Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nagel - (hoornachtig laagje aan de vingertop en aan de uiteinden van tenen; spijker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nagel zn. ‘hoornachtig laagje aan de vingertop en aan de uiteinden van tenen; spijker’
Onl. als beroepsbijnaam van een nagelsmid: Jo cognomine Nagel ‘Jo, bijgenaamd Nagel’ [1198; Debrabandere 2003]; mnl. nagel ‘spijker, pin’ [1240; Bern.], ‘hoornlaagje op teen of vinger’ in sine nagle gheleken vogels clawen ‘zijn nagels leken op vogelklauwen’ [1285; CG II], pepers ... naghele ... sufraens (genitief) ‘(van) peper, kruidnagelen, saffraan’ [1286; CG I].
Os. nagal (mnd. nagel); ohd. nagal (nhd. Nagel); ofri. neil (nfri. neil); oe. nægel, -negl (ne. nail); on. nagl (nzw. nagel); alle ‘hand- of teennagel’, West-Germaans ook ‘spijker, pin’, < pgm. *nagla-. Got. alleen als werkwoord ga-nagljan ‘vastnagelen’.
De wortel pgm. *nagl- gaat terug op pie. *h3nogh-l- en is verwant met: Latijn ungula ‘klauw’ < *ongh-l- < pie. *h3ngh-l-. Zonder of met ander achtervoegsel zijn bovendien verwant, alle in de betekenis ‘nagel’ tenzij anders aangegeven: Latijn unguis; Grieks ónuks; Sanskrit nakhá-; Litouws nagà ‘hoef’, nãgas ‘voet’, nagùtis; Oudkerkslavisch noga ‘voet, been’ (Russisch nogá), nogŭtĭ ‘nagel’ (Russisch nógot' ‘nagel’); Oudiers ingen, Bretons ivin; Armeens eł-ungn; Tochaars A/B maku/mekwa (mv.); bij pie. *h3ngh-/h3nogh- (IEW 780).
De oorspr. betekenis is ‘teen- of vingernagel’. De uitsluitend in de Germaanse talen voorkomende betekenis ‘spijker, pin’ is daarvan afgeleid.
Lit.: Schrijver 1991, 62-63

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nagel* [hoorn op laatste voet- en handkootjes, spijker] {nag(g)el, nachgel [nagel aan het lichaam, spijker, kruidnagel] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits nagal, oudfries neil, oudengels næg(e)l, oudnoors nagl, gotisch nagl (ww.) nagljan [nagelen, spijkeren]; buiten het germ. latijn unguis, grieks onux (2e nv. onuchos), oudiers ingen, litouws nagutis, (naga [hoef]), oudkerkslavisch nogŭtĭ, verkleiningsvorm van noga [voet, been], oudindisch nakha- [nagel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nagel znw. m., mnl. nāghel ‘nagel, klauw, pin, spijker, kruidnagel, gewichtssoort’, os. nagal, ohd. nagal (nhd. nagel), ofri. neil, oe. nægel (ne. nail) m. ‘nagel, spijker’, on. nagl m. ‘vingernagel’, nagli m. ‘spijker’, vgl. got. ganagljan ‘spijkeren’. — Met het voor lichaamsdelen meer gebruikte l-suffix (vgl. ook lat. ungula) gevormd van de idg. wt. *nogh, vgl. lit. nãgas, lett. nags m. ‘nagel, klauw’, lit. nagà ‘hoef’, opr. nage ‘voet’, osl. noga ‘voet’. Daarnaast staan andere vormen in het idg. zoals *ṇgh in oiers ingen, okymr. eguin ‘nagel’ en *ongh in lat. unguis ‘nagel aan vingers en tenen’, ungula ‘klauw, hoef’, gr. ónux ‘nagel, klauw’ (< *onghu-?), oi. áṅghri- v. ‘voet’ (<*onghli-?). Daarnaast met andere cons. oi. nakhá-, nakhara- m.n. ‘nagel, klauw’ (IEW 780). — In de bet. ‘pin’ > fra. nable ‘kurk of stop in een gat van een boot, om deze leeg te laten lopen’ (sedert de 17de eeuw, vgl. Valkhoff 194); > russ. nágel’ (sedert 1720, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 62).

Daar de nagels in de magie een belangrijke rol speelden, kan men de uiteenlopende vormen wellicht door taboe-werking verklaren. — Hoger op vermoedt Specht Idg. Dekl. 253 verband met gr. ógkos ‘weerhaak’ van de idg. wt. *onk naast *ank, *ang ‘buigen, krommen’ (waarvoor zie: eng). — Een taalkaart van dit woord geeft P. J. Meertens, Taalatlas afl. 5, 5.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nagel 2 m. (spijker), is hetz. w. als nagel 1. Die beteekenis vindt men alleen in ’t Westgerm.

nagel 3 m. (specerij), is hetz. w. als nagel 2, wegens den vorm.

nagel 1 m. (aan de vingers), Mnl. naghel, Os. nagal + Ohd. id. (Mhd. nagel, Nhd. id.) Ags. nægel (Eng. nail), Ofri. neil, On. nagl (Zw. nagel, De. negl), Go. werkw. nagljan + Skr. nakham, Gr. ónux, gen. ónukhos, Lat. unguis, Ier. ingen, Osl. nugŭtĭ, Lit. nagas = vingernagel, klauw, haak: Idg. *oŋɡh- en *noɡh-: vergel. naaf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nagel (zn.) 1. nagel van vinger of teen 2. spijker; Aajdnederlands nagel <1198>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1nael s.nw.
1. Harde bedekking aan die vingers en tone van mense en sommige diere. 2. (verouderend) Spyker.
Uit Ndl. nagel (al Mnl.).
D. Nagel, Eng. nail.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nael I: verharde deel op toon- en vingerpunte; spykervormige pen; blomknop v. bep. plante; Ndl. nagel (Mnl. nāghel) – in WNT IX 1485 en 1489 as nagel I en II behandel, maar hier saam, omdat hulle v. dies. herk. is – Hd. nagel, Eng. nail, hou verb. m. Lat. unguis/ungula en Gr. onux, “nael, (diere)klou”.

naeltjie: alleen dim., ook bek. as kruinaeltjie; Ndl. kruidnagel (in SNdl. ook kruinagel, by Kil o.a. kruydnaghel) verb. m. nael I, “blomknop” v. d. Cariophyllus aromaticus, fam. Myrtaceae, i. S.A. ook wilde soorte, bv. Lapeyrousia fissifolia, fam. Iridaceae en Pelargonium triste, fam. Geraniaceae, waarvan die knoppe soos naeltjies lyk of ruik; i. Ndl. loop ben. soms deureen m. nagelkruid (spp. Geum, fam. Rosaceae).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nagel ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’ -> Negerhollands nagǝl ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’; Berbice-Nederlands nanggli ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’; Sranantongo nangra ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’; Aucaans nangaa ‘hoorn op laatste voet- en handkootjes’.

nagel ‘spijker’ -> Frans nable ‘stop om het gat in een sloep te dichten; gat in de sloep’; Pools nagiel ‘spijker’ (uit Nederlands of Duits); Russisch nágel' ‘houten pin, i.h.b. bij de scheepsbouw’; Oekraïens nágel' ‘houten pin, i.h.b. bij de scheepsbouw’ ; Azeri nagel ‘houten pin’ ; Litouws nagla ‘spijker’ (uit Nederlands of Duits); Soendanees nagĕl ‘spijker; drevel’; Sranantongo nagri, nangra ‘spijker’; Sarnami nakkhun ‘spijker’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

nagel. De oudste betekenis van nagel was 'hoorn op de laatste voet- en handkootjes van mensen of dieren'. Overdrachtelijk, vanwege de vormovereenkomst, werd het woord vervolgens gebruikt voor 'spijker'. Die betekenis kent het woord in het Nederlands al in de dertiende eeuw. In die betekenis is nagel uitgeleend aan andere talen, en wel als een maritieme term. In het Russisch wordt nagel' gebruikt voor een houten of ijzeren pin in de scheepsbouw. Het woord is voor het eerst in 1720 genoteerd, en dus geleend in de tijd van Peter de Grote.

In het Frans bestaat in de scheepvaart het woord nable voor 'een stop die het gat in een sloep (gemaakt om het water eruit te laten lopen) dichtmaakt' en voor 'stopgat in een sloep'. Het woord is in de zeventiende eeuw overgenomen, toen de Lage Landen op het gebied van de scheepsbouw toonaangevend waren. Het woord is een vervorming van het Nederlandse nagel. Het Frans kent eveneens sinds de zeventiende eeuw het woord gournable 'treknagel, sluitnagel'. Dit gaat waarschijnlijk terug op een Nederlands woord gordnagel, een samenstelling van gord 'scheepshuid' en nagel. Opvallend is wel dat de samenstelling gordnagel in het Nederlands niet is aangetroffen, hoewel hij natuurlijk goed denkbaar is, want zowel gord als nagel komen sinds lang in het Nederlands voor.

In het Sranantongo tot slot is het Nederlandse nagel overgenomen als nagri 'spijker'. Voor vinger- of teennagel gebruikt men nangra, een woord dat eveneens teruggaat op het Nederlandse nagel: het gebeurt vaker dat in het Sranantongo een -n- wordt ingevoegd, zo zijn mager en midden veranderd in mangri en mindri.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nagel* spijker 1240 [Bern.]

nagel* hoorn op laatste voet- en handkootjes 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

604. Zijn gat aan iemand (of iets) afvegen,

d.w.z. iemand of iets met de diepste minachting geringschatten, er volstrekt niet om geven. Dat gat hier de beteekenis heeft van aarsgat is duidelijk en blijkt bovendien uit het 17de-eeuwsche zijn fondement aan iets vegen; fr. s'en battre les fesses. Volgens Schuermans, Bijv. 119 b zegt men in Braband en elders ook iets aan zijn hemdslip, aan zijne pollevien of zijne versenen vègen; Teirl. 95: an iemand zijn ballen vagen; aan iemand of iets zijn ende vagen (Teirl. 403); 18de eeuw: zijn elleboog aan iets vegen.

In vele platte zegswijzen komt gat in deze beteekenis voor. De meest bekende zijn op zijn gat zitten (- liggen), eigenlijk van iemand, die onzacht neergevallen en nog niet opgestaan is; figuurlijk in toepassing op onstoffelijke zaken, inzonderheid bedrijven, takken van nijverheid, enz., die als 't ware ternederliggen, in kwijnenden toestand verkeeren, of wel op ondernemingen, die mislukt zijn en niet doorgezet worden (bij Schuermans 138 b en 832 b: de handel ligt op zijn vod (of zijn gat); fr. être à cul; hd. auf dem Arsche liegen; zie ook Teirl. 446; Antw. Idiot. 446; Winsch. 64; Halma, 149); vgl. Boekenoogen, 671; het Friesch: it ding of de merk sit op 't gat. - Iemand het gat (de kont of de hielen) likken, hem op walgelijke, lage wijze vleien en naar den mond praten; hem gatlikken (Halma, 150); syn. van iemand zijn naars uittikken (in Sjof. 169) of iemand de hielen likken (in Nkr. VII, 19 April, p. 2; IV, 22 Mei, p. 4; 10 April, p. 4); fr. baiser, lécher le cul à qqn; hd. einem den Hintern lecken, in den Hintern kriechenVgl. het Lat. lingere culum (Schrader, 294).; vandaar een gatlikker, lage vleier (o.a. Halma, 150; Kalv. I, 129) of kontlikker (in Mgdh. 140) naast een hielelikker (o.a. Kent. 40; 61); lik mijn gat (mij de maars), loop, stik! iemand achter het gat loopen (zuidndl. ook achter iemands sleppen loopen), hem altijd achterna loopen, hem overal gedienstig volgen, met minachting gezegd: iemand in het gat kruipen, hem op slaafsche, kruipende wijze vleien en dienen (bij Teirl. 447: gatkruipere; Schuermans, 832 b: iemand in zijne vot kruipen; zie ook Antw. Idiot. 446: iemand in zij(n) gat kruipen, hem moeten te voet vallen; en Halma, 149); iets aan zijn gat, broek, been hebben (Teirl. 108); iemand iets aan zijn gat, kont, broek, been zetten, lappen, draaien, smeren (hem) benadeelen door hem iets te duur te doen koopen of door hem een spel te doen verliezen; zie no. 18; Ndl. Wdb. III, 1468; Teirl. 447); iemand een voet onder het gat geven, hem een schop voor het achterste geven, t.w. om hem weg te jagen; figuurlijk hem wegjagen, de deur uitzetten (fr. donner du pied au cul à qqn.); iets voor het gat schoppen, - slaan, of lappen (Winsch. 65); ook iets een klap voor 't gat geven, het slordig, achteloos behandelen, het slordig en met overijling afwerken, afroffelen; zie Molema 519: tegen 't gad anschuppen en vgl. fr. fesser qqch.; geen nagel hebben om zijn gat te krabben (krappen, schrepen), doodarm zijn (Campen, 83: hy en heft niet een naghel den eers mede te clouwen; zie V. Lummel, 255; Harreb. I, 206; Ndl. Wdb. IX, 1492; Teirl. 447). Verder: zijn gat ergens indraaien, zich van een plaats meester maken; een goede betrekking krijgen; een rijke vrouw trouwen; je kunt er wel met je gat op naar Keulen rijden, in scherts, ter aanduiding eener hooge mate van botheid van een mes. Die zijn gat brandt, moet op de blaren zitten, die eene fout of misslag begaat, moet voor de gevolgen boeten (sedert de 17de eeuw bekend, o.a. Bred. I, 237). Zijn gat vol schulden hebben, met zijn gat in de schuld zitten, diep in schulden steken (ook Teirl. 447), waarvoor men ook zegt zijn huid of zijn bast vol schulden hebben; zijn gat vol zuipen, zich zat drinken, zich dronken drinken of bezuipen; vgl. Halma, 149: zijn gat vol zuipen, se souler, s'enivrer. Zie het Ndl. Wdb. IV, 343-344, waar deze en nog andere thans minder gebruikelijke zegswijzen zijn vermeld en verklaard. Voor soortgelijke uitdrukkingen in Zuid-Nederland zie o.a. Teirlinck i.v. bal, borze, broek, kloot en dergelijke.

1600. Dat (of Hij) is een nagel aan mijn doodkist,

d.w.z. die zaak of hij veroorzaakt mij zooveel smart, dat mijn dood er door wordt verhaast, draagt er toe bij dat ik eerder zal sterven. Vgl. Sart. III, 3, 12, waar naar aanleiding van het lat. occisionis ala wordt opgemerkt: mihi quidem non alienum, imo ipsissimum esse videtur, quod nostrates ferunt, het is een nagel van u doodt kist, quoties aliquid incommodi, ut venturae mortis velut alam quandam moveri sentiunt; Van Moerk. 564; Gew. Weeuw. II, 10; Huygens, Korenbl. II, 516; Klucht v. Oene, 15: Ik bin de spijker van je dootkist; Van Effen, Spect. IX, 32: Zo je Vader of Moeder hebt, doe hen om Gods wil het doodelyk hartzeer niet aan, dat my alle vreugd benomen heeft, en noch een nagel aan myne doodkist is; Sewel, 513; Halma, 369: Mijn zoon is mij een nagel aan mijne doodkist, mon fils me donne la mort; Tuinman I, 314; Harrebomée I, 144 a; Amst. 90; Mgdh. 95; Nkr. V, 19 Febr. p. 6; VII, 9 Aug. p. 2; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 2; Handelsblad (avondbl.), 26 Juni, p. 5 k. 5; Ndl. Wdb. IX, 1491; Amstelv. 40: Nu in het graf heb ik hem niet geholpen; ik heb alleen maar een paar nagels aan zijn doodkist geslagen; Joos, 114; Waasch Idiot. 454. Vgl. voor het Nederd.: dat wordt en spicker to min karst (Taalgids IV, 253); hd. das ist ein Nagel zu meinem Sarge; Horn, 104: dat 'sn Nagel to mine Dodskiste, redensart bei besonders starken Märschen; eng. that is a nail in my coffin; fri.: dat is in neil oan myn deakiste.

2123. Den spijker (of den nagel) op den kop (of het hoofd) slaan (of tikken),

d.w.z. de zaak juist treffen, juist zeggen waar het op aankomt, het juiste middel aangeven. In de 16de eeuw lezen we bij Campen, 122: ghy hebt den naegel lijck opt thoeft gheraeckt; bij Servilius, 11: ghi hebbet iuyst op zyn hooft gheraect; Sart. II, 1, 1: de spijcker op 't hooft slaen, scopum attingere; 5, 68: rem acu tetigisti, ghy hebt de nagel op 't hooft geslagen; Marnix, Byenc. 40 r: den spyker op 't hooft geslagen; Vondel, Rommelpot, str. 34: Marten, die het al gelooft, en de spijker raekt op 't hooft; Hooft, Brieven, 261; Ned. Hist. 123; Spaan, 168; Poirters, Mask. 166; Willem Leevend II, 229; V, 208; Haagsche reize, 190; Sewel, 745: Den spyker op 't hoofd slaan, to hit the nail on the head; to hit the mark; Adagia, 26: gy hebt den nagel op 't hooft geslaegen, rem acu tetigisti; enz. Zie Harrebomée I, 438 a; III, 265 b; 266 a; Afrik. hy slaat die spijker op die kop; Antw. Idiot. 1836: den nagel op den kop slagen, een doeltreffend antwoord geven; Joos, 105; Waasch Idiot. 364 en De Bo, 729 b. Vandaar ook op den kop (fri. op 'e kop ôf), in den zin van precies: een spijker moet net op den kop getroffen worden, wil hij ‘pakken’; Ndl. Wdb. XI, 246; Campen, 122: op den kop geraden; in het Overt. Praatje, 74: Sy raakt het effen op zijn kopje; Kluchtsp. 3, 230; zuidndl. op de kop, juist het getal, het bedrag (Teirl. II, 174; Antw. Idiot. 695); hd. den Nagel auf den Kopf treffen, vroeger ook den Keil auf den Kopf schlagenWander II, 1237; III, 863.; nederd. den Nagel up 'n Kopp drêpen (Eckart, 380); eng. to hit the nail on the head. In het Friesch: hy slacht de spiker op 'e kop.

2124. Hij slaat spijkers (of nagels) met koppen,

d.w.z. hij voert deugdelijke bewijsgronden aan of hij neemt afdoende maatregelen; spijkers met koppen immers houden lat of plank, waar ze in gedreven zijn, sterker, dan spijkers zonder koppen (Nav. XX, 264). De zegswijze komt in de 17de eeuw voor in de Klucht v.d. Pasquilmaecker, 21 (spijkers met hoofden slaan), en staat eveneens opgeteekend bij Tuinman I, 254: Men moet nagels met hoofden slaan, dat is, zaaken doen die vastigheid en klem hebben; nagels zonder hoofden hechten niet vast, en glippen door; Sewel, 745: Spykers met hoofden slaan, to speak to the purpose; in het Overt. Praatje, 52: Ik hoor dat hy soo al wat spykers slaat met hoofde, die niet door en glye. In V. Janus, 3, 326: Spijkers met koppen slaan; Harreb. I, 438; Krat. 102: Ik hou van spijkers met koppen; Falkl. VII, 68; De Arbeid, 5 Nov. 1913, p. 1 k. 1: De zeelieden waren het moe er nu nog langer over te kletsen en wilden spijkers met koppen slaan; Zoek. 132: We hebben niet lang neudig te proaten jonges, we mutten maar met de deure in huus vallen, spiekers met koppen sloan, heur; Afrik. spykers met koppe slaan; Waasch Idiot. 364: nagels met koppen slaan, doorslaande, treffend antwoorden; Antw. Idiot. 1836. Ook in het Nederd. Nagel mit Koppen maken, de partij door schriftelijke contracten verbinden (Eckart, 380; Taalgids V, 169); Ten Doornk. Koolm. III, 274: spikers mit koppen slân, eine haltbare und tüchtige arbeit liefern; in het Friesch: hy slacht spikers mei koppen.

Hosted by Meertens Instituut