Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naamwoordelijk gezegde - (spreekwoordelijke uitdrukking; predicaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gezegde zn. ‘spreekwoordelijke uitdrukking; predicaat’
Vnnl. gezegden (mv.) ‘dat wat iemand zegt’ in staaf uwe gezegden door bewijsgronden [1584; WNT Supp. apodictisch]; nnl. gezegde ‘spreekwoordelijke uitdrukking’ [1785; WNT], ‘wat van het onderwerp van de zin gezegd wordt’ [1814; Le Loux-Schuringa 1985], ‘aanvulling op het onderwerp in een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde’ [1852; id.]. In deze laatste betekenis eerder al vnnl. ghezeg [1614; WNT gezag].
Zelfstandig gebruik van het verl.deelw. van → zeggen. In de grammaticale betekenis een leenvertaling van Latijn praedicātus, zie → predicaat, letterlijk ‘wat gezegd wordt’, namelijk over het onderwerp van de zin.
De termen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde zijn pas opgekomen in de 19e eeuw, met de ontwikkeling van de redekundige ontleding. In de klassieke woordgrammatica werden de zinsverhoudingen niet beschouwd, zie → grammatica.
Lit.: J.A. Le Loux-Schuringa (1985), ‘Samenhangrelaties in de 19e-eeuwse zinsgrammatica’, in: H. Klifman, J. Noordegraaf, E. Ruijsendaal (red.), Geschiedenis van de Taalkunde, Dordrecht, deel 2

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut