Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nat - (vochtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nat bn. ‘vochtig’
Onl. nat ‘vochtig’ in That nat uuerthe fuot thin an bluode ‘opdat jouw voet gedrenkt (letterlijk: nat) worde in bloed’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. nat ‘id.’ [1240; Bern.].
Mnd. nat; ohd. naz (nhd. naß); alle ‘nat, vochtig’, < pgm. *nata-. Daarnaast indirect in got. ganatjan ‘nat maken’ en misschien in de plantnaam nzw. nate ‘vogelmuur’ en in de riviernaam on. Nöt.
Mogelijk verwant met: Grieks nótios, noterós ‘nat’; Welsh nodd ‘vochtigheid’; maar een gemeenschappelijke pie. reconstructie is hierbij onmogelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nat* [vloeibaar, vochtig] {oudnederlands nat 901-1000, middelnederlands nat(e), naet} middelnederduits nat, oudhoogduits naz, gotisch natjan [nat maken]; etymologie onzeker.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

pot nat

Een vreemd pot nat of pot eten is een wonderlijk mens. Het woord nat is hier nog een zelfstandig naamwoord, evenals in de zegswijze: ze zijn met hetzelfde nat (of: hetzelfde sop) overgoten, voor: zij hebben dezelfde neigingen of gebreken.

Een pot nat is dus: een pot gevuld met jus, zoals een pot eten is: een pot met gekookte spijs. Het is wonderlijk dat een mens zo dikwijls met iets eetbaars werd en wordt vergeleken. Noemde men vroeger iemand een snode schelvis (Engels: a queer fish), een slimme paling of een raar gebakje, thans spreekt men van een leuke pisang, een rare snijboon, een druif van een vent, een oude taart, een fijne beschuit en een stom stuk (vr)eten. En zo zullen er nog wel meer zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nat bnw., mnl. nat (gen. nates en nattes), mnd. nat, ohd. naʒ (nhd. nass), vgl. on. Nǫt ‘naam van een rivier’ (nzw. Naten ‘naam van een meer’) en got. ganatjan ‘nat maken’. — oi. nadī ‘rivier’ (indien dit niet eerder behoort bij nádati ‘brullen, ruisen’). — Het woord, dat algemeen-germ. was, staat dan geheel geïsoleerd; is het misschien uit een substraattaal overgenomen?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nat bnw., mnl. nat (gen. nātes, ook al nattes). = onfr. nat, ohd. naʒ (nhd. nass), mnd. nat “nat”, got. *nats,waarvan natjan “nat maken”. Oi. nadī́- “rivier” hoort eer bij nádati “hij maakt een hard geluid” dan bij nat. Gr. noterós “nat” kan desnoods hoogerop verwant zijn: wortels ne-d- en ne-t-. Andere hypotheses zíjn nog vager. — Het gebruik van nat als o. znw. is al mnl., mhd., mnd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nat bijv., Mnl. id., Onfra. id. + Ohd. naʒ (Mhd. id., Nhd. nasz), Go. natjan = nat maken: oorspr. onbek.; indien uit *wnat-, Idg. ṷn̥̄d- (z. lam), dan verwant met Lat. unda (z. water, winter, otter).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

naat (bn.) nat; Aajdnederlands nat <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

nat bn., (ook.) ongedroogd (padi*, 3). Gewerkt zal worden volgens de padi*-opkoop beschikking 1980/1981 waarin de prijzen van Sf * 20, 50 en Sf. 19,- per baal van 80 kg nat voor respektievelijk 1e en 2e kwaliteit zijn vastgesteld (DWT 30-3-1981).
— : nat maken (maakte, heeft gemaakt), (i.h.b.:) een plant, een bloembed, een tuin water geven, begieten, d.w.z. de aarde nat maken. Kan ik de tuin voor u nat maken? vroeg het meisje. - Laat maar verrotten, antwoordde Astilla (Vianen 1979a: 166).
— : natte tijd (de, -en), 1. een van de twee seizoenen met veel regen: zie grote en kleine natte* tijd. De vloer van deze huisjes lag, zo aanwezig, erg laag bij de grond, zodat de atmosfeer er, vooral in de natte tijd, vochtig was (Enc.Sur. 133). - 2. (i.h.b.) grote natte* tijd: z.a. Gevraagt sijnde hoe het quam, dat (zij) geen tocht van boven na Surammeka hebben willen doen, seggen (zij), dat se door te veel water bij desen natten tijt souden moeten passeren, en dat de Caribisen* sterck waren ende overal gewaerschouwt () (Anon. 1679, cit. volgens Lichtveld & V. 60). - Etym.: Oudste vindpl. plak van 1670 (S&dS 58). - Syn. regentijd*. Zie ook: droge* tijd.
— : grote natte tijd, lang seizoen met veel regenval, in Noord-Suriname gemiddeld van eind april tot half augustus. Er worden twee regentijden* onderscheiden: een kleine natte* tijd van december tot januari en een grote natte tijd van april/mei tot augustus, afgewisseld met droge* tijden (Bos en Bosbeheer 8). - Etym.: Dit seizoen duurt langer en heeft meer regenval dan de kleine n.* t. - Syn. grote regentijd*.
— : kleine natte tijd, kort seizoen met matige regenval, in Noord-Suriname gemiddeld van begin december tot begin februari. Cit.: zie grote natte* tijd. - Etym.: Dit seizoen is korter en heeft minder regenval dan de grote n.* t. - Syn. kleine regentijd*.
— : zie natte tjoeri*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Nat: mv. -te, – Natte, mv. -s – , “lid. v. d. Nasionale Party”; redukv. na Ndl. skrifbeeld m. t (in Afr. soms nog gehoor natsionaal).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

nat Net als koffie en melk komt nat in verschillende uitdrukkingen voor in de betekenis ‘borrel’. De bekendste is het heilige nat (zie ook heilige). Deze borrelnaam dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19de eeuw en wordt ook nu nog volop gebruikt. Zo schreef een Amsterdamse informant:

Wij gebruiken de uitdrukking vooral wanneer er bij het inschenken gemorst wordt of als er een gevuld glas omgaat: ‘Zonde van het heilige nat!’ Deze uitdrukking werd in mijn ouderlijk huis gebezigd (katholiek gezin), maar mijn echtgenoot (niet-katholiek) kent deze benaming ook.

Halverwege de 19de eeuw noemde men een borreltje ook het lieve nat. Verder zijn opgetekend het klare nat, het heldere nat, zuiver nat en de uitdrukkingen een nat zeil halen ‘dronken worden’, een goed zeeman wordt wel eens nat, hij is van binnen en van buiten nat, hij zit in het nat en hij is gaarne met de neus in ’t nat. Een zuiplap werd wel uitgemaakt voor nathals, natnek of natte spons. Een grog, een mengsel van heet water, suiker, citroen, cognac of jenever, werd in het laatste kwart van de 19de eeuw ook wel natte kraker genoemd. In Zuid-Afrika zei men omstreeks 1884 van een dronkaard hij is nat geregend. In Engeland is a wet of something wet al eeuwen in zwang voor ‘een portie drank’.
Vergelijk kortnat en natte deken.

[Endt 95; Harrebomée 2:117; Herroem 31, 38, 91, 141; Mansvelt 38; NZ 27:455]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nat ‘vloeibaar, vochtig’ -> Negerhollands nat ‘vloeibaar’; Berbice-Nederlands nati ‘vloeibaar, vochtig’; Sranantongo nati, natnati ‘vloeibaar, vochtig; kleverig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nat* vloeibaar, vochtig 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

nat gaan, informeel voor ‘een vergissing begaan; door het maken van een fout het slachtoffer zijn; verliezen’. Ontleend aan het kaartspel.

Bij het overschrijden van de startlijn, dat magische Uur U, zal er een perfecte coördinatie moeten zijn tussen vuursteun en voorwaartse beweging. Als dat niet goed zit, ga je nat. (Elsevier, 09/02/91)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1601. Nat houden en pappen,

ook pappen en nat houden, d.w.z. drinken, brassen, volhouden, de zaak aan den gang houden; in obscoenen zin ‘coire’. Vgl. Nkr. VI, 13 April p. 4: Néén! zoo gewikst is Kolthek wel om dat sekuur te snappen; doch 't ware doel wordt slechts bereikt door ‘nat houden en pappen’; Nkr. III, 9 Mei p. 2:

 Toen was 't nat houden en pappen,
 Heel den lieven, langen dag.
 Mijn gezicht blonk van de geestdrift,
 Net de nationale vlag.

Vgl. Boekenoogen, 1347: 't Is pappen en warm houden, gezegd als men druk in de weer is; Soldaten-courant, 9 April 1915, p. 4 k. 1: Daar komt een dikke meneer aanstappen, die blijkens zijn gang ook al geen vijand is van ‘pappen’. Vgl. naast dit wkw. pappen een znw. papper, drinker (Jord. II, 274) en het wkw. aanpappen, drinken, ook gezellig samenzijn onder een glaasje (Jord. II, 342; Barb. 63; Nkr. VII, 26 Juli p. 2), naast aanpapper (Zondagsblad v.h. Volk, 7 Maart 1914, p. 3 k. 2).

1602. Zijn natje en zijn droogje lusten,

d.w.z. goed kunnen eten en drinken, veel van drank en spijs houden. In de 16de eeuw bij A. Bijns: Zy mach haer drooghe wel, en niet min haer natte (Leuv. Bijdr. IV, 324); Sart. II, 3, 84: Hy mach sijn drooghjen wel, ende sijn natjen niet qualijck; Brederoo I, 224, vs. 334: 't Is een goed etend gesel, en hy siet wonder gaeren vrouwen; hy mach zyn natje en zyn drooghje wel; Van Moerk. 238; Tuinman I, 99; 109; Falkl. VI, 48: Twintig jaren is in natje- en droogje-uren berekend een soliede hoeveelheid; Slop, 27: Ze nam haar natje en droogje op tijd, liet zich aan niets ontbreken; Falkl. IV, 124; VI, 126: Maar nou Laura d'r betrekking verloren had, werden natje en droogje eerst bedenkelijk klein; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 1 k. 1: Zij (de priesters) hebben hun natje en droogje op hun tijd en ook wel eens extra; Ndl. Wdb. IX, 1578; Molema, 276 a: hij lust zien nat en dreug wel = hij ken zien nat en dreug wel op, hij is een goed eter, heeft steeds goeden eetlust; Land v. Waas: geren zijn nat hebben (of meugen); Antw. Idiot. 847: äij mag zijn nat en zijn droog goed of hij mag zijn dik en zijn dun wel; in Jord. II, 24 is sprake van iemands bikkie en likkie. In het Friesch zegt men: hy is goed by syn sûpe en stút naast hy mei syn wiet en droech wol. Vgl. eng. a wet, een borrel, een spatje (zie no. 1633).

496. Niet droog (of nog nat) achter de ooren zijn,

d.w.z. jong en onervaren zijn; eigenlijk nog zijn als een pasgeboren wezen. Meestal wordt het gezegd, wanneer een kind praat over dingen, die alleen groote menschen kunnen beoordeelen; ook van jongelieden die vroeg huwen. De oorsprong der uitdr. kan op de volgende wijze worden verklaard: ‘Een levende cel komt bijna nooit in rechtstreeksche aanraking met de buitenlucht voor. Vandaar dat de huid van 't pasgeboren kind weldra harder en droger wordt dan die in 't moederlijf was; waar nu huidplooien de werking van de lucht belemmeren, duurt dit proces langer dan elders, dus aan de liezen, aan den bilnaad en ook aan de ooren, die bovendien dikwijls door een mutsje tegen het hoofd worden gedrukt. Die laatste plek valt 't meest in het oog en daar konstateert de volkswijsheid dan bij voorkeur dat zeer jonge kinderen op enkele plekken nog eenigen tijd na de geboorte een vochtige huid behoudenTijdschrift XXVI, 69.. Volgens Schrader, Wunderg. 142 moet niet gedacht worden aan kinderen, maar aan een dier, bijv. een kalf: ‘Wenn ein Kalb geboren ist, so trocknen die Haare des ganzen Körpers sehr schnell an der Luft; nur die Stelle hinter den Ohren bleibt noch längere Zeit nasz oder feucht, weil die auf den Hals liegenden Ohren den freien Zutritt der Luft hindern’. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; men vindt haar o.a. bij De Brune, 464 en bij Brederoo I, 232; zie het Ndl. Wdb. XI, 39; Kluchtspel III, 53; Taalgids V, 159; Uit één pen, 115; P.K. 188, enz. Opmerking verdient, dat men in de 17de eeuw in denzelfden zin ook zeide: de handen kleven hem nog. Volgens Tuerlinckx, 404 zegt men in het Hagelandsch: gij zijt nog te nat, voor over die zaken mee te spreken; 165: nog nie druëg achter de oeëre zijn, nog jong en dom zijn, dat ook in het Antw. Idiot. 381 vermeld wordt naast nog geel zijn achter zijn ooren of nog geel zien onder zijn armen (bl. 455); in het Zuiden van Antwerpen: nog nat achter de ooren; in het Land van Waas: het geel is nog niet van achter zijn ooren of van zijnen does (achterste). In het fri.: hy is mar just droech efter de earen, hij is pas droog achter de ooren; in 't gron. hy is nog nijt dreug achter de ooren. Ook in het hd. er ist noch nasz (nicht trocken) hinter den Ohren; voor het westph. zie Woeste, 58 b en vgl. Wander IV, 1329. Eene synonieme uitdr. citeert Servilius, 10: Hi draecht den wendel noch aen den buyck, en wil preken (ante barbam doces senes); in de Snorp. II, 16: Hij draeght de swachtel noch om den buyck. De Engelschen zeggen: the cradle straws are scarce out of his breech, wat overeenkomt met het wiegestroo nog achter de ooren hebben (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIII, 133.) en het wiegestroo is nog niet van zijn gat (Antw. Idiot. 2159). Vgl. fr. si on le pressait derrière les oreilles (ou si on lui tordait le nez) il en sortirait encore du lait.

2106. Met hetzelfde sop (of nat) overgoten zijn,

d.w.z. dezelfde gebreken hebben als anderen; aan elkander gelijk zijn; eig. gezegd van gelijksoortige spijzen, die op dezelfde wijze bereid worden; mnl. met enen neetken sijn wi al begoten (BrugmanTijdschrift, XLI, 118.. Zie Campen, 87: sy sinnen altsaemen mit eener sop begoten; Sart. III, 5, 26: wy mogen malkander de hant wel gevenVgl. de uitdr. broeder geef mij de hand, ‘gezegd tot iemand met wiens, uit een gezegde blijkende, ervaringen, denkbeelden, gezindheden men volle sympathie gevoelt’; Ndl. Wdb. III, 1438; Trou m. Bl. 10, vs. 201; Coster, 22, vs. 370.; wy zyn al met een sop overgoten, de his qui similibus vitiis aut malis obnoxii sunt; Anna Bijns, Refr. 143:

 Tsijn beye schorfte schapen uut Christus coye,
 Der heyligher kercken, weerdich ghesloten.
 Met enen sope synse overgoten.

Idinau, 217:

 Sy syn al met t'selfde sop over-goten,
 Als zijnde van eenen aerdt ende nature.

Zie verder Poirters, Mask. 26; Middelb. Avant, 113; Tuinman I, 108; Adagia, 48: Met een sop overgoten syn, ejusdem farinae; Langendijk, Wederz. Huwel. Bedrog, 69; V. Janus, 3, 228; Ndl. Wdb. IX, 1580; XI, 1719; Nkr. IX, 20 Maart, p. 3: Met hetzelfde sop is heel de bent begoten; enz. Vgl. Harreb. II, 282 a; III, 335 a; Erasmus LXVI; Schuermans, 446 b; Waasch Idiot. 768; Welters, 116: ze zijn beide met een saus of brui overgoten; Rutten, 151 b: met hetzelfde nat overgoten zijn; Antw. Idiot. 1145 en Tuerlinckx, 575: met dezelfde soep euvergote zijn, aan dezelfde gebreken mank gaan. In het Friesch: hja binne allegearre mei 't selde sop oergetten. Syn. Koekjes zijn van hetzelfde deeg; vgl. lat. ejusdem farinae esse; zie no. 1212.

2406. Iemand met een natten vinger kunnen beloopen (of aanwijzen),

‘iemand zeer gemakkelijk en spoedig vinden, binnen den tijd namelijk waarin een natgemaakte vinger droog wordt’ (Ndl. Wdb. IINdl. Wdb. V, 1776., 1745); vgl. het Overijselsche iets met de warme hand overbrengen; fri. nijs (nieuws) mei de waerme hân oerbringe (eig. eer de hand nog koud kan worden?); fr. apporter une nouvelle toute chaude à qqn, terstond iets gaan oververtellen (hd. brühwarm zutragen), het Zaansche: Ze kennen mekaar met een warme pankoek beloopen, ze wonen zoo dicht bij elkaar, dat ze een pannekoek warm van het eene huis in het andere kunnen brengen (Boekenoogen, 729Voor de verwantschap der begrippen warm en dichtbij, aanstonds zie Leuv. Bijdr. X, 95.); op Goeree en Overflakkee: Een vrouw en een paard moet je met een brandende pijp kunnen beloopen, d.i. je moet ze niet te ver zoeken, niet verder dan je loopen kunt, terwijl je een pijp tabak uitrookt (N. Taalgids XIV, 253). In de 17de eeuw is de uitdr. algemeen bekend; zie Lichte Wigger, 4 v: Men souse misschien wel met een natte vinger beloopen, die de waarheid soo lieff hebben, dat syse te veel sparen; Coster, 503, vs. 184; Asselijn, 280; Van Moerk. 366; verder P. 't Hoen, de Vrije Schouwburg (anno 1790) I, bl. 3: Ik wil wel gelooven, vrouw, dat men met een natte vinger wel zulke gedrogten (rijken, die groote bestellingen doen en niet betalen) zou kunnen vinden; Tuinman I, 281; Sewel, 894: Ik zou dien het gedaan heeft wel met een natte vinger opzoeken, he that did it is not far off; Halma, 714: Men kan hem wel met eenen natten vinger beloopen, hij is hier heel digt bij; Harreb. II, 382 a; Ndl. Wdb. IX, 1582; Antw. Idiot. 1377; eng. to fetch a person with a wet finger (verouderd); nd. man kann 't mit en natten Finger aflôp'n (Eckart, 116Bij Marnix, Byenc. 109 v en 122 r komt voor iemand als met een natten vinger aanwijzen, in den zin van iemand van dichtbij, dus zeer duidelijk, als met een vinger (Van Effen, Spect. XI, 107) aanwijzen. De uitdrukking is nog niet geheel verouderd; zie Ndl. Wdb. I, 481; IX, 1582.).

2407. Hij is met een natten vinger te verleiden (of over te halen),

d.i. hij is zeer gemakkelijk te verleiden, te lijmen met zooveel kleefstof als een natte vinger heeft; vgl. Bormeester, Nieuwsg. Aegje, 27: Men kan mey ligteleyk aan een nette vinger kleeven; Handelsblad, 7 April 1914 (avondbl.), p. 10 k. 3: Het karakter van den schreeuwenden demagoog, die het volk opruiend, met een natten vinger door den vorst en zijn omgeving mee te krijgen is, lijkt ons al te grof naïef geteekend. Te vergelijken zijn de uitdr. bij Schuermans. 814 b: met natte vingers te verleiden, zonder moeite te verleiden; Tuerlinckx, 694: iemand be inne natte vinger lää, iemand licht beheerschen; hij is met een strootje te verleiden; Land v. Waas: u met 'nen twijndraad laten leeden, in alles gehoorzaam zijn; zich licht laten medesleepen (Waasch Idiot. 668 b); Rutten, 260: als ik mijnen vinger nat maak, blijven er wel zeven aan hangen, ik kan vrijers genoeg krijgen, welk gezegde herinnert aan onze zegswijze aan elken vinger wel een vrijer kunnen krijgen; zie Smetius 176; Coster, 545 vs. 1553; C. Wildsch. III, 74; 146; Falkl. VII, 69: D'r benne méér jonges op de wereld - an elke vinger tien!; Menschenw. 50: Die tochtige maide:.... an ieder vinger d'r ein; Jord. II, 10: Asje wil.... an iedere vinger heb jij.... jij tien vrijers.

2637. Met een nat zeil thuiskomen (of loopen),

d.w.z. dronken thuiskomen. Men was vroeger gewoon de zeilen te begieten, wanneer men in den wind op moest; ze vingen dan meer wind, zoodat het laveeren gemakkelijker ging. Daar nu een dronken man ook over de straat laveert, zegt men van hem, dat hij met een nat zeil loopt. Deze verklaring geeft Winschooten, 250. Eene bevestiging hiervan vindt men in het omschrift op het mondstuk van een grooten drinkhoorn van het schippersgild te Nijmegen (anno 1646), dat luidt:

 Met natte seylen ist goet laveere,
 Die my veel drinckt salt oock wel leerenSchotel, Maatschappelijk Leven, 165; Trou m. Bl. 10, vs. 196: 't seyl begieten, drinken; Amsterd. Vreugdestr. II, 19: De yverende Jacht-man ylt na jacht en sloep en schuyt, slaet aen en nat sijn seylen; hd. die Segel benetzen, damit sie desto besser anziehen (Grimm X, 86)..

Zie verder Smetius, 190: Hij seijlt altijt met een nat seyl; hij heeft meer gedroncken dan gegeten; de Tien Vermakelikheden des Houwelyks (anno 1678), bl. 157: Veele andere die haar in brandewijn en andere stercke wateren verfoeyelijk vergeten, en schier den heelen dag met een nat zeyl loopen; Het Kind van weelde of de Haagsche Lichtmis (anno 1679) I, 116: Het gebeurde op zekere dag, dat wy ons gat zoo vol zoopen, dat wy genoeg te doen hadden om de regel te rooyen; wy gingen aldus met een nat zeil na het bosch toe; Sewel, 983; Tuinman I, nal. 24; Halma, 805: Met een nat zeil loopen, 't zeil nat maaken om den wind beter te vatten; met een nat zeil loopen, marcher comme un ivrogne; Schoolm. 316: Daar ik een nat zeil heb, zoo ben ik bang, dat de weg eer te breed zal zijn dan te lang; Ndl. Wdb. IX, 1582. In het Friesch: hy rint mei in wiet seil, synoniem van hij loopt met een vol zeil (Harreb. I, 342 b); vgl. ook het Gron. met 'n natte krös (karos) in hoes komen, doornat thuiskomen (Molema, 229 b); in Twente: 't zeil vol hebben; De Cock1, 240; Antw. Idiot. 1477: hij zeilt met volle zeilen, hij is dronken; zeilen, dronken loopen; Nav. 1897, 59: hij heeft te diep gezeild; fri. hy had to djip syld. Vgl. eng. to be (or have) a sheet (or three sheets) in the wind; fr. avoir du vent dans les voiles.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut