Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naam - (woord ter aanduiding van een specifieke persoon of zaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naam zn. ‘woord ter aanduiding van een specifieke persoon of zaak’
Onl. namo ‘naam’ in si namo sin geuuigit an uueroldi ‘zijn naam zij gezegend in eeuwigheid’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. name, ook ‘roem, reputatie’ in uan bosen name ‘met een slechte reputatie’ [1240; Bern.], in godes name ‘in naam van God’ [1265-70; CG II], mijn name was geuestt ‘mijn roem was gevestigd’ [1265-70; CG II], met namen ‘uitdrukkelijk’ [1290; CG I], naem [1276-1300; VMNW].
Os. namo (mnd. name); ohd. namo (nhd. Name); ofri. nama (nfri. namme); oe. nama, noma (ne. name); on. nafn (nzw. namn, nde. navn); got. namo; alle ‘naam’, < pgm. *nama-.
Verwant met: Latijn nōmen; Grieks ónoma, Dorisch ónuma (waarbij nnl. -oniem zoals in → anoniem, → homoniem, → synoniem); Sanskrit nā́man-; Oudpruisisch emnes; Oudkerkslavisch imę (Russisch ímja); Oudiers ainm; Armeens anun; Hittitisch lāman; Tochaars A/B ñem/ñom; < pie. *h3néh3-mn, genitief h3nh3-mén-s (IEW 321). Zie ook → noemen.
Lit.: R.S.P. Beekes (1989), ‘The PIE words for “name” and “me”’, in: Die Sprache 33, 1-12, hier 1-6

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naam* [woord waarmee iem. of iets wordt aangeduid] {name 1236} oudsaksisch, oudhoogduits, gotisch namo, oudfries, oudengels noma, oudnoors nafn; buiten het germ. latijn nomen, grieks onoma, oudkerkslavisch imę, oudiers ainm, welsh enw, oudindisch nāman-; behoort bij noemen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naam znw. m., mnl. nāme m., onfrank. ohd. namo (nhd. name), os. namo, ofri. oe. noma (ne. name) m., on. nafn o., got. namo o. — idg. grondvorm *nō̆men, nomṇ vgl. lat. nōmen, oi. nāma, daarnaast *nemṇ in toch. A ñem en *ṇmṇ in oiers ainm; verder een vollere vorm *enomṇ in gr. ónoma (< *enomṇ), opr. emnes (< *enmen) (IEW 321). — Zie: noemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naam znw., mnl. nāme m. = onfr. ohd. namo (nhd. name), os. namo, ofri. ags. noma m. (eng. name) “naam”. Got. namo, on. nafn, o. “id.” hebben het oudere onz. geslacht bewaard. Een idg. ablautende n-stam: de oudst reconstrueerbare stamvorm is *e/onō̆men-. Uit andere talen: ier. ainm, lat. nômen, gr. ónoma (ouder wellicht énuma, in lakon. Enumakratídas; o < s? oorspr. flexie énuma, onúmatos?) obg. imę, opr. emmens, alb. emεn, arm. anun, oi. nā́man- “naam”. Voor den ablaut vgl. naaf. Hierbij noemen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naam m., Mnl. name, Onfra. en Os. namo + Ohd. id. (Mhd. name, Nhd. name), Ags. nama (Eng. name), Ofri. noma, On. nafn (Zw. namn, De. navnGerm. mn = Skand. fn), Go. namo + Skr. en Zend nāma, Arm. anum, Gr. ó-noma, Lat. nomen, Osl. imȩ, Oier. ainm: Idg. *nŏmen- (Skr., Zd. en Lat. wijzen op Idg. nōmen-, gelijk ook noemen: z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

naom (zn.) naam; Aajdnederlands namo <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naam s.nw.
1. Woord om 'n persoon, saak of kategorie aan te dui. 2. Aansien, bekendheid, roem of reputasie.
Uit Ndl. naam (Mnl. name).
D. Name, Eng. name, Goties namo, Grieks onoma, Latyn nomen, Sweeds namn.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Gods naam ijdel gebruiken, Gods naam zinloos, onterecht gebruiken, ofwel: vloeken.
Een naam, bepaalde woorden e.d. ijdel gebruiken, iets zonder reden zeggen of noemen; valselijk, leugenachtig, onwaar over iets of iemand spreken.

Deze uitdrukking gaat terug op een van de Tien Geboden; Exodus 20:7, 'Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt' (NBG-vertaling). Deze woorden worden nog steeds in hun oorspronkelijke vorm gebruikt, met als betekenis 'vloeken', maar ze worden ook toegepast op andere zaken. De NBV heeft de formulering aangepast aan het hedendaags Nederlands: 'Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan'.

Statenvertaling (1637), Exodus 20:7. Ghy en sult den name des HEEREN uwes Godts niet ydelick gebruyken. (IJdel komt in de door ons bekeken vertalingen voor het eerst voor in de vertaling van Obbink en Brouwer, 1934.)
'Ik gebruik Zijn Naam ijdel en ik heb er alle reden toe!' schreeuwde de grijsaard verscheidene malen, nadat hij [...] had [...] geconstateerd dat zijn duitjes [...] verdwenen waren. (R. Campert, Het leven is vurrukkulluk, 1967 (1961), p. 82)
Het moge duidelijk zijn: burgemeester Plomp laat de naam van zijn gemeente [Staphorst] niet ijdel gebruiken. Door niemand. (Meppeler Courant, sept. 1994)
En liefde scheen haar het Woord te zijn dat niet ijdellijk mocht gebruikt worden: als zij het woord god uitsprak betekende dat niet hemel en aarde, want men moest de lichamelijke genoegens ontvluchten en vertwijfelend vechten tegen allerlei demonen... maar als zij het woord liefde uitsprak dan betekende dat Alles, dan was dat het toverwoord waarmee hemel en aarde aan elkander verbonden werd. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 94-95)
'De geesten der gestorvenen zijn nog onder ons, meneer Feng,' vermaande de rechter hem, 'gebruik hun naam niet ijdel.' (R. van Gulik, Het rode paviljoen, 1990 (1961), p. 134)

Naam maken, bekendheid en roem verwerven, een bepaalde reputatie krijgen.

Of naam maken aan de bijbel is ontleend, blijft onzeker. Naam is immers een algemeen bekend beeld voor 'bekendheid, roem'. Er staat gewoonlijk een object bij: iemand anders een naam maken, zichzelf een naam maken. Vergelijk 2 Samuël 7:23, 'En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, het enige volk op aarde, dat God Zich tot een volk ging vrijkopen, om Zich een naam te maken' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'om voor zichzelf een naam te vestigen'), en 1 Kronieken 17:8, 'Ook zal Ik u een naam maken gelijk die van de groten der aarde' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'ik heb je naam gevestigd'). Dat object uit de oudere vertalingen ontbreekt in hedendaags gebruik, evenals het onbepaald lidwoord.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Kronieken 17:8. [...] ende hebbe v eenen name ghemaect als dye groote opter aerden namen hebben.
In de Kempen, in de Peel, boven de grote rivieren en overal langs de route naar Sleeswijk-Holstein hadden zij naam gemaakt om hun degelijke waar. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 21)
Jean-Luc Dehaene heeft naam gemaakt als bouwer van kompromissen. (De Standaard, dec. 1995)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

naam. De eedformule bij de heilige naam van God werd zeer vaak ijdel gebruikt of verbasterd. De formule zelf schijnt een vertaling te zijn van par le sacré Nom of par le nom de Dieu. → godsnaam, hemel, Jezus, vrede.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Naam (Os. namo); het Idg. woord was vermoedelijk nomen (als ’t Lat.), dat men voor een afl. houdt van den Idg. wt. gno (met bijvormen gne en gen), waarmee ons kennen verwant is. Naam zou dus zijn: kenteeken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naam ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid’ -> Indonesisch nama; (Bahasa Prokem) nokam ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid’; Kupang-Maleis nama ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid; reputatie’; Creools-Portugees (Batavia) naam ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid’; Negerhollands naam, nām ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid; heten’; Berbice-Nederlands nam ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid’; Sarnami nám ‘woord waarmee iemand of iets wordt aangeduid’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Nee, we noemen geen namen [liedregel] (1963). De cabaretiers Seth Gaaikema (1939-2014) en Wim Kan (1911-1983) schrijven voor Kans oudejaarsconference in 1963 het lied ‘Nee, we noemen geen namen’. De titel wordt een gangbare uitdrukking.
namen en rugnummers [uitdrukking] (1958). Sportverslaggever Barend Barendse (1907-1981) krijgt op 23 mei 1958 tijdens een wielerreportage van de regie te horen dat er iemand is gevallen. Hij zegt daarop “Aan namen heb ik niks, rugnummers moet ik hebben”, waardoor de verbinding namen en rugnummers spreekwoordelijk wordt. Overigens ging het niet om een gevallen wielrenner, maar om de Franse premier: het kabinet was gevallen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naam* woord waarmee iem. of iets wordt aangeduid 1236 [CG I1, 24]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1142. Het kind bij zijn (rechten of waren) naam noemen,

d.w.z. de dingen noemen met hun waren naam, zonder er doekjes om te winden, onverbloemd; de zaak zeggen, zooals ze inderdaad is; Harreb. I, 136; Nest, 5: Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen t' is één moers kind. Vgl. het hd. das Kind beim rechten Namen nennen (18de eeuwZeitschr. f. D. Wortf. IX, 294.); het fr. appeler un chat un chat; ital. chiamare la gatta gatta en het eng. to call a spade a spade or a pikestaff a pikestaff. In Zuid-Nederland het kind moet 'nen naam hebben (Antw. Idiot. 650; Teirl. II, 133; Claes, 110; Waasch Idiot. 341 b), men verbergt de ware oorzaak, men komt met een uitvlucht voor den dag; in Noord-Nederland: men moet, hoe dan ook, de zaak aanduiden; het kind eenen naam geven, eene kale verschooning bijbrengen (Schuerm. Bijv. 160 b; Rutten, 112 a en Joos, 112), in welken zin deze zegswijze ook bij ons bekend is; Afrik. die kind by sy naam noem. Vgl. ook de zegswijze als 't kind maar een naam heeft, fri. as 't bern mar in namme het, gebezigd om te kennen te geven, dat het er weinig op aankomt hoe iets heet, als de bedoeling maar duidelijk is; Tuinman II, 73; Harreb. I, 404: Het kind moet eenen naam hebben, al heette het dan ook Roeltje, d.w.z. men moet, hoe dan ook, de zaak aanduiden. In de 17de eeuw het kind eenen naem geven, precies zeggen waar 't op staat, nauwkeurig iets bepalen, bijv. het loon voor een bepaalden arbeid; vgl. Vierl. 57; 220; 309: (Een) iegelijcken wacht hem ijet te doenne hij en weet waervoren ende dat het kint eenen naem gegeven worde.

1588. Iemand te na gaan (komen of spreken),

d.w.z. iemand beleedigen, krenken; vooral in de uitdr. ‘iemands eer, kroon, goeden naam te na gaan, afbreuk doen, raken, kwetsen, beleedigen’; mnl. enen te na (of te naer) gaen, te zeer in de nabijheid komen van iemand, hem met een vijandelijk doel naderen (Mnl. Wdb. II, 879) en enen naer gaen, iemand kwellen, waarvan het mnl. adj. nagingel, kwetsend, beleedigend; synoniem was enen sere naken, op iemand aandringen, hem te lijf gaan. Vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 509: Ay spreeck zoo reuckloos niet: dat gaet mijn eer, mijn kroon, ja Venus kroon te na; Halma, 365: Iemand te na komen, iemand beleedigen of in zijne eere raaken, offenser, choquer ou affronter quelqu'un. Zie De Bo, 725 a, waar enkele plaatsen uit de 16de eeuw van te naer gaen (- komen) vermeld worden; Rutten, 150; Waasch Idiot. 452 a; Antw. Idiot. 1911; Villiers, 84. In Kl. Brab. kent men alleen iemand te naar komen, hem krenken. In 't fri. immen (of eat) to nei kommen; hd. jem. zu nahe kommen.

1595. Een goede naam is beter dan olie.

Deze spreuk is ontleend aan Pred. VII, 1: Beter is een goede name dan goede olie. Zie Ndl. Wdb. IX, 1368, alwaar een plaats uit de 17de eeuw wordt aangehaald en vgl. verder Jord. 65: Annemie van Ariestront-an-'t-sweepie.... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg; Harreb. II. 113, waar als variant wordt opgegeven: een goede naam is beter dan geld (of een zilverkraam); Wander III, 872-873.

2483. Die den naam heeft van vroeg op te staan, komt nooit te laat,

d.w.z. wie den naam heeft van deugdzaam te zijn, kan wel eens iets verkeerds doen, zonder dat er iets van gezegd wordt. De zegswijze dateert uit de 17de eeuw, blijkens Idinau, 224:

 Die den naem heeft, van vroegh op te staen,
 Men seght, die magh wel langhe slapen,
 Want al sou hy hem oock somtijdts misgaen,
 Men sal sijn faute niet licht be-trapen.
 Die neerstich gaet, kan oock wat mede op-rapen.

Codde, Bedr. Schaakers, 4: Als gy de naam van vroeg opstaan hebt, zoo weetje wel datje wel lang slapen meugt; De Brune, 343:

 Die naem heeft van vroegh op te staen,
 Magh vry wel slaepen on-belaen.
 Die heeft den naem van goed te wezen,
 Al doet hy quaed, hy wert gheprezen.

V. Loon, 71: Die de naem van vroegh opstaen heeft, mach wel lang blijven leggen; Tuinman I, 173; Harreb. I, 34: Die den naam van vroeg opstaan heeft, mag wel lang slapen (of te bed liggen, ook wel slaapt zelden te lang); Nw. School VII, 371: Alles moet vergoelijkt, alles moet gladgestreken worden. Q. heeft nu eenmaal den naam van vroeg-opstaan en al had de man nu den heelen dag onder de dekens doorgebracht, de hr. S. zou door dik en dun volhouden, dat hij hem vóór dag en dauw aan 't werk had gezien. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1944: die den naam heeft van vruug op te staan, mag lank slapen; Waasch Idiot. 725; fri. dy de namme het fen ier opstean, kin nea to lang sliepe; fr. a beau se lever tard, qui a bruit de se lever matin.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut