós ‘zoon van oom of tante’, népodes ‘nakomelingen’; Sanskrit nápāt; Avestisch napāt- ‘kleinzoon, nakomeling’; Litouws nepuotis ‘zoon van oom of tante’; Oudiers nia, Welsh nei; Albanees nip; < pie. *nép-ōt (IEW 764). De Griekse a- lijkt te wijzen op een laryngaal, dus pie. *h2nep-, maar gaat wrsch. terug op een koppelingsvoorvoegsel *sm-, de nultrap van pie. *sem- ‘één, bijeen, samen’, waarvoor zie → samen.
Oorspr. was de betekenis van dit woord niet zeer specifiek; in alle talen konden er verschillende mannelijke bloedverwanten mee worden aangeduid, zoals ‘kleinzoon’ en ‘zoon van broer of zus’ en ‘zoon van oom of tante’. In het Nederlands is de eerstgenoemde betekenis verouderd en zijn met name de twee laatstgenoemde betekenissen overgebleven; voor verdere mannelijke bloedverwanten, bijv. ‘zoon van een nicht, zoon van oudoom’, gebruikt men de afleiding achterneef, die zelf soms ook weer verkort wordt tot neef(je). In het Duits, de enige andere moderne Germaanse taal waarin het woord tot op heden bewaard is, heeft Neffe alleen de betekenis ‘zoon van broer of zus’, net als vaak in het BN, waar voor ‘zoon van oom of tante’ → kozijn 2 gebruikt wordt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

neef* [zoon van broer, zus, oom of tante] {neve, neef [kleinzoon, neef] 1201-1250} oudsaksisch neƀo, oudhoogduits nevo, oudfries neva, oudengels nefa, oudnoors nefi [neef, ook bloedverwant]; buiten het germ. latijn nepos [kleinzoon, neef], grieks nepodes [afstammelingen], welsh nei [zoon van zuster], oudindisch napāt- [zoon, kleinzoon, afstammeling].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neef znw. m., mnl. nēve m. ‘kleinzoon, neef’, os. neƀo, ohd. nevo, nefo m. ‘kleinzoon, neef, verwant’, ofri. neva, oe. nefa, ‘kleinzoon, neef’, on. nefi ‘neef, bloedverwant’. — De n-stam is eerst ontstaan, nadat de dentaal van germ. *nefōd: *nefēd was weggevallen. Idg. grondvorm *nepōt ‘kleinzoon, neef’, vgl. oi. nápāt ‘kleinzoon, nakomeling’, hom. népodes ‘afstammelingen’, alb. nip ‘kleinzoon, neef’, lat. nepos ‘kleinkind’, later ook ‘neef’, olit. nepotis ‘kleinzoon’, miers nīa (gen. nīath) ‘zusterzoon’ (IEW 764). — Zie ook: nicht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

neef znw., mnl. nēve m. “kleinzoon, neef”. = ohd. nëvo, nëfo m. “kleinzoon, neef, verwant”, os. nëƀo, ofri. nëva, ags. nëfa m. (eng. nephew > fr. neveu) “kleinzoon, neef”, on. nëfi m. “neveu, bloedverwant”. De n-stam is secundair, de idg. stam was *nepō̆t- blijkens ier. niæ, gen. nieth, niad “zusterszoon”, lat. nepôs, -ôtis “kleinzoon”, oudlit. nepotis, nepatis, nepůtis “kleinzoon, neveu”, oi. nápât-, náptar- “kleinzoon, afstammeling”. Verder nog gr. anepsiós, ksl. netĭjĭ “neveu”, alb. mbesɛ “nièce”. Vgl. nicht. Over got. niþjis zie vreemd. Voor het weifelen der bet. vgl. bruid, oom, zwager, moei.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

neef. Tot de buiten-germ. verwanten voortzettingen van idg. *nepō̆t-, behoort wsch. ook alb. nip ‘kleinzoon, neveu’: Jokl Lingu.-kulturhist. Stud. 17 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

neef m., Mnl. neve, Os. neƀo + Ohd. nevo (Mhd. neve, Nhd. neffe), Ags. nefa, On. nefi, Go. niþjis (d.i. *nif-thjís) + Skr. napât, Gr. népodes, Lat. nepos (van welks accus. Fr. neveu), Oier. nia, Osl netĭjĭ (z. nicht). Eng. nephew komt uit Fr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

neef s.nw.
1. (verouderend) (ook as aanspreekvorm) Man wat jonger of ongeveer dieselfde ouderdom as die spreker is, maar nie familie is nie. 2. Seun van 'n oom of tante, of van 'n broer of suster. 3. Man wat aan volkspele deelneem, as spanleier van 'n seunspan in die Voortrekkerbeweging optree, of wat aan 'n jukskeispan behoort.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. neef (al Mnl.). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880), by Mansvelt (1884) en by Kloeke (1950).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1838).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

neef (de, neven), 1. neef, d.w.z. zoon van oom of tante. - 2. mannelijk familielid van de tweede graad of verder, van dezelfde generatie: achterneef, verre neef. Er kwam een neef blijven*, verschafte het benodigde om de kinderen niet van honger te doen omkomen, maar eiste daarvoor in ruil Wiesje als vrouw (Dobru 1968a: 30). - Etym.: Bet. 2 komt ook voor in AN, maar veel minder alg. dan in SN. Het bet. in SN dus niet: zoon van broer of zuster. Daarvoor gebr. men broerskind* en zusterskind*. Er is volledige analogie met nicht*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Neef snw. As gemeensame aanspreekvorm tussen gelyke word neef vandag wel as tiepies Afrikaans beskou. Die gebruik is egter reeds vroeg Ndl. (Mnl. Wdb. IV, 2370; Ndl, Wdb. IX, 1782) en kom dialekties in Nederland nog voor, so Van de Water 110: “Nèf. In den vocativus gemeenzaam gebruikt om iemand aan te spreken. Amice, vriendje.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

neef ‘zoon van broer, zus, oom of tante’ -> Fries neef ‘zoon van broer, zus, oom of tante’; Zuid-Afrikaans-Engels neef ‘zoon van broer, zus, oom of tante; aanspreektitel’ ; Chinees-Maleis nèf, nèp ‘zoon van broer, zus, oom of tante’; Creools-Portugees (Ceylon) neif ‘zoon van broer, zus, oom of tante’; Papiaments † neefie ‘zoon van broer of zus’; Sranantongo neifo ‘zoon van broer, zus, oom of tante’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

neef* zoon van broer, zus, oom of tante 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut