Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

navel - (litteken van de navelstreng op de buik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

navel zn. ‘litteken van de navelstreng op de buik’
Mnl. nauel ‘navel’ [1240; Bern.].
Mnd. navel; ohd. nabulo, nabalo (nhd. Nabel); ofri. navla (nfri. nâle); oe. nafela (ne. navel); on. nafli (nzw. navle); alle ‘navel’, < pgm. *nabulō-, *nabalō-, afleiding, wrsch. met verkleiningsachtervoegsel, van de wortel van → naaf.
Verwant met: Latijn umbilīcus ‘navel’; Grieks omphalós ‘id.’; Oudiers imbliu ‘id.’; < pie. *h3n(o)bh-l-.
Lit.: Schrijver 1991, 61-62

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

navel* [plaats van navelstreng] {navel(e), naffel(e) 1201-1250} oudhoogduits nabalo, oudfries navla, oudengels nafela, afgeleid van naaf; de navel werd vergeleken met de naaf van het wiel, vgl. oudindisch nābhi- [navel, naaf].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

navel

Navel in de betekenis: litteken op het midden van de buik, afkomstig van de navelstreng, is al een heel oud woord. In het Sanskriet, de oudste van de Indo-europese talen, luidde het woord nabhi en de betekenis was zowel: middelpunt in het algemeen als navel. Navel is hetzelfde woord als naaf: middenstuk van rad of wiel, waaraan de spaken bevestigd zijn en dat onmiddellijk de as omsluit. De betekenis: litteken op de buik is de oorspronkelijke; toen Indo-europese volkeren het wiel en de wagen leerden kennen, brachten ze de naam over op het middelste gedeelte van het rad. Merkwaardig is dat het Sanskrietwoord nabhi niet slechts navel betekent, maar ook: bloedverwantschap, familie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

navel znw. m., mnl. nāvele, nāvel, naffele, naffel m. v., mnd. navel, naffel, ohd. nabalo (nhd. nabel), ofri. naula, oe. nafola (ne. navel), on. nafli m. — Te vergelijken zijn met dit germ. *naƀala < idg. *nobhǝlo lat. umbilicus, gr. ómphalos < idg. *ombhǝlo. — Een l-afl. van de grondvorm van naaf.

Een dialectkaart van navel geeft P. J. Meertens Taalatlas afl. 4, 12. — Opmerkelijk is de vorm buuknagel in Frans-Vlaanderen en het Antwerps (ook in het nfrank. deel van het Rijnland); reeds in de 12de eeuw overgebracht naar de Mark, waar buknagel voorkomt (vgl. Teuchert Sprachreste 319).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

navel znw., mnl. nāvel(e), naffel(e) m. v. = ohd. nabalo (nhd. nabel), mnd. nāvel, naffel, ofri. naula, ags. nafola (eng. navel), on. nafli m. “navel”. Zie verder bij naaf. De l-afl., zoo al niet de stam op -lon-, is idg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

navel, is in bijna geheel Vlaams-België dooreengelopen met nagel: Grootaers Leuv. Bijdr. Bijbl. 14, 2 vlg. — Zie verder naaf Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

navel m., Mnl. id. + Ohd. nabalo (Mhd. nabel, Nhd. id.), Ags. nafela (Eng. navel), On. nafli (Zw. nafle, De. navle) + Skr. nābhīlam, Gr. omphalós Lat. umbilicus, Oier. imbliu: dimin. van naaf (z.d.w.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4nael s.nw. (ongewoon) Ook nawel.
Naeltjie (1naeltjie).
Uit Ndl. navel (al Mnl.), met uitkapping van die intervokaliese v.
D. Nabel, Eng. navel.

2nawel s.nw.
Lemoensoort met 'n kenmerkende vergroeiing.
Uit Ndl. navel (al Mnl), so genoem omdat die vergroeiing aan 'n mens se naeltjie herinner. Afr. nawel gaan soos nael (4nael) terug op dieselfde Ndl. grondvorm navel, met uitkapping van die intervokaliese v in lg. geval.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

nael III: – nawel – , litteken op buik, ens.; Ndl. navel (Mnl. nāvel(e)/naffel(e), in sommige Ndl. dial. ook nagel), Hd. nabel, Eng. navel, hou verb. m. naat (q.v.) en hoërop m. Lat. umbilicus en Gr. omphalos, “nael/nawel”, v. ook nawellemoen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

navel* lidteken van navelstreng 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut