Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

namelijk - (bijwoord van modaliteit: met name)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

namelijk* [met name] {namelike [met name, uitdrukkelijk, vooral, uitsluitend, evenzo, persoonlijk], en het bijw. namelijc [met name genoemd, uitdrukkelijk bepaald, dezelfde] 1236} middelnederduits nempliken, middelhoogduits namelich.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

namelijk bijw., mnl. nāmelike ‘met name, uitdrukkelijk, vooral, uitsluitend, bepaaldelijk, althans, evenzo, persoonlijk’, naast het bnw. nāmelijc ‘met name genoemd, uitdrukkelijk bepaald, dezelfde’, mnd. nempliken, mhd. nāmelīch, nāmenlīch, (nhd. namentlich).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

namelijk bijw., mnl. nāmelîke “met name, uitdrukkelijk, bepaaldelijk, vooral, uitsluitend, althans, namelijk, evenzoo, persoonlijk”, ook een bnw. nāmelijc “met name genoemd, uitdrukkelijk bepaald, dezelfde”.Overeenkomstige vormen ook reeds in ’t Ohd., Mnd., Ofri.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

namelijk bijw., Mnl. namelike, namondelijke + Hgd. nämlich: zooveel als bij name genoemd, van naam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naamlik bw.
1. Te wete of by name. 2. Immers.
Uit Ndl. namelijk (al Mnl.), met wegval van die onbeklemtoonde e.

nimlik b.nw.
Presiese, werklike, einste.
Uit verouderde Ndl. namelijk (al Mnl. in die bet. 'met name genoem, bo vermeld'). Volgens die WNT kom bg. bet. nie meer
na die 16de eeu voor nie, dog Scholtz (1972: 146) het dit in ou Kaapse bronne uit 1752 nog opgeteken, en volgens hom is dit ook in Fries bekend. Die afwykende vokaal hoef, ook volgens Scholtz, nie noodwendig aan D. nämlich toegeskryf te word nie, maar aan die affektiewe geladenheid van die woord.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nimlik: meest. i.: die nimlike – , “eintlike”; gemeensame en min of meer skertsende vorm v. naamlike i. bet. wat aansl. by (ged. veroud.) gebr. v. Ndl. namelijk (vroeër ook namentlijk) en Hd. nämlich en namentlich.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Nimmelik bnw., presies dieselfde, een en dieselfde: Die nimmelike dag: die nimmelike boeke waarvan hy gepraat het. – Sien Mnl. Wdb. IV, 2165. Volgens die Ndl. Wdb. IX. 1538, kom namelik in hierdie sin ná die 16de eeu nie meer voor nie. Egter ook nog by Dijkstra II, 185: “Nammentlik adj., dieselfde. De nammentlike kear: de nammentlike persoon, dy ’t ik mien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

namelijk ‘met name’ -> Fries namelik ‘met name’; Deens nemlig ‘met name, immers’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens navnlig ‘met name’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors nemlig ‘met name, en wel, te weten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds nämligen ‘met name’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands naamlik, naemlik ‘met name’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

namelijk* bijwoord van modaliteit: met name 1236 [CG I1, 25]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut