Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nachtbraken - (de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nacht zn. ‘tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst’
Onl. naht ‘nacht’ in naht nahti tund wistnom ‘de nacht toont kennis aan de nacht’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. al dise nach[t] ‘de hele nacht door’ [1201-25; CG II], snachts ‘in de nacht, 's nachts’ [1266-68; CG I], binnen vierthiene nachten ‘binnen veertien dagen’ [1277; CG I].
Os. naht (mnd. nacht); ohd. naht (nhd. Nacht); ofri. nacht (nfri. nacht); oe. næht (ne. night); on. nátt, nótt (nzw. natt); got. nahts; alle ‘nacht’, < pgm. *nah(w)t-. Een vrouwelijk woord dat in de genitief in het Nederlands een mannelijke uitgang -s heeft naar analogie van daghes ‘dag’: reeds onl. dages inde nahtes ‘dag en nacht’ [10e eeuw; W.Ps.].
Verwant met: Latijn nox (genitief noctis); Grieks núks (genitief nuktós); Sanskrit nákt-; Litouws naktìs; Oudkerkslavisch noštĭ (Russisch noč'); Oudiers -nocht, Welsh nos; Albanees natë; alle ‘nacht’; Hittitisch nekuz ‘'s avonds’; Tochaars A/B nktim/nekcīye ‘'s nachts’; < pie. *nokw-t- (IEW 762). Bij de nultrap *nkw-t- hoort → ochtend.
nachtbraken ww. ‘tot laat in de nacht doorwerken of uitgaan’. Vnnl. nacht-braecke ‘nachtwerk’, nacht-braecken ‘in de nacht doorwerken’ [beide 1599; Kil.]. Samenstelling van nacht en mnl. braken ‘'s nachts doorgaan’, zoals in die slapen toter noen ende die nachts waken ende braken ‘(zij,) die tot de middag slapen en 's nachts opblijven en doorgaan’ [1400-50; MNW braken]. Dit werkwoord braken is wrsch. verwant met → breken, maar de aard van die verwantschap is onduidelijk. Misschien is het hetzelfde woord, met rijmaanpassing van de klinker onder invloed van → waken, waarmee het in deze betekenis vaak werd gecombineerd. Mogelijk is het ontstaan uit overdrachtelijk gebruik van de sterke verleden tijd van breken, bijv. in mnl. *wi braken die nacht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nachtbraken* [de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen] {1599} van nacht + middelnederlands braken [in de nacht bezig zijn], vgl. waken ende braken [nachtbraken].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

nachtbraken

In vroeger tijd had het werkwoord nachtbraken geenszins een ongunstige betekenis. Men verstond er onder: de nacht wakende doorbrengen, in het bijzonder doelend op hen die ’s nachts studeren. Het tweede deel van de samenstelling staat tot het werkwoord breken als spraak staat tot spreken. Breken nu betekent: verbreken, bezig zijn, werken. Wij kennen die betekenis in woorden als: afbreken en: inbreken, alsmede in: radbraken en: vlas braken. Van later tijd is de betekenis: ’s nachts baldadigheid bedrijven, nachtelijke feesten vieren, dronken ronddolen. De overgang wordt verklaard uit een betekenis die braken óók heeft, namelijk: overgeven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nachtbraken ww., sedert ouder-nnl. Kiliaen vertaalt door lucubrare ‘in de nacht doorwerken’, waarnaast nachtbraecke, dus eig. ‘het breken van de nacht’. Het woord kan ook samengesteld zijn uit nacht + braken (FW 450 herinnert aan de uitdr. waken ende braken).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nachtbraken ww., sedert het oudere Nnl. Bij Kil. met “lucubrare” vertaald. Of van Kil. nachtbraecke “lucubratio” (nacht + braak I) òf - waarschijnlijker - uit nacht en braken, ’t laatste met de oude bet. “des nachts bezig zijn” (vooral in waken ende braken).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nachtbraken ono.w., zich door ’t lange waken de ledematen als ’t ware breken; z. braken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nachtbraken* de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut