Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nabob - (oorspr. Indische onderkoning, bestuursambtenaar)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nabob [oorspr. Indische onderkoning, bestuursambtenaar] {1631} < portugees nababo < engels nabob < hindi navāb, navvāb < arabisch nuwwāb, een mv.-vorm waarvan het gebruik is te vergelijken met de pluralis majestatis, enk. nāʼib [vertegenwoordiger], act. deelw. van nāba [hij vertegenwoordigde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nabob znw. m. < ne. nabob ‘naam voor een hooggeplaatst Engelsman in Voor-Indië’ < arab. mv. nuwwāb van enk. arab. nā’ib ‘plaatsvervanger, regent’ (die in het Mohammedaanse Voor-Indië gewoonlijk een grote rijkdom verwierven’ (Lokotsch Nr. 1542).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nabob znw., vroeger ook nabab, ospr. “hooge ambtenaar, onderkoning in het rijk van den grooten Mogol”, uit den arab. mv.-vorm nuwwâb via ’t Port. in de West-Europ. talen ontleend. In de overdr. bet. van nu bij ons en in ’t Du. naar eng. Nabob.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nabob: onderkoning v. ryk v. Groot Mogol; Ind. “miljoenêr”; Ndl. nabob (vroeër ook nabab) sedert 17e eeu, Eng. nabob/nawab (1612), Fr. nabab, Port. en Sp. nababo, uit Arab. nā’ib (mv. nuwwāb), “plaasvervanger”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nabob (Engels nabob)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Nabob, min of meer spottende uitdrukking voor iemand, die in Indië rijk geworden is, of die in ’t algemeen opvallend weelderig leeft. Het woord is een verbastering van het Arab. nawwâb, d, i. stadhouder, vorst, hoogadellijke titel.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Nabob
Een woord, dat uit de Engelsche Oost gekomen is.
Het is noewâb (نُوَّاب), meervoud van het Arab. nâib (ناﺌﺐ), eigenlijk plaatsvervanger, van daar onderkoning, regent, prins. Daar deze in Indië gewoonlijk zeer rijk zijn, zoo wordt spottenderwijze ieder Engelschman, die in de Oost hooge posten bekleed of door den handel een aanzienlijk vermogen verkregen heeft, een nabob genoemd. Het woord is zonderling verknoeid en de Franschen zeggen iets beter nabab; maar ook dit is een meervoud, terwijl er een enkelvoud vereischt wordt. Er zijn echter verscheidene andere voorbeelden van Arab. woorden, die, bij ’t overgaan in eene andere taal, den vorm van ’t meervoud in plaats van dien van ’t enkelvoud hebben; zoo wordt a’jân (اعيان), meervoud van ’ain, notabelen, in het Turksch gebruikt als een enkelvoud om een overheidspersoon aan te duiden, wiens werkkring veel op dien van onze burgemeesters gelijkt; in ‘t Spaansch zijn alcor (heuvel), foluz (obolus) enz. enkelvoud, terwijl het toch de vorm van ’t meervoud is, en dergelijke vergissingen zijn, als men woorden uit eene taal overneemt, die men weinig of niet kent, zeer verklaarbaar. Onze woorden cherubijn, serafijn, taggerijn zijn ook meervoudvormen; zie boven onder Cherub.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1596. Een nabob.

Volgens Dozy, Oosterlingen, 69 is dit ‘een woord, dat uit de Engelsche Oost gekomen is. Het is nuwwâb, meervoud van het Arab. nâib, eigenlijk plaatsvervanger, vandaar onderkoning, regent, prins. Daar deze in Indië gewoonlijk zeer rijk zijn, zoo wordt spottenderwijs ieder Engelschman, die in de Oost hooge posten bekleed of door den handel een aanzienlijk vermogen verkregen heeft, een nabob genoemd. Het woord is zonderling verknoeid en de Franschen zeggen iets beter nabab.’ Vgl. hd. ein Nabob; eng. a nabob.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut