Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

natuur - (het vrije onbebouwde landschap, dat wat rondom de mens is; oorsprong van alle scheppende kracht

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

natuur zn. ‘het vrije onbebouwde landschap, dat wat rondom de mens is; oorsprong van alle scheppende kracht; aard’
Mnl. nature ‘de natuurlijke loop der dingen’ [1201-25; VMNW], ‘id.; aard, gesteldheid, eigenschap’ [1240; Bern.].
Ontleend, in diverse betekenissen en al dan niet via Frans nature [1119; Rey], aan Latijn nātūra ‘natuurlijke wetmatigheid, loop der dingen; aard, gesteldheid, eigenschap; schepping, scheppende kracht’, dat is afgeleid van het verl.deelw. nātus ‘geboren, geschapen; voorbestemd, geaard’ van nāscī ‘geboren worden, ontstaan’, ontwikkeld uit ouder gnāscī ‘id.’, een afleiding van dezelfde Indo-Europese wortel als in → kunne.
Latijn natura was in de middeleeuwen een belangrijk filosofisch en wetenschappelijk begrip voor ‘de scheppende kracht, de natuurwetten’ met tal van betekenisnuances. Oudfrans en Middelnederlands nature hebben al vroeg diezelfde verscheidenheid en van een duidelijke betekenisontwikkeling in het Nederlands is dan ook geen sprake. Wel is in het Nieuwnederlands één specifieke betekenis sterk op de voorgrond getreden: de natuur ‘het (schijnbaar) niet door de mens gewijzigde landschap om ons heen’, zoals in onbeärbeide Natuur, afgewisseld door den ... verstandigsten Landbouw [1785; WNT]. Mogelijk is dit gebeurd door ellipsis van de in de 19e en 20e eeuw zeer frequente verbinding de vrije natuur [1817; WNT vrij]. Dit is ook de betekenis van natuur in talrijke samenstellingen, zoals natuurbescherming, natuurgebied, natuureducatie. In andere samenstellingen staat natuur in contrast met ‘kunstmatig’, bijv. in natuurgeneeskunde, natuurijs. Een voorbeeld van natuur in de oude betekenis ‘scheppende kracht’ is natuurkunde of -wetenschap.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

natuur [aangeboren neiging, landschap] {nature 1201-1225} < frans nature of direct < latijn natura [geboorte, natuur, aard, werkelijkheid], van nasci (verl. deelw. natum) [geboren worden] (vgl. natie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

natuur znw. v., mnl. nature v. < fra. nature of lat. natura.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

natuur znw., mnl. natûre v. Of uit fr. nature, of direct uit lat. nâtûra. Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

natuur v., uit Lat. naturam (-a), een afleid. van natus (d.i. *gnatus) = geboren, van wrt. gen (z. kind en voor het suffix, vergel. avontuur).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

natuur s.nw.
1. Skepping wat die mens omring, veral die landskap met sy plante- en dierelewe. 2. Inherente aard van 'n mens, dier of ding.
Uit Ndl. natuur (Mnl. nature).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

natuur (Latijn natura of Frans nature)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

natuur ‘aangeboren neiging’ -> Duits dialect Natüür ‘aangeboren neiging’; Indonesisch natur ‘aangeboren neiging’; Ambons-Maleis natīr ‘sperma’; Negerhollands natuur ‘eigenschap, aangeboren neiging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

natuur aangeboren neiging 1201-1225 [CG II1 Floyris] <Frans of Latijn

natuur landschap 1697 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

689. De gewoonte is (of wordt) een tweede natuur,

d.w.z. men kan aan iets zoo gewoon raken, dat men het doet, alsof het altijd in onze natuur had gelegen, alsof het ons altijd eigen geweest ware. Deze gedachte dateert uit de oudheid. Ze komt voor bij Aristoteles, Rhetorica, I, 11; Cicero, de Finib. V, 25, 74: Voluptarii..... dicunt consuetudine quasi alteram quamdam naturam effici; Augustinus, de Musica VI, 14, 28: Consuetudo quasi secunda natura dicitur; mgri. δευτερα φυσις συνηθεια.Philologus, LXXI, 549. Bij ons luidde dit spreekwoord ook: wennis of aanwenst is de (of een) tweede natuur; zie verder Sp. der Sonden, 15695: Oude gewoente nature bediet; in Doct. II, 263: Langhe gewoente can maken ene ander nature; syn. van aert es een vast tabbaert (of cleet); Spieghel, 61, vs. 359: ghewoont, een tweede vrouwnatuur; Harreb. III, 99 b; Ndl. Wdb. IV, 2132; Wander I, 1681 en Otto, 90; fr. l'habitude est une seconde nature; hd. Gewohnheit ist die andere Natur; eng. custom (or use) is a second nature.

1604. De natuur gaat boven (of is sterker dan) de leer,

d.w.z. ‘de aangeboren neigingen zijn sterker dan alle onderricht en vermaningen’; hd. Natur geht für Lehr; oostfri.: Natur geit aver d' Lehr (Wander III, 971). Een oud spreekwoord, dat in het mnl. luidt vore leringe gaet nature (vgl. Rose, bl. 251, vs. 142) en verder o.a. staat opgeteekend in de Prov. Comm. 542: natuere gaet boven leere; bij Servilius, 145*: natuer gaet voor leere; Campen, 18: die natuere gaet voor die leere; Sartorius II, 7, 90: naturam expellas furcâ, tamen usque recurretHoratius, ep. I, 10, 24; bij De Brune, Bank. I, 177: Drijft de natuyre met een vork uyt, zy komt al weder in uw huyd., de Natuer gaet voor de leer; Spieghel, 269; Tuinman I, 357; W. Leevend I, 139; Harrebomée I, 173 b; Ndl. Wdb. IX, 1608; Schotsch: nature passes nurture (Prick).

2270. Den tol aan de natuur betalen,

d.w.z. sterven, een natuurlijken dood sterven; in het mnl. der naturen scout (of recht) betalen of (ver)ghelden; der werelt scout ghelden; der doot haer scout gheven; sine scout betalen of ghelden; ook sijns levens tol geven of tol van den live geven, doch dit laatste in den zin van iets met zijn leven bekoopen, het leven verliezen (Mnl. Wdb. IV, 2198; VII, 712; VIII, 527). De zegswijze herinnert aan het niet spreekwoordelijke Latijn: naturae debitum reddere (Nepos). Zie Brederoo III, 114, vs. 380: Den tol van de natuur elck een betaelen moet; Bilderdijk I, 320 voor: Morgen leg ik 't hoofd toch neder en betaal Natuur haar recht; Veegens, Hist. Stud. 2, 206: Mijn grootvader betaalde den 3den September 1797 den tol der natuur; zie ook Nkr. I, 3 Nov. p. 3: Hij wou Mageren Hein verhinderen hem de tol aan de natuur te doen betalen. Ook in den zin van de rechten der natuur laten gelden; zijn menschelijke natuur laten blijken; vgl. Geel, Sent. Reis, 56: Toen de bedroefde man zoo ver in zijn verhaal was, hield hij op, om aan de natuur haren tol te betalen, - hij weende bitterlijk; Ndl. Wdb. IX, 1612; hd. die Schuld der Natur bezahlen; fr. payer le tribut ou sa dette à la nature; eng. to pay the debt of nature.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal