Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

najaar - (jaargetijde tussen zomer en winter)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

najaar zn. ‘jaargetijde tussen zomer en winter’
Vnnl. Nae-iaer ‘het laatste deel van het jaar’ [1599; Kil.], soo in 't voor als in 't najaer [1612; WNT voorts]; nnl. een zoel en warm Najaer met veel vogt [1737; iWNT tuberoos].
Gevormd uit → na en → jaar.
Bij Kiliaan wordt nog nadrukkelijk verwezen naar het einde van het kalenderjaar. De term najaar heeft geen scherpe grenzen; meestal wordt hij synoniem met herfst gebruikt en duidt hij de periode van eind september tot eind november aan. Ook bij de oudere attestaties lijkt dat het geval te zijn. Een vergelijkbare samenstelling is Afrikaans naweek ‘weekeinde’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

najaar znw. o., mnl. najaer ‘jaar van gratie’, eerst bij Kiliaen in de bet. ‘herfst’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† najaar znw. o., in de tegenwoordige bet. sedert Kil. Uit na II en jaar.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut