Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nachtmerrie - (angstdroom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nachtmerrie zn. ‘angstdroom’
Mnl. nachte merien of onghehueren of beelwitten ‘nachtspoken of spookverschijningen of tovergeesten’ [1437; MNW-P], nachtmare ‘angstdroom’ in dromyng dat men nachtmaren noempt [1477; Teuth.], nachtmerry ‘scheldwoord voor een vrouw’ [1464; MNW], nachtmer [1495; Fuchs incubus]; vnnl. nachtmaere, nachtmerrie ‘nachtheks’ [1599; Kil.], swaere droomen ... diemen gemeynlijc de Maere oft Nacht merrie ... pleegt te noemen [1608; iWNT].
Samenstelling van → nacht en mnl. mare ‘nachtspook’ [1240; Bern.], zie → maretak. De nachtmare was een spookverschijning waarvan men meende dat zij mensen in de slaap kwelde door hun ademhaling te belemmeren. Het simplex mare raakte verouderd, waarna het tweede lid van nachtmare volksetymologisch werd geherinterpreteerd o.i.v.merrie.
Mnd. nachtmar; mhd. nahtmare (nhd. dial. nachtmahr); nfri. nachtmerje; me. nyghtemare (ne. nightmare). Bij het simplex mare horen: os. mare (mnd. mār, mare); ohd. mara (nhd. dial. Mahr); oe. mære; on. mara (nzw. mara); < pgm. *mara-, marō-.
Wrsch. verwant met Proto-Slavisch *mora ‘nachtelijke kwelgeest’ (Servisch en Kroatisch mòra, Tsjechisch můra), hoewel dit ook ontleend kan zijn aan het Germaans; en met het eerste lid in Oudiers mor-rígain ‘vrouwelijke spookverschijning’. Verdere etymologie onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nachtmerrie* [angstige droom] {nachtmare, nachtmer(i)e 1484} ook nachtmoeder!; het tweede lid is mare [nachtspook, kwelgeest], oudhoogduits, oudnoors mara, oudengels mare; buiten het germ. oudiers mór-, mor-rígain [nachtmerrie, koningin, demon van het slagveld], oudkerkslavisch mara [gemoedsaandoening], russisch mara [verlokking, visioen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

nachtmerrie

Een nachtmerrie is een benauwde droom waaruit men met een schok wakker wordt. Het tweede deel van de samenstelling heeft niets met een vrouwelijk paard te maken. Dat blijkt wel uit de oude vorm nachtmare. Het woord mare was in het Middelnederlands heel gewoon voor: boze geest, kwelduivel. In andere delen des lands zei men niet: mare, maar: mere of meer. En het is dit laatste woord dat de verwarring heeft veroorzaakt. Er bestond namelijk ook een woord: meer naast: merrie. Naarmate het woord mare in onbruik geraakte, kon het gemakkelijker vervangen worden door het bekende woord merrie, al ontstond daardoor een woord dat iedere zin mist.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maar 1, mare (verouderd) znw. v., ‘nachtelijke kwelgeest’. Zie: nachtmerrie.

nachtmerrie znw. v., mnl. nachtmerrië, nachtmērië, nachtmēre v. mogelijk met bijgedachte aan merrie uit een oudere vorm nachtmāre, vgl. Teuth. nachtsmare. — Het 2de lid is mnl. māre ‘nachtspook, nachtelijke kwelgeest’, mnd. māre, mar, ohd. mara (nhd. mahr), oe. mare v. (ne. nightmare), on. mara v. — osl. mora ‘heks’, oiers morrīgain ‘lamia’ eig. ‘elvenkoningin’ (onder invloed van mōr ‘groot’). — Men verbindt het woord gewoonlijk met de idg. wt. *mer- ‘stukwrijven; pakken, roven’, waarvoor zie: murw.

Indien Güntert, Kalypso 1919, 69 eerder aan verband met de groep van moord denkt, dan is dit formeel wel te verdedigen, daar de wt. *mer ‘sterven’ wel identiek zal zijn aan *mer ‘stukwrijven’; maar het is minder waarschijnlijk, dat de maar tot de ‘doodsdemonen’ zou moeten worden gerekend; eerder is het een kwel- of drukgeest, evenals de incubus. — Uit het germ, is nog fra. cauchemar ontleend, waarin het 1ste lid afkomstig is van lat. calcare ‘trappen, drukken’ (Valkhoff 87).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nachtmerrie znw., mnl. nachtmerrië, nachtmērië, nachtmēre v.; een oudere vorm is nachtmāre, Teuth. nachtsmare. ’t Tweede lid, mnl. māre “nachtspook, nachtelijke kwelgeest, nachtmerrie” (nog zuidndl.; nachtmaar ook N.-Brab.), is onder invloed van merrie vervormd. Dit māre = ohd. mara v. (nhd. mahr m.; mhd. ook naht-mare m. v.), mnd. mār(e) (m. v.? Ook nacht-mār), ags. mare v. (eng. night-mare), on. mara v. met gelijke bet. Aangezien de grondbet. van dit znw. zeer onzeker is, is geen van de voorgeslagen combinaties meer dan een vermoeden: men kan meren en lat. mora “oponthoud” vergelijken, ook de basis van murw (de oorspr. bet. was dan “drukker, stamper”), ook de basis (s)mer-, waarvan o.a. mijmeren komt en waarbij ook nog russ. mará “verzoeking, het zich inbeelden, visioen”, dial. ook “een soort kobold” gebracht is. Serv. mòra “nachtmerrie”, een algemeen slav. woord, is eer een ontl. uit ’t Germ., dan een oeridg. woord = ohd. mara enz. Zeer onzeker is ook de combinatie met ier. morrîgain “lamia, monstrum in feminae figura”. Met ’t oog op ohd. dala-masca enz. (zie masker) zouden wij ook aan germ. maz- kunnen denken. Dan zou slav. mora niet uit het Got. kunnen komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nachtmerrie. Güntert Kalypso 69 vlgg. vat de maren op als doodsdaemonen en brengt het germ. woord bij de onder moord besproken basis (die trouwens met die van murw identisch kan zijn). Niet te bewijzen noch te weerleggen. Wat ook het juiste uitgangspunt moge zijn, aan de verwantschap van ier. morrîgain (secundair môrrîgain naar môr ‘groot’) letterlijk ‘koningin van de boze daemonen’ behoeft niet te worden getwijfeld.
Uit het Germ. — wsch. het Mnl. — het tweede lid van fr. cauche-mar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nachtmerrie v., Mnl. id. en nachtmare, gelijk Eng. nightmare, door volksetymol. in verband gebracht met merrie; is echter samengesteld met *maar, Mnl. mare = nachtspook + Ohd. mara (Mhd. mar, Nhd. mahr), Ags. mare, On. mara (Zw. id.. De. mare) + Osl. mora = heks, Ru. mora =- spook, Osl. en Po. mara = visioen, Oier. mar- = heks. Ging over in ’t Rom. Fr. cauchemar (hier is het eerste lid van Lat. calcare = onder de voeten treden, drukken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2mare s.nw.
Kwelgees, nagspook.
Uit verouderde Ndl. mare (al Mnl.).
Vgl. NAGMERRIE.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nagmerrie s.nw.
1. Ontstellende droom. 2. Onaangename, spanningsvolle ervaring.
Uit Ndl. nachtmerrie (al Mnl.). 'n Ouer vorm van Ndl. nachtmerrie is nachtmare, met nachtmaar as dialektiese wisselvorm. Lg. is 'n samestelling van nacht en maar 'nagspook'. Hierdie maar is verwar met meer, 'n wisselvorm van merrie.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nachtmerrie is een volksetymologie voor: nachtmare, waarin ’t Mnl. mare bet. kwelgeest. Dit mare werd niet meer begrepen en in merrie veranderd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nachtmerrie ‘angstige droom’ -> Papiaments nagmèri, nakmèri ‘angstige droom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nachtmerrie* angstige droom 1484 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1598. Nachtmerrie.

Hieronder verstaat men een gevoel van drukking, dat een slapende benauwt en angstig doet droomen, en dat ontstaat door eene storing in de spijsverteringsorganenWoordenschat, 785; Van Beverwijck, Schat der Ongesonth. II, 68-70.. Oorspr. luidde de naam nachtmareVolgens Paul, Grundrisz der Germ. Philologie I, 10131 staat hoogstwaarschijnlijk dit mare (in Nachtmahr) in verband met het lat. mori, sterven. ‘Die Mare ist demnach von Haus aus eine Totenerscheinung, die einen Lebenden quält oder ihn selbst mit sich führt, wie es ja andere Totenerscheinungen ebenfalls oft tun. Den Tod führt sie aber dadurch herbei, dass sie sich auf den Menschen, während dieser schläft, setzt und ihn zu Tode tritt.’ E.H. Meyer in zijne Mythologie der Germanen (Straszburg, 1903) is van eene andere meening: ‘Trotz einer lautgesetzlichen Schwierigkeit wird das vielgestaltige Wort wohl auf althochdeutsches marren, hemmen, hindern, altnordisch merja, pressen, zurückgehen und die Presserin bedeuten’. Nog andere gissingen vindt men bij Franck - v. Wijk, 450 met de toevoeging: ‘aangezien de grondbet. van dit znw. zeer onzeker is, is geen van de voorgeslagen combinaties meer dan een vermoeden’. (eng. nightmare), waarmede men aanduidde ‘een bovennatuurlijk wezen (een alf, hd. alp), dat verondersteld werd den mensch vijandig gezind te zijn, en hem in het bijzonder kwelde door hem in den slaap te benauwen door zijne ademhaling te belemmeren; nachtspook, nachtgeest, nachtelijke kwelgeestMnl. Wdb. IV, 1167; Ndl. Wdb. IX, 1441; en vgl. Bilderdijk's dichterlijke beschrijving van dezen ‘ruiter zonder paard’ in zijn gedicht De Nachtmeer en de Dekbedden. Ook in het fr. cauchemar van mar en cauche, picard. voor chauche van ofr. chaucher, lat. calcare, treden op, drukken (Hatzfeld, 373).. Reeds in de middeleeuwen was het woord door volksetymologie gewijzigd tot nachtmerrie; vgl. o.a. Dodonaeus, 299: Die swaere droomen oft overvallinghen der dompen, die de herssenen pleghen te beswaeren, diemen ghemeynlijck de Maere oft Nachtmerrie pleegh te noemen. - Over de middelen om deze heks te verjagen (bijv. het op de borst plaatsen van een scherp mes met de punt naar boven of het zetten van de schoenen gekruist of met de opening naar het bed) vgl. men de belangrijke mededeelingen van A. de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 177-184; Volkskunde XIV, 1-4; Onze Volkstaal I, 216. In Zuid-Nederland is de naam maar het meest gewoon in de uitdr. van de maar bereden worden (of zijn), de nachtmerrie hebben (zie o.a. Teirl. 126; Antw. Idiot. 787). In de 17de eeuw in tegenstelling met merrie ook nachthengst en nachtruin.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut