Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naald - (naaistift; naaldvormig voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naald zn. ‘naaistift; naaldvormig voorwerp’
Onl. als eerste lid in Nadelwich ‘Naaldwijk (Zuid-Holland)’ [1156, kopie begin 13e eeuw; Künzel], Naltwic ‘id.’ [1198; Künzel]; mnl. nalde ‘naald’ [1240; Bern.], naelde in eere naelden oghen ‘het oog van een naald’ [1285; CG II].
Os. nāthla (mnd. nālde); ohd. nādala, nālda (nhd. Nadel); ofri. nēdle, nēlde (nfri. niddel); oe. nǣdl (ne. needle); on. nál (nzw. nål); got. nēþla; < pgm. *nēþlō-. In aantal vormen trad metathese -dl- > -ld- op. Ontleend aan het Proto-Germaans is Fins niekla ‘naald’.
Verwant met: Iers snāthat ‘naald’; < pie. *nē-tlā-, *neh1-tleh2-, afleiding van de wortel van → naaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naald* [dunne stift om te naaien] {in de plaatsnaam Nadelwich, nu Naaldwijk (Z.-H.) <1156>, nalde 1201-1250} oudhoogduits nadala, oudfries nedle, oudengels nædl, oudnoors nāl, gotisch nēþla; gevormd van dezelfde stam als naaien. De uitdrukking met de hete naald gemaakt [slordig afgewerkt] wil zeggen ‘zo snel genaaid, dat de naald er warm van is geworden’. De uitdrukking heet van de naald [onmiddellijk bij gereedkomen] wil eig. zeggen ‘zo dat het goed nog warm is van de naald’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naald znw. v., mnl. naelde v., mnd. nālde, ohd. nālda, ofri. nēlde met metathesis ld < dl, vgl. os. nāthla, nādla, ohd. nādala (nhd. nadel), ofri. nēdle, oe. angl. nēðl, wsaks. nædl (ne. needle), on. nāl (verg. het finse leenwoord niekla < *nēþlō), got. nēþla v. ‘naald’. — Met het idg. suffix -tlā gevormd van de idg. stam *(s), waarvoor zie: naaien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naald znw., mnl. naelde v. Met consonantenmetathesis, die ook ohd. nâlda, mnd. nâlde, ofri. nêlde v. “naald” vertoonen, = ohd. nâdala (nhd. nadel), os. nâthla, nâdla, ofri. nêdle, angl. nêðl, ws. næ̂dl (eng. needle), on. nâl, got. neþla v. “naald”. Germ. *nêþlô- > idg. *nê-tlâ-. Bij naaien. In gelijke bet. het verwante ier, snâthat “naald”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naald v., Mnl. naelde, Onfr. nâlda, door metathese uit *nadel, Os. nâdla + Ohd. nâdale (Mhd. nâdel, Nhd. id.), Ags. nǽdl (Eng. needle), Ofr. nédle, On. nál (Zw. nål, De. naal), Go. neþla: met suffix -thlō- van wrt. = naaien (z.d.w.). —Door het oog van een naald kruipen zinspeelt op Matth. XIX, 24.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

naoje, naolje (zn.) naald; Vreugmiddelnederlands nadel <1100>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

naaldboom s.nw.
Enigeen van verskeie immergroen naaksadige bome of konifere.
Uit Ndl. naaldboom (1854), so genoem n.a.v. die smal, naaldvormige blare van die boom.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naald s.nw.
1. Dun metaalvoorwerp om mee te naai of te stop. 2. Dun wyser van sekere meetinstrumente.
Uit Ndl. naald (al Mnl.).
D. Nadel en Eng. needle toon dat die l en d in Ndl. naald plekke omgeruil het (metatesis).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naald: naaiwerktuig v. staal; tongetjie v. weegskaal; toringpunt; wys(t)er; naaldboomblaar; Ndl. naald (Mnl. naelde), Hd. nadel, Eng. needle, hou verb. m. naai en naat.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Naad, afl. van naaien, letterlijk: het genaaide; vgl. draad van draaien, gloed van gloeien, enz. – Naaien zelf komt van den Germ. wt. ne = naaien en ’t Idg. ne (bijvorm sne) = spinnen. – Ook naald is een afl. van naaien; ’t is eig. een metathesis van nadel: werktuig om te naaien. (Vgl. Hgd. Nadel = naald.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naald ‘dunne stift om te naaien’ -> Noord-Sotho nalete ‘dunne stift om te naaien’ ; Xhosa nalithi ‘dunne stift om te naaien’ ; Zoeloe nalithi ‘dunne stift om te naaien’ ; Zuid-Sotho nale ‘dunne stift om te naaien’ ; Negerhollands nāl, naël, naeld ‘dunne stift om te naaien’; Berbice-Nederlands nali ‘dunne stift om te naaien’; Polynesisch narita ‘dunne stift om te naaien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naald* dunne stift om te naaien 1156 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

876. Heet van de naald,

d.w.z. pas gemaakt, zoodat het goed, de stof nog warm is van de naald; ook: onverwijld, onmiddellijk (Harreb. I, 113; Ndl. Wdb. VI, 398; IX, 1359); zoo zegt men ook in denzelfden zin: heet van den rooster (Ndl. Wdb. XIII. 1344), fri. hjit fen 'e roaster (zie reeds Sart. I, 9, 98); in Zuid-Nederland heet van de stoof; fr. encore chaud de la forge; heet uit de pan.De Amsterdammer, 15 April 1922 p. 2 k. 4: De koppige socialisten die waren van plan, om heet uit de pan de heele Regeering te kisten. Vgl. Spaan, 125: Dit lorretje zal mede warm van de naald en heet van den rooster gaan; Het Volk, 26 Oct. 1915 p. 1 k. 3: Men zal wel niet van ons verwachten dat wij heet van de naald over Treub's voorstellen het vonnis strijken; Handelsblad, 15 Oct. 1915 (avondbl.) p. 1 k. 1: Een journalist, die heet van de naald moet werken, is nu eenmaal niet in de gelegenheid te wachten tot een officieele wisseling van stukken hem in staat stelt de juiste waarheid te weten; Het Volk, 2 Juni 1915 p. 1 k. 1: De heer Elout is niet zoo heet van de naald als onze dilettant-kollega Smulders; Handelsblad, 19 Maart 1915, p. 10 k. 1 (avondbl.): ‘Getrouwd’ werd twaalf jaar na het eerste ontwerp geschreven.... en toch meende Coenen, dat dit boek zoo van de naald kwam en daardoor de intimiteit van memoires had.

Eene andere bet. heeft de uitdr. met de heete naald werken (Sewel, 324), iets met de heete naald maken, d.w.z. vlug, haastig, eig. zóo dat de naald niet koud geworden is (vgl. met den natten vinger kunnen aanwijzen); Halma, 366: Dat kleed is met de heete naald gemaakt, cet habit est fait à la hâte. Ook in Zuid-Nederland: met de heete steek, met de heete naald naaien, ras en haastig naaien, anders gezeid met de zaterdagsteke naaien (De Bo, 414; Schuermans, Bijv. 116), en in het Friesch: hja naeit mei in gleaune nille en in barnende tried, zij naait met een gloeiende naald en een brandenden draad (W. Dijkstra, 376 a); hd. mit der heiszen Nadel nähen; eng. to work with a hot needle and burnt thread, dat herinnert aan 't gron. naaien met een heete noald en verzengde droad.

1593. Van de naald tot den draad,

d.w.z. van het begin tot het einde, van stukje tot beetje, van elje te melje (De Bo, 301). In de 17de eeuw te vinden bij Huygens VI, 41: Als ick 't al overslae van de naeld tot den draed, genoeghen is geluck in allerhanden staet; De Brune, Emblem. 351: Zy (de doovaers) en rusten noch en houden niet op, voor dat zy alles van de naelde tot den draed weten; Smetius, 55: Gy praet van den draet tot de naelde ende vande naelde tot den draet; Tuinman I, 195; Halma, II, 22; Harreb. I, 151; Jord. II, 208: Van naald tot draad kende hij de geschiedenis en de lotgevallen der voornaamste Zeedijk-booswichten. In Zuid-Nederland is de uitdr. eveneens bekend; zie De Bo, 301; Antw. Idiot. 1911: iet van 't naaiken tot 't draaiken vertellen; Waasch Idiot. 451; Rutten, 150; Schuermans, 401: iets van 't naaldeken tot draaiken (of den draad) vertellen, verhalen, enz., dat gelijk is aan iets met slotje en sleuter vertellen (bl. 628 a; vgl. De Bo, 1039 a); van stek tot paal ('t Daghet XII, 147) en Joos, 49: van een naadje tot een draadje uitleggen; bl. 62: iets weten van punt tot draad, gansch. In het Fransch zegt men eveneens de fil en aiguille, in den zin van ‘avec suite, avec ordre, avec régularité’; ‘locution prise du travail de la couturière, qui, après avoir mis un fil coud avec l'aiguille, et après avoir cousu avec l'aiguille, reprend du fil, et ainsi de suite’ (Littré II, 1671).

1594. Iets met de heete naald maken,

d.w.z. iets heel haastig, slordig afmaken; eig. gezegd van een kleermaker of eene naaister, die zoo haastig werkt, dat de naald heet wordt. Zie Halma, 366: Dat kleed is met de heete naald gemaakt, cet habit est fait à la hâte! Sewel, 506: Dat kleed is met een heete naald (met drie haasten) gemaakt, that coat is made in a hurry; 324: met de heete naald werken, to do a thing with great haste. Voor het Vlaamsch, zie Joos, 88 en vgl. verder no. 876. In Twente: met de gluinige naolde in mekaar stekken; Land v. Aalst: iets met de vliegende schietspoel doen (De Cock1, 231; ook in Waasch Idiot. 717); elders met de Zaterdaagsche steek naaien (De Bo, 1420; Waasch Idiot. 755); met de pierewietsteek of piederdewietsteek naaien (Boekenoogen, 745).

1695. Door het oog van een naald,

d.i. ternauwernood, nauwelijks, vooral in verbinding met het wkw. kruipen, in den zin van ternauwernood aan een groot gevaar ontkomen. Zie Tuinman I, 9: 't Is door 't oog van een naald gekropen, dat zegt men van iets dat'er ter naauwer nood door geraakt is; zoo ook bl. 325; Harreb. II, 113 a; Rutten, 150 a: door 't gat van eene naald kruipen, er gelukkig afkomen; Waasch Idiot. 450 b: deur de oog van een naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn; Schuermans, 401 a; Antw. Idiot. 843. De uitdrukking herinnert aan Matth. XIX, 24, waar Jezus zegt, dat het gemakkelijker is voor een kemel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om in den hemel te komen. Men zal hier moeten denken aan den zes duim langen naald met een zeer lang oog, dien de kameeldrijvers gebruiken om hunne tuigen te herstellen (Bijb. Wdb. II, 607). Volgens het Ndl. Wdb. IX, 1359 is ‘waarschijnlijk oorspronkelijk bedoeld, dat iemand in zijn angst iets heeft gedaan, waartoe men in gewone omstandigheden niet in staat is. Vgl. Mar. v. Nijm. 236: Hi (een duivelskunstenaar) soude door die ooghe van eender naelde den viant (duivel) wel doen cruypen teghen sinen danck (zin). In het Fransch zegt men van iemand, die zeer verlegen is, on le ferait passer par le trou d'une aiguille; in het Duitsch in toepassing op iemand dien men bang maakt einen durch ein Nadelöhr jagen. Iemand is dus “door het oog van een naald gekropen” uit vrees voor den dood die hem wilde grijpen.’Een andere, minder aannemelijke verklaring in Taal en Letteren XV, 455.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut