Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nauw - (krap, smal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nauw bn. ‘krap, smal’
Mnl. nauwe ‘nauwkeurig’ [1240; Bern.], ‘krap, smal’ in Buten nauwe ende binnen wijt. Waren die veinstren ‘de vensters waren van buiten smal en van binnen breed’ [1285; VMNW], crupet dor .i. nouwe gat ‘kruipt door een krap gat’ [1285; VMNW].
Mnd. nau, nouwe ‘krap, nauwkeurig, slim’; mhd. nou, nouwe ‘krap, nauwkeurig’ (nhd. alleen genau ‘nauwkeurig, precies, juist’); nfri. nau ‘krap’; oe. hnēaw ‘karig, schriel’; on. hnøggr ‘schriel’ (nzw. njugg ‘gierig, karig’); < pgm. *hnawwa-/*hnewwa- ‘krap’. Wrsch. verwant met: ohd. hniuwan ‘stoten, fijnwrijven’, on. hnøggva ‘stoten’; < pgm. *hnewwan-, hoewel het betekenisverband vaag is.
Pgm. *hnewwan- gaat vermoedelijk terug op de wortel *tken- ‘slaan, verwonden’ (LIV 645), volgens een ontwikkeling van de presensstam pie. *tkn-éu- > *knéu- > pgm. *hnéu- > *hneww-a- (LIV). Het is dan verwant met: Grieks kteínein ‘verslaan, doden’; Sanskrit kṣaṇóti ‘verwondt’.
benauwen ww. ‘beklemmen’. Mnl. benauen ‘in het nauw brengen, belemmeren’ in ward soe also benaut. Dat soe dar na bleef kindeloes ‘daardoor werd ze zo in het nauw gebracht, dat ze daarna kinderloos bleef’ [1285; VMNW]; vnnl. benauen ‘belemmeren, beklemmen’ in [Hi] benaude die stadt ‘hij bracht de stad in het nauw’ [1530; MNW]. Afleiding van nauw met het voorvoegsel → be-. ♦ benauwd bn. ‘belemmerd in de ademhaling; angstig’. Vnnl. benaut ‘beperkt; belemmerd in de ademhaling; beangstigd’ in Daer ic ... lagh benaut t'onvreden ‘toen ik lag, onrustig van angst’ [ca. 1500; iWNT zeer II], dat ghy van dese siecten soo seer benaut werdet ‘dat u door deze ziekte zo erg benauwd zou worden’ [1531; iWNT zin]; nnl. ook ‘benauwend’, i.h.b. ‘belemmerend in de ademhaling’ in Onderwyl was de kamer zeer benaauwt [1782; iWNT]. Verl.deelw. van benauwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nauw* [niet wijd] {na(e)uwe, nouwe 1285} middelhoogduits nawe, nouwe (hoogduits genau), oudengels hneaw, oudnoors hnöggr [slag, stoot], hnöggva [stoten]; verwant met fnuiken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nauw bnw., mnl. nauwe, naeuwe, nouwe, neuwe ‘nauw, benauwend, hachelijk, nauwkeurig, bekrompen, schriel, beperkt, smal, slim, schrander, vertrouwd’, mnd. nouwe, nau ‘nauw, nauwkeurig, gering, slim, schrander, vertrouwd’, mhd. nou, nouwe, nāwe ‘nauw, nauwkeurig’ (nhd. genau), oe. hnēaw ‘karig, schriel’, on. hnøggr ‘schriel’ (voor hnǫggr naar de cas. obl.). — De germ. grondvorm zal zijn *hnawwa (mogelijk daarnaast ook *hnēw(w)a zoals in mhd. nāwe). — Voor de hand ligt de verbinding met ohd. hniuwan ‘stoten, fijnwrijven’, on. hnøggva ‘stoten, slaan’. — gr. knúō ‘schaven’, lett. knūdu, knūstu ‘jeuken’ (IEW 562).

Ook de dial. nl. vormen wijzen op de beide grondvormen *hnawwa naast *hnēw(w)a, vgl. enerzijds achterh. naw, nouwe, kampens naw, beierl. nouw, noordbevel. nou, anderzijds veluws nâw, goerees nâw, leuvens .

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nauw bnw., mnl. nauwe, naeuwe, nouwe, neuwe “nauw, benauwend, hachelijk, nauwkeurig, bekrompen, schriel, beperkt, smal, min, slim, schrander, vertrouwd”. Op een grondvorm *χnauwa- wijst ags. hnêaw “karig, schriel”, op *χnauwia- on. hnøggr “id.”, westf. (Soest) nögge > mnd. nöüe “nauw”. Als deze op één oergerm. vorm teruggaan, moet die *χna(u)wu- geluid hebben (idg. *qnowu-, * knowu- of *qnowu-). De ndl. dial. vormen zijn vreemd (o.a. Achterh. naw, nouwe, Elten-Bergh nôw, Kampen naw, Vel. nâw, Bommelerwaard nouw, bijw. nãuw, Beierl. nouw, N.-Bev. nou, Goeree nâw, Aalst, Leuven ). Of wij echter nog andere grondvormen moeten aannemen dan de bovengenoemde, is onzeker. Mhd. komt voor: nou, nouwe, nâwe “nauw, nauwkeurig” (nhd. genau), mnd. nouwe, nau “id., gering, slim, schrander, vertrouwd”. Men vergelijkt gew. on. hnøggva “stooten”: zie verder fnuiken. Onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nauw. Zowel ags. hnêaw als on. hnøggr wijzen op een germ. grondvorm *χnawwa-, eventueel ouder *χnawwu-. De ndl. mhd. vormen doen naast dit *χnaw- een ablautend *χnêw- vermoeden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nauw bijv., Mnl. naeuwe + Mhd. nâwe; een ander klanktrap vertoonen Mhd. nouwe (Nhd. genau), Ags. hnéaw, On. hnøggr: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nej (bn.) 1. gierig 2. nauw; Vreugmiddelnederlands nauwe <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2nou b.nw.
1. Beknop of met min ruimte. 2. Wat intiem en naby mekaar is.
Uit Ndl. nauw (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nou II: eng, smal; Ndl. nauw (Mnl. na(e)uwe/nouwe/neuwe), Hd. (ge)nau – i. Ndl. dial. nou(w)/nouwe, mntl. verb. m. Gr. knúō, “skaaf”; blb. geen verb. m. Eng. narrow nie; v. ook Kloe HGA 127-8.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nauw ‘niet wijd, krap; zuinig; scherp, stipt’ -> Deens nøje ‘precies’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens nav ‘nauwe zeestraat, in de uitdrukking: "komme i nav", "in het nauw brengen"‘; Noors nøye ‘nabij, intiem; grondig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds noga ‘nauwkeurig, precies, zorgvuldig’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect nawe ‘lui, krap, het noodzakelijke doend’; Negerhollands nauw, nou, nau ‘smal’; Sranantongo naw ‘niet wijd’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † nou ‘niet wijd, smal’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nauw* niet wijd 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1097. Een benauwde kat maakt rare sprongen,

d.w.z. iemand die in groote verlegenheid zit, doet vreemde dingen. Vgl. Harreb. I, 385: Een kat, die in 't naauw zit, maakt vieze (= zonderlinge) sprongen. Een gepraamde kat zal dwars door de vensters vliegen om ruimte te hebben; De Arbeid, 18 Febr. 1914, p. 1 k. 1: Een kat die in 't nauw zit maakt rare sprongen. Zoo doet de economist van ‘De Tribune’, de heer Ceton; Kalv. I, 150: Wat weten die melkmuilen van den handel en van den benauwden sprong, die een benauwde kat doet? Het Volk, 24 Maart 1915, p. 3 k. 2; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut