Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nachtegaal - (zangvogel uit de lijsterfamilie (Luscinia megarhynchos))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nachtegaal zn. ‘zangvogel uit de lijsterfamilie (Luscinia megarhynchos)’
Mnl. nagtegale ‘nachtegaal’ [1240; Bern.], vnnl. nachtegale [1544; Paludanus].
Oude samenstelling uit → nacht en het Proto-Germaanse werkwoord *galan- ‘zingen’, zie → galm. Het woord betekende dus letterlijk ‘nachtzanger’. In het vroege voorjaar zingt de nachtegaal vooral wanneer het donker is.
Os. nahtigala; ohd. nahtagala (nhd. Nachtigall); oe. nihtegale (ne. nightingale); nfri. geal(e); < pgm. *nahti-galōn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nachtegaal* [zangvogel] {nachtegale, nachtegael 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits nahtigala, oudengels nihtegala, van nacht + een ww. dat ‘zingen’ betekent en in het middelnl. behouden is als galen [misbaar maken, aangaan], dus: in de nacht zingende vogel (vgl. galm, gillen1).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

nachtegaal

Het eerste lid van de samenstelling nachtegaal is wel duidelijk. De moeilijkheid schuilt in het tweede lid. Uit de Duitse vorm Nachtigall en de Engelse nightingale blijkt wel dat wij met een algemeen Germaans woord te maken hebben. In het Middelnederlands bestond een werkwoord galen in de betekenis: misbaar maken en het angselsaksische werkwoord galan betekende: roepen, zingen. Er is – hoe onvriendelijk het ook klinkt – verwantschap met het Nederlandse werkwoord gillen (Engels to yell) en men zou nachtegaal dus kunnen ‘vertalen’ als de vogel die ’s nachts rumoer maakt of poëtischer de nachtzangster. Een verwant woord is galm. In vroegere poëzie gebruikte men in plaats van nachtegaal gaarne het woord philomeel, omdat volgens een Griekse sage Philomela in een nachtegaal werd veranderd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nachtegaal znw. m., mnl. nachtegāle, nachtegael v.m., os. nahtigala, ohd. nahtigala (nhd. nachtigall), oe. nihtegale (ne. nightingale), betekent eig. ‘nachtzangster’. De naam is samengesteld uit nacht + een afl. van het germ. ww. galan ‘zingen’, waarvoor zie: galm en gillen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nachtegaal znw., mnl. nachtegāle, -gael v. m. = ohd. nahtigala (nhd. nachtigall), os. nahtigala, ags. nihtegale v. (eng. nightingale) “nachtegaal”. Letterlijk = “nachtzangster”, ’t Tweede lid bij germ. *ʒalanan “zingen”. Zie galm en gillen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nachtegaal m., Mnl. nachtegale, Os. nachtigala + Ohd. id. (Mhd. nahtegal, Nhd. nachtigall), Ags. nihtegale (Eng. nightingale) = nachtzangster; overal vr. uitgenomen in ’t Nndl. Het tweede lid *galô = zangster, is van denz. oorsprong als galm (z.d.w.) = zang, geluid.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Geal Officiële friese naam voor de Nachtegaal ↑ [Boersma 1972]. De friese naam is gelijk aan het tweede deel van N Nachtegaal. Eerder was het ook in het fries Nachtegeal [De Vries 1911; Suolahti 1909 spelt fries Nachtegael], maar ook De Vries 1911 meldt de verkorte vormen Geal, Geale en Gealtsje al. Helgolandfries Nâchtigal [De Vries].
Fries Gealtsje scheen ook wel (ws. bij wijze van erenaam) aan het Paapje gegeven te zijn [B&TS p.192], maar zie de opmerking hierover sub Blauwpaapje.

Nachtegaal Luscinia megarhynchos C L Brehm 1831. Een onaanzienlijke, kleine Lijsterachtige vogel, die echter een enorme stem heeft die hij overdag maar ook ’s nachts laat horen (in N vanaf half april tot nauwelijks nog ná de langste dag). Een uiterlijk maar weinig verschillende soort, de Noordse Nachtegaal ↑ trekt in ons land in zeer gering aantal door, broedt o.a. in Noordoost-Polen en Zuid-Zweden, en zingt ook zeer krachtig (en ’s nachts).
Daar waar men alleen de Noordse Nachtegaal als broedvogel binnen zijn grenzen heeft, geeft men uiteraard deze de korte, eenvoudige naam zonder toevoeging. Zo luidt de naam van de soort in Zweden Näktergal, terwijl onze Nachtegaal, die in Zweden bijzonder is, daar Sydnäktergal heet (precies omgekeerd dus als bij ons waar de Noordse Nachtegaal de bijzondere is).
In het noors en deens volgt men het ‘zweedse model’ (met Nattergal en Sørnattergal resp. Nattergal en Sydlig Nattergal). Litouws Lakštingala, lets Lakstīgala en fins Satakieli staan voor ‘Noordse Nachtegaal’, in die landen broedvogel.
ETYMOLOGIE N Nachtegaal Nachtegael [VK] Nachtegael, Nachtegale (JvM 4e kw. 13e eeuw), Nagtegale (Bern. c.1240) [VT]; D Nachtigall nahtegal(e) nahtagala; E Nightingale nyghtegale (Ranulph Higden (c.1330-1360) [Gurney]), nyghtgale (1483) nihtingale (midden 13e eeuw), nihtegale. Ongeveer gelijkaardige namen in scandinavische en baltische talen zijn mogelijk ontleend aan ohd nahtagala, nahtigala.
Gezien de betekenisverschillen van mnl galen ‘lawaai maken, misbaar maken’, ohd galan ‘zingen, bezweren, betoveren’, oudengels galan ‘zingen, roepen’ en oudnoords gala ‘zingen, schreeuwen, toverformules opzeggen’ (*ghel ‘roepen, schreeuwen’), is het niet heel vanzelfsprekend dat westgermaans *naχtagalôn ‘nachtzangster (vrouwelijk!)’ betekent. Mogelijk was er integendeel een ongunstige gevoelswaarde (vgl. ~N gillen) van dit woord. Maar of men de Nachtegaal ten tijde van de naamgeving nu mooi vond zingen of niet, een feit is dat de Nachtegaal zeer luid zingt en daardoor in het vogelkoor opvalt (wat ’s nachts, als de meeste andere Zangvogels stil worden, nog meer het geval is). Het element -gaal vinden we ook in de vogelnaam Steengal ↑ en in westfries en fries piepegaal, resp. pipegael ‘kruiwagen’, ws. vanwege het dikwijls snerpend piepen van het wiel van deze. Ook de N woorden galm (met m-suffix als in walm, helm en molm) en gillen en het E yell zijn verwant.
De in N/D nacht is volgens de regels voor de Germaanse Klankverschuiving (Klankwet nr.10) ontstaan uit een korte [o], zoals die staat in Lat nox. De Nachtegaal die zijn naam ontleent aan het (ook) ’s nachts zingen, geeft a.h.w. nocturnes.
Bij de officiële friese naam Geal is het element nacht kennelijk niet meer belangrijk gevonden; dit is min of meer terecht: ook overdag ‘galmt’ de soort er lustig op los. De Vries 1911 gaf nog wel Nachtegeal. De Vries 1928 vermeldt noordfries Nachdigal op Wiedingharde.

Poolsche Nachtegaal Benaming voor de Noordse Nachtegaal ↑ bij Calkoen 1903. Zie ook Russische Nachtegaal.
In Polen broeden zowel de Nachtegaal ↑ (zuid-westelijke helft) als de Noordse Nachtegaal (noordoostelijke helft).

Russische Nachtegaal Benaming bij Voous 1960 voor de Noordse Nachtegaal ↑. Evenals de naam Poolsche Nachtegaal ↑ bij Calkoen 1903 geven de adjectieven Russische en Poolsche de verspreiding van de soort (ten oosten van ons, en niet zozeer ten noorden!) beter weer.

Noordse Nachtegaal Luscinia luscinia (Linnaeus: Motacilla) 1758. Sterk op de Nachtegaal ↑ gelijkende Zangvogel, die zijn hoofdverspreidingsgebied ten noorden, maar vooral ten oosten van ons land heeft. De eerste wn. voor N dateert pas van 1968. De naam is dus vooral een boekennaam.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De naam komt voor bij Kist 1954, NAE 1958 en bij Van Dobben 1957; in de laatste onder toevoeging van “(Sprosser)” (p.34). Schlegel 1858 noemt de soort wel (maar niet voor N, en zonder N naam) en zegt: “de Sprosser der Duitschers.” Buekers 1903 noemt ook alleen D Sprosser, Calkoen 1903 Sprosser of Poolsche Nachtegaal ↑.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

NACHTEGAALLuscinia megarhynchos
Duits Nachtigall
Engels Nightingale
Frans Rossignol philomèle
Fries Geal
Betekenis wetenschappelijke naam: van Luscinia onbekend; (mogelijk: in de avond zingend); megarhynchos = grote snavel (mischien duidend op de welluidende zang). “Koning der Europese zangvogels” noemt Jac. P. Thijsse hem; en dat is nog maar één van de vele superlatieven voor deze zanger. De naam van de vogel vindt zijn oorsprong in het feit dat hij in tegenstelling tot andere zangvogels ook ‘s avonds en in de voornacht z’n welluidende zang laat weerklinken. Het element ‘gaal’ alsmede de Friese naam zijn afgeleid van het Germaanse galan, dat ‘(galmend) zingen’ betekent. De opmerkelijke (nachtelijke) zang zorgde ook in de regio voor overeenkomstige namen: Nachtegale (Ach), Nachtegoal (Maa, Old), Achtergaal(tje) (Lij), Gealtsje (Fr) en Oamndzinger (Ens) = ‘avondzanger’. Filomeel is een dichterlijke benaming voor de Nachtegaal en kan omschreven worden als ‘zangliefhebber’ of ‘mooi-zinger’. De naam is ontleend aan de Atheense koningsdochter Philomela die door haar zwager Tereus, koning van Thracië, werd onteerd. Na zijn daad sneed Tereus haar de tong uit om te voorkomen dat zij van zijn schanddaad zou vertellen. Maar oppergod Zeus veranderde haar in een Nachtegaal. Zo kon Philomela tenminste nog mooi zingen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nachtegaal = nachtzanger. Zie Galm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nagtegaal s.nw.
Europese sangvoël
Uit Ndl. nachtegaal (al Mnl.), 'n samestelling van nacht en 'n nie meer bekende -gaal wat teruggaan op die Germ. ww. galan 'sing', en wat nog voorkom in o.a. galm en gil. Die voël word so genoem omdat hy veral in die aand en voornag pragtig sing.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nagtegaal: voëls. (vlgs. Thun by Scho PD 41 Oenanthe pileata; die Eur. soorte is spp. Luscinia); Ndl. nachtegaal (Mnl. nachtegael/nachtegale), Hd. nachtigall, Eng. nightingale, ss. uit nag en Germ. ww. galan, “sing”, verb. met o.a. galm en gil; hoort dié voël by koggelaar en skaapwagtertjie?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nachtegaal ‘zangvogel’ -> Fries nachtegaal ‘zangvogel’; Zweeds näktergal ‘zangvogel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nachtegaal* zangvogel 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut