Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nachtzwaluw - (vogelsoort)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Nachtzwaluw Caprimulgus europaeus Linnaeus 1758. Vooral ’s nachts actieve vogel, die men kennelijk op een Zwaluw vond lijken. Fries (lokaal) Nachtswel, Jûnsswel (fries jûn ‘avond’), vlaams Nachtzwalm [De Bo 1873/1892] en Nachtzwaalm [Joos 1900]. D Nachtschwalbe. E (Devon) Night-swallow.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De naam komt voor in Schlegel 1852, in hoofdletters (voor de betekenis hiervan zie Inleiding, sub Bronnen), maar wordt niet genoemd door Houttuyn 1763 of B&O 1822. Schlegel 1854 schrijft: “De Nachtzwaluwen, ook Dagslapers en gewoonlijk Geitenmelkers genoemd, zijn Zwaluw-vogels [onderstreping door mij], die eene nachtelijke levenswijze en zachte vederen hebben.” Het is frappant dat uitgerekend Schlegel met deze naam komt aanzetten, want hij wist al: “Vele nieuwere natuuronderzoekers scheiden de Nachtzwaluwen met de Gierzwaluwen van de Zwaluwen af, en brengen deze onder de Zangvogels, beide eerstgenoemden onder de Spechtvogels.” De kans is groot dat Schlegel zich, behalve door de systematiek van die tijd (deels nog die van Linnaeus 1758!), ook heeft laten leiden door de D naam Nachtschwalbe. Houttuyn 1763, NV 1770 en B&O 1822 gebruikten de naam Geitenmelker ↑, welke een vertaling is van Lat Caprimulgus. Houttuyn 1763 (p.615) noemt Dagslaap, meer als vertaling van D “Tag-Sclaeffer” [moest ws. zijn: Tag-Schlaefer]. Bij B&O 1822 is dit de naam van hun eerste keus geworden: “De Europische Dagslaap”. – Zie ook de volksnamen Dwaaske, Nachtratel, Vliegende Krodde, Vliegende Pad.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

NACHTZWALUWCaprimulgus europaeus
Duits Ziegenmelker
Engels Nightjar
Frans Engoulevent d’Europe
Fries Deislieper
Betekenis wetenschappelijke naam: Europese geitenmelker. “De wonderlijke volksnamen, overblijfsels van allerlei bijgeloof, waarmede deze vogel beschouwd werd en wordt, kunnen gemakkelijk worden verklaard door het geluid dat hij maakt, door zijn levenswijze en door den vreemdsoortigen vorm van de bek”, aldus Dr. P.G. Buekers in zijn boek ‘Onze Vogels’ (1902). Deze, zozeer tot de verbeelding van mensen sprekende vogel, is de Nachtzwalm (Vla), Jûnsswel (Fr) (Jûns = avond) of Nachtswe(a)l (Fr). Zoals het eerste deel van de naam aangeeft is het een echte nachtvogel. De vorm van de vleugels, de kop en de jachtwijze doen denken aan die van een zwaluw, hoewel hij niet tot de familie der zwaluwen behoort. Het enigszins uilachtige voorkomen en de geruisloze nachtelijke vlucht staan borg voor namen als Nachtuil, Nachtvalk, Nachtraaf, Zanduil en Nachtschaai (= nachtschaduw). Aan de manier waarop de vogel zich overdag, goed verborgen door de uitstekende schutkleur, tussen het afgevallen blad op de grond schuil houdt of ligt te slapen, dankt hij zijn volksnamen Deislieper, Dagslaap en Dagslaper (Gr). Soms ook ligt hij te slapen op een dikke boomtak, het lichaam lichtelijk zijdelings gedraaid. De namen Geitenmelker, Schapenmelker en Melkzuiger danken we aan het fantastische verhaal dat ooit door Plinius werd opgetekend. Het relaas komt erop neer dat men eertijds de mening was toegedaan dat de Nachtzwaluwen ‘s nachts de veestallen binnenvlogen om zich er te goed te doen aan de geitemelk die ze uit de uiers van die dieren zouden zuigen. Als gevolg hiervan zouden de uiers verdrogen en de geiten blind worden. Eigenlijk zou er moeten staan ‘de uier wordt blind’ (zo had Aristoteles het oorspronkelijk vermeld), wat betekent dat de uier opdroogt. In feite vloog de Nachtzwaluw op de insecten af die in de buurt van de uitwerpselen van de geiten voorkwamen. Kwam een geit droog te staan dan kreeg de vogel de schuld. Van de onjuiste gedachte dat de Snorvogel altijd met zijn besnorde bek wijd opengesperd rondvloog en op die manier insecten vergaarde, komt de naam Windslikker. Vergelijk de Franse naam: ‘slokop’. Ook de namen Mottenpakker en Peerheer (Wes) duiden op zijn jacht naar insecten. De laatste naam betekent ‘paardenherder’ en wijst er op dat hij in nabijheid van paarden voorkomt om vliegen te vangen. Verscheidene streeknamen staan in verband met het vreemde ratelende of snorrende geluid (als van kikkers in de verte) dat de vogels laten horen. Hiervan getuigen de namen Ratelaar, Nachtratel, (Boom)kikker, Paduil, Vliegende Pad (Lb), Paddenbek, Vliegend Spinnewiel, Ronker, Bruine Spinster, Podûle (Fr) en (Vliegende) Krodde (krodde = pad). De verwijzing naar kikkers en padden hangt vermoedelijk eveneens samen met de strompelende, kikkerachtige manier waarop de vogel zich, als hij overdag wordt opgeschrikt, verplaatst in plaats van weg te vliegen. Al met al is de Nachtzwaluw een merkwaardige vogel en zullen ook de volksnamen Dwaaske (NB) en Dwaasvogel (Lb) niemand nog verbazen. Misschien gaan deze namen terug op de oude betekenis van ‘spookverschijning’. Naar de betekenis van Nachtlam (Twe) en Meerlam (Gr) moeten we raden. Mogelijk dat ‘lam’ iets van doen heeft met het hierboven beschreven verhaal van Plinius.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut