Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nazi - (nationaal-socialist)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nazi zn. ‘nationaal-socialist’
Nnl. nazi ‘nationaalsocialist’ in het verkiezingssucces der nazi's ... de Hitlerianen [1930; Groene Amsterdammer], de Nazi's ... de oorlogsindustrie [1931; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Duits Nazi, spottende verkorting van Nationalsozialist ‘lid of sympathisant van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP)’, waarvan Adolf Hitler vanaf 1920 de leider was en die van 1933 tot 1945 in Duitsland aan de macht was; national is een afleiding van Nation ‘staat, volk’, zie → natie en Sozialist een afleiding van Sozialismus, zie → socialisme.
Nazi was spottend gemodelleerd naar ouder Duits Sozi, verkorting van Sozialist ‘socialist’; ook Nazi als verkorting van de naam Ignatius, in Zuid-Duitsland gebruikt voor ‘stuntel, sufferd’, speelde een rol. De nationaalsocialisten namen de spotnaam enige tijd als geuzennaam over, maar deden hem uiteindelijk in de ban.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nazi [nationaal-socialist] {1926-1950} < hoogduits Nazi, verkorte naam voor een lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nazi, nazivarken: oorspronkelijk: lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei. Gaandeweg kreeg nazi als bijbetekenis ‘fascist’. Tegenwoordig is het woord zijn historische betekenis meer en meer kwijtgeraakt en wordt het vaak gebruikt in de zin van ‘rechtse klootzak’ of gewoon rotzak*. Vgl. in dezelfde zin SS’er*.

Meneer mag dan een vuile smeris zijn maar nu is hij onze gast. Op straat mag je hem uitschelden. ‘SS-er’ roepen we dan, en ‘Nazi’, en dan maar vlug weghollen. (Janwillem van de Wetering, Het lijk in de Haarlemmerhouttuinen, 1979)
‘Sukkel’ moet een politieman slikken. Maar scheldwoorden als kankerslet, nazi, SS’er, fascist en NSB’er kunnen een bon opleveren. Het Amsterdamse korps is in Nederland koploper in het verbaliseren voor het beledigen van agenten. (Het Parool, 14/05/1999)
Voor het gerechtsgebouw scheldt hij, vaak getooid met een Palestijnse vlag, medewerkers uit voor onder meer ‘vieze, vuile nazivarkens’ en ‘vieze kankerblanken’. (NRC Handelsblad, 20/08/2004)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nazi (Duits Nazi)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nazi ‘nationaal-socialist’ -> Indonesisch Nazi ‘nationaal-socialist’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nazi nationaal-socialist 1930 [Toll.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut