Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naïef - (argeloos, onnozel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naïef bn. ‘argeloos, onnozel’
Vnnl. de naïve Fransse ‘de oorspronkelijke Franse (versie)’ [1698; WNT]; nnl. naïf ‘ongekunsteld, natuurlijk’ in het naive ‘het natuurlijke’ [1778; WNT], ‘argeloos, onnozel’ in met de argeloosheid van een kind, ... die naïve opregtheid [1840; WNT uitpakken].
Ontleend aan Frans naïf ‘argeloos, natuurlijk, onnozel’ [1642; Rey], eerder al ‘ongekunsteld, natuurlijk’ [16e eeuw; Rey], ouder ‘oorspronkelijk, geboortig uit, door de natuur gevormd’ [ca. 1120; Rey], ontwikkeld uit Latijn natīvus ‘door geboorte ontstaan’, afleiding van nāscī ‘geboren worden’, zie → natuur.
De Latijnse letterlijke betekenis van dit woord ontwikkelde zich in het Frans via ‘oorspronkelijk’ tot ‘ongekunsteld, natuurlijk’, bijv. met betrekking tot de schone kunsten. Hieruit ontwikkelde zich in het Frans de huidige, meestal pejoratieve hoofdbetekenis ‘onnozel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naïef [argeloos, onnozel] {1698} < frans naïf [natuurlijk, ongekunsteld, onnozel, naïef] < latijn nativus [aangeboren, natuurlijk], van nasci (verl. deelw. natus) [geboren worden] (vgl. natief).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naief bnw., laat-nnl. < fra. naif < lat. nativus ‘aangeboren, natuurlijk, oorspronkelijk’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† naïef bnw. Later-nnl. uit fr. naif < lat. nâtîvus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naïef b.nw.
1. Kinderlik, natuurlik, ongekunsteld. 2. Sonder gesonde oordeel, dom.
Uit Ndl. naïef (1698).
Ndl. naïef uit Fr. naïf 'aangebore, ongekunsteld, dom'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

naïef (Frans naïf)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naïef ‘argeloos, onnozel’ -> Indonesisch naif ‘argeloos, onnozel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naïef argeloos, onnozel 1698 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut