Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nee - (uitdrukking van ontkenning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nee(n) tw. ‘uitdrukking van ontkenning’
Mnl. mer hine seide nien noch ia ‘maar hij zei nee noch ja’ [1220-40; VMNW], neen ‘nee’ [1240; Bern.], nee ghi trouwen ‘nee, dat zul je zeker niet’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. Nee Maetjen ... niemant hoeft my te helpen [1644; iWNT welp]; nnl. Nu moeten de kindertjes naar bed! - He nee! [1839; iWNT he].
Ontstaan uit een samentrekking van Proto-Germaans *ne ainan ‘niet een, niets’, uit het ontkenningspartikel *ne ‘niet’ en het telwoord → een. Oorspr. heeft het woord dus een voornaamwoordelijke betekenis. In het continentaal-West-Germaans heeft het zich tot tussenwerpsel ontwikkeld. Het ontkenningspartikel is nog te herkennen in → tenzij en in de anlaut van woorden als → nergens, → niemand, → niet, → nooit, en was in het Oud- en Middelnederlands in de vorm ne, en of n nog zeer gewoon, vaak in enclitische positie en meestal in combinatie met een ander ontkenningbijwoord, bijv. geen, niet. Oudste attestaties: onl. nichalesinus ‘niet-totstandbrengend?’ [8e eeuw; LS] (vergelijk mnl. gheleesten ‘tot stand brengen’), nedredes thuneuuet ‘vrees jij niets?’ [891-900; ONW drādan]. In het West-Vlaams is deze tweeledige ontkenning, bijv. in ik en ga niet mee, nog springlevend.
Met dezelfde ontwikkeling tot tussenwerpsel: os. nēn (mnd. nēn, nein); ohd. nein, nain (nhd. nein); ofri. nē(n) (nfri. nee). Daarnaast als voornaamwoord ‘niet een’: ofri. nān, nēn; oe. nān (ne. none); on. neinn; < pgm. *ne ainan.
Uit pgm. *ne: os. ni, ne (mnd. ne); ohd. ni, ne (mhd. ne, ni, en, in); ofri. ni, ne, en; oe. ni, ne (ne. no is samengetrokken uit ne ā ‘ooit niet’); on. ne; got. ni(-h); < pgm. *ne.
Op een vergelijkbare manier is gevormd Latijn nōn ‘niet’ < Vroeglatijn noenum < *ne oinom ‘niet een’. Het ontkenningspartikel pgm. *ne is verwant met: Latijn ne-que ‘en niet’; Sanskrit ; Oudkerkslavisch ne ‘niet’; Hittitisch na(tta) ‘niet’; < pie. *ne(-) (IEW 756-758). Daarnaast uit pie. *ne-i: Latijn ‘niet’; Avestisch naē-; Litouws neĩ; Oudkerkslavisch ni-(kŭto) ‘geen’; Oudiers ‘niet’. Uit de nultrap *n- ontstond het voorvoegsel → on-.
De oorspr. vorm is neen. In de spreektaal is de eind-n afgevallen en ontstond nee. Deze vorm komt in het geschreven Middel- en Vroegnieuwnederlands nog slechts zeer sporadisch voor. Pas vanaf de tweede helft van de 19e eeuw neemt de frequentie van nee geleidelijk toe. Tegenwoordig is het de verreweg frequentste vorm in gesproken taal, en in het NN ook in geschreven taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nee* [ontkenning] {1350} vermoedelijk < neen.

neen* [ontkenning] {nen [niet] 1237} in oostmiddelnederlands geen, oudsaksisch nēn, oudhoogduits nein, vgl. oudengels nān, oudnoors neinn [geen], is ontstaan uit niet een; het eerste lid middelnederlands ne; in alle oudgerm. talen ni, ne; buiten het germ. latijn, grieks, oudkerkslavisch ne, litouws ne, oudindisch na [niet] → nee.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

neen bijw. mnl. neen, nein, os. nēn, ohd. nein is eigenlijk germ. *ne ainan ‘niet een, niets’, vgl. on. neinn, oe. nān (ne. none) ‘geen’. — lat. nōn, oudlat. noenum ‘niet’ < *ne oinom. — Het 1ste lid *ne is te vergelijken met mnl. ne, en, onfrank. os. ohd. ofri. ni, ne, on. oe. ne, got. ni. — lat. ne- (in nescio ‘ik weet niet’), osk. ne ‘non, ne’, gr. ne- (verlengd tot ), oiers ne- in nech ‘iemand’, osl. ne, lit. , oi. na ‘niet’. — De lange vormen mnd. , ofri. , , oe. , on. nei worden wel verklaard uit de samenstelling *ne-aiw (zie voor het 2de lid: eeuw), anderen echter denken aan een grondvorm *na-i.

Wat het gewone nee in de beschaafde spreektaal betreft, wil men niet teruggaan op de hierboven genoemde vormen ofr. , on. nei, dan moet men wel een verkorting van neen aannemen, die in een zo vaak gebruikt woord nauwelijks verklaring behoeft; vooral in gevallen van een aarzelend of onwillig gesproken neen was een slappere uitspraak te verwachten. Of men bovendien invloed van ja mag aannemen, is hoogst onzeker; geheel onwaarschijnlijk is de verklaring uit verbindingen als mnl. neewi, neeghi (W. de Vries Woordv. 23).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] neen. 9. regel van onder lees: ne-, 7. regel: .

nee, neen bijw., mnl. neen (nein). = ohd. (nhd.) nein, os. nên “neen”. Uit germ. *ne ainan “niet een (ding), niets”; o. bij on. neinn, ags. nân (eng. none) “geen”. Voor den stam *aina- zie een en met den heelen vorm vgl. lat. nôn, oudlat. noenum “niet” < *n(e) oinom. Het eerste lid, dat ook in noch, niemand, niet II enz..voorkomt, = got. ni, on., ags. ne, ofri., os., ohd., onfr. ni, ne, mnl. ne, en “niet”, ier. ne- in nech “aliquis”, lat. ne- in nescio “ik weet niet” e.a. woorden, osk. ne “non, ne”, gr. *nn- (uit *ne-, gecontraheerd met volgende vocaal, ontwikkelde zich het prefix ēe-), obg. ne, lit. , oi. “niet”. Met ablaut got. ne “neen”, ier. “niet”, lat. “niet, dat niet”, oi. “niet”, met schwundstufe on-. Oofri. , owfri. , ags. (eng. no), on. nei “neen” veronderstellen een germ. *nai, ablautend met ohd., mnd., mnl., on. “neen”, got. nei “niet?”. Dezelfde i-verlenging, idg. *ne-ī̆, ook buiten ’t Germ. Een deel der vormen is ook voor andere opvattingen vatbaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

neen. In de beschaafde spreektaal en de meeste noordndl. diall. (ook fri., naast nei) is nee de gewone vorm (zo ook ndd. en in de noordduitse omgangstaal). Deze zal wel uit neen, dat in verbindingen als (wel)neenik en neent voortleeft, zijn ontstaan: hoe, dat is niet duidelijk. Min of meer wsch. gissingen hierover bij W.de Vries Woordv. 23 (invloed van het vocalisch eindigende ja of verbindingen als mnl. neewi, neeghi). Afwijkend klankverloop is trouwens bij een woord als dit niet verwonderlijk. Dial. heeft nee veelal ‘onklankwettig’ vocalisme (gron. nee, niet *naai): bij een zo veelvuldig gebruikt woord werd de beschaafde vorm gemakkelijk overgenomen. Hetzelfde, hoewel in mindere mate, is op te merken bij ja in diall. die ā en â onderscheiden.
Ofri. , ags. , on. nei worden veelal verklaard uit ne + het znw. ofri. â, ags. â, on. ey bij ieder besproken. Over on. nei anders (uit nē̆ + i) Aage Hansen APhSc. 10, 242 vlgg.
Drukfouten op p. 253 (r. 9 v.o. “gr. *nn-”, lees: “gr. *ne”; r. 7 v.o. “gr. ēe”, lees: “gr. nē- ”) verbeterd Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

en 2 bijw. (niet), Mnl. en, ne, Os. ni + Ohd. ni, ne (Mhd. ne, en), Ags. ne, Ofri. ne, On. ne, Go. ni + Skr. na, Perz. ne, Gr. , Lat. ne, Osk. ne, Osl. ni (Ru. ne), Lit. ne: z. voorts on-.

neen bijw., Mnl. id. Os. nên + Ohd. nein (Mhd. en Nhd. id.) + Lat. nôn, ouder nœnum: een samenst. met de ontkenningspartikel ni (z. en 2), die ook in nergens, niemand, niet, nimmer, noch, nooit en maar steekt, — en het onz. van het telw. een (Lat. unum). — Eng. no (Ags. ) is hetz. als Hgd. nie = nooit (z. nimmer).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nein (tw.) nee; Vreugmiddelnederlands nien <1220-1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nee: ontk.; Ndl. neen (Mnl. neen/nein, i. Ndl. sprt. en volkst. en i. N.-Duitsl. nee), Hd. nein, Eng. no (redukv. v. none uit no one, soos Ndl. uit ne- + neut. v. een), so ook Fr. ne, Lat. non (uit ouer ne + oinom = “nie-een”), oor verdwyning van slot-n nog meningsverskille; vgl. ook .

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Neen, staat voor ne een, waarin ne ontkennend bijw. is, vgl. nooit, nimmer, enz.; ook in: „ik en doe het niet”; ’t Fr. n-e.. .pas.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nee(n) ‘uitroep ter ontkenning’ -> Zuid-Afrikaans-Engels nee ‘uitroep ter ontkenning’ ; Negerhollands neen, nēn ‘uitroep ter ontkenning’; Berbice-Nederlands nene ‘ontkenning’; Sranantongo ènèn, ne ‘uitroep ter ontkenning’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † nen ‘uitroep ter ontkenning’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

ja. Het woord ja noemt men een tussenwerpsel: een woord dat op zichzelf een uitroepende zin vormt en daardoor buiten de grammaticale structuur van de zin staat. Iedere taal kent tussenwerpsels. Men maakt verschil tussen communicatieve tussenwerpels, dat zijn tussenwerpsels die een spreker en een hoorder veronderstellen, zoals ja, en emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, zoals ach of och.

Hoewel je zou denken dat iedere taal zijn eigen tussenwerpsels heeft, zijn ook deze woorden door het Nederlands uitgeleend aan andere talen. Dat zal onder andere komen door de grote frequentie van dergelijke woordjes in de spreektaal, waar ze vaak als stopwoordjes gebruikt worden, en door de behoefte aan variatie in het taalgebruik. Zo zijn bijvoorbeeld de communicatieve tussenwerpsels ja als uitroep ter bevestiging en nee als uitroep ter ontkenning uitgeleend. Het Indonesisch heeft 'ja' geleend als ya, bijvoorbeeld als antwoord op een vraag, ook in combinaties zoals ya, tentu saja 'ja natuurlijk'. Voor de verlengde vorm die in het Nederlands klinkt als jaaaaah, gebruikt het Indonesisch yah. Het Indonesisch heeft tevens de Nederlandse verbinding ja goed geleend: yahud betekent 'heel goed, fantastisch!' Behalve het Nederlandse leenwoord ya kent het Indonesisch ook eigen, erop lijkende woorden voor 'ja', namelijk de nadrukkelijke vormen iya, ia. Het feit dat deze woorden zo op de Nederlandse vorm lijken, zal de inburgering van het Nederlandse woord vergemakkelijkt hebben.

Voor 'nee' gebruikt het Indonesisch een eigen woord, namelijk tidak. Daarentegen heeft het Sranantongo het Nederlandse nee(n) geleend in de vorm ènèn. Voor 'ja' gebruikt men in het Sranantongo ai (teruggaand op het Engelse aye). Ook het Nederlandse ja is geleend als ya, dat echter meer de betekenis heeft van 'inderdaad', vergelijk ya no? 'echt waar?, o ja?' en ya baya 'ja hoor'. In het Papiaments tot slot is het normale woord voor 'ja' sí, sè, uit het Spaans. In informeel taalgebruik bezigt men echter het Nederlandse leenwoord ya. Voor 'nee' kent het Papiaments volgens de woordenboeken alleen , uit het Spaans.

Een aparte groep onder de communicatieve tussenwerpsels vormen de groeten, en ook daarvan zijn er enkele door andere talen overgenomen uit het Nederlands. Zo is de groet dag in het Indonesisch ontleend als dah. Ook komt voor dah-dah 'dag dag'. Daarnaast zijn goedendag, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond letterlijk uit het Nederlands vertaald als selamat siang, selamat pagi, selamat soré en selamat malam. Hallo is in het Indonesisch geleend als halo. Hiervan is de prachtige afleiding halo-halo gemaakt, gebruikt voor een 'microfoon'. Het werkwoord berhalo-halo betekent 'aan de telefoon praten, telefoneren'. In het Papiaments is eveneens hallo geleend - haló wordt echter niet gebruikt als groet, maar in de zin van 'hallo bij een telefoongesprek'.

Het Nederlands heeft ook emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, uitgeleend, zie wacharme(n). Een speciale subcategorie hiervan vormen de vloeken, bastaardvloeken en krachttermen, waarvan zijn uitgeleend jeminee en verdomme.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nee* tussenwerpsel: uitroep ter ontkenning 1350 [MNW]

neen* tussenwerpsel: uitroep ter ontkenning 1237 [CG I Gent]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut