Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nederig - (deemoedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nederig bn. ‘deemoedig’
Vnnl. nederig ‘gering, van lage rang’ in het nederige volc ‘het gewone volk’ [1560; iWNT vouwen], de nederige heeft hy verheuen ‘de onaanzienlijke heeft hij aanzien gegeven’ [1562; Deux Aes, Lukas 1:52], ‘zichzelf gering achtend’ in Oock sal ick ... nedrich zijn in mijne oogen ‘ook zal ik mezelf gering achten’ [1637; Statenbijbel, II Samuel 6:22]; nnl. met een needrig gemoed ‘met een bescheiden gemoed’ [1764; iWNT].
Ontleend aan Duits niedrig ‘gering, van geringe waarde, laag’, afleiding van nieder ‘laag’, zie → neer. In het Nederlands met aanpassing aan neder ‘laag’.
Mnd. neddrig; vnhd. niderig, nidrig (nhd. niedrig); nfri. nearzich (< neardich < *nedrich) ‘nietig, bekrompen’, naast het leenwoord nederich.
Het woord komt als Duits nidrig voor in Luthers bijbelvertaling en is onder invloed van de Nederlandse bijbelvertalingen in het Nederlands terechtgekomen. Het van oorsprong bijbelse karakter van het woord heeft het behoed voor de spreektalige syncope van de intervocalische -d-, waardoor *nerig zou zijn ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nederig [ootmoedig] {1562} < hoogduits niedrig, in de Deux-aesbijbel overgenomen uit Luthers bijbelvertaling in het duits.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nederig bnw., sedert Kiliaen; ofschoon hij het ‘vetus’ noemt, is het eerst door de Deux-Aes-Bijbel uit het nhd. niedrich van Luthers bijbeltaal overgenomen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nederig b.nw.
1. Nie hoogmoedig nie. 2. Eenvoudig.
Uit Ndl. nederig (1562), 'n afleiding met -ig van neder 'neer, na ondertoe'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nederig (Duits niedrig)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nederig ‘ootmoedig’ -> Fries nederich ‘ootmoedig’; Deens nedrig ‘ootmoedig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors nedrig ‘laag-bij-de-gronds, gemeen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds nedrig ‘laaghartig, ergerlijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands nederig, nedrig ‘ootmoedig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nederig ootmoedig 1562 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut