Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naamwoord - (woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt (nomen))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naamwoord zn. ‘woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt (nomen)’
Vnnl. namelyk woord [1568; Radermacher], naem [1571; Heyns], naem-woort [1625; Van Heule].
Leenvertaling van Latijn nōmen ‘naam; naamwoord’, waarvan de taalkundige betekenis is overgenomen van Grieks ónoma ‘naam; naamwoord’. Deze beide woorden zijn verwant met → naam.
Nōmen (Grieks ónoma) en verbum (Grieks rhẽma) zijn in de klassieke filosofie woorden, die in verbinding met elkaar een mededeling vormen: als subject (waarin het nomen centraal staat, zie → onderwerp) en predicaat (waarin het verbum het centrum vormt, zie → gezegde en → predicaat). In de klassieke woordgrammatica werden nomen en verbum en andere woordtypen via een kenmerkenbeschrijving vastgelegd als woordsoorten die een eigen rol spelen in de zin.
De oude vertaling naam is nog te vinden in de samenstellingen eigennaam, soortnaam en → naamval. Door het toegevoegde tweede lid → woord werd de aanduiding duidelijker als technische term geplaatst, vergelijk → lidwoord, → werkwoord enz.
Naamwoorden worden onderscheiden in zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. Een zuiver grammaticaal onderscheid, berustend op verschil in grammaticale kenmerken, werd pas in renaissancegrammatica's algemeen. Bij de klassieke auteurs werd het onderscheid gestuurd door de logica. Zie ook → voornaamwoord.
bijvoeglijk naamwoord ‘adjectief’. Vnnl. byvoeghlycke naam [1584; Twe-spraack], byvouglic naemwoort [1625; Van Heule]. Leenvertaling van Neolatijn nomen adjectivum, letterlijk ‘toegevoegd naamwoord’, met als tweede lid een afleiding van klassiek Latijn adiectus, verl.deelw. van adicere ‘toevoegen’, oorspr. ‘werpen naar, richten op’ en gevormd uit → ad- en iacere ‘werpen’, zie → jet. Het achtervoegsel -īvus (onzijdig -īvum) was productief bij het vormen van technische termen uit werkwoorden. Zelf is nomen adjectivum weer een leenvertaling van Grieks ónoma epítheton ‘bijgezet woord’. Als wetenschappelijke en internationale term bestaat daarnaast het leenwoord adjectief. ♦ zelfstandig naamwoord ‘substantief’. Vnnl. namelyk woord [1568; Radermacher], zelfstandighe naam [1584; Twe-spraack], selfstandige of rechte naam [1624; De Hubert], zelfstandig naemwoort en woort [1625; Van Heule]. Leenvertaling (zie → zelfstandig) van Neolatijn nomen substantivum, letterlijk ‘wezenlijk naamwoord’, met als tweede lid een afleiding van klassiek Latijn substantia ‘aard, wezen; het bestaan’, afleiding van substāre ‘blijven, aanwezig zijn’, gevormd uit → sub- en stāre ‘staan’, verwant met → staan. Als wetenschappelijke en internationale term bestaat daarnaast het leenwoord substantief (vnnl. substantif [1571; Heyns]).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naamwoord ‘woord dat een persoon of zaak noemt’ -> Oost-Jiddisch nomenwort ‘zelfstandig naamwoord’; Japans meishi ‘zelfstandig naamwoord, lett. naamwoord’; Chinees mingci ‘zelfstandig naamwoord’ ; Koreaans myôngsa ‘zelfstandig naamwoord’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut