Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naaf - (middenstuk van een wiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naaf zn. ‘middenstuk van een wiel’
Mnl. nave in de samenstelling navegheer ‘naafboor’ [13e eeuw als toenaam, zie → avegaar], als simplex in nave van en rat ‘wielnaaf’ [1477; Teuth.]; vnnl. naef [1638; WNT].
Os. naƀa; ohd. naba (nhd. Nabe); oe. nafu, nafa (ne. nave); on. nöf (nzw. naf); alle ‘naaf van een wiel’, < pgm. *nabō- ‘wielnaaf’. Hierbij met oud verkleiningsachtervoegsel → navel.
Verwant met: Latijn umbō ‘schildknop’, umbilīcus ‘navel’; Grieks omphalós ‘navel’; Sanskrit nābhi, nábhya- ‘naaf, navel’; Oudpruisisch nabis ‘naaf’, Lets naba ‘navel’; Oudiers imbliu ‘navel’; < pie. *h3nbh-, *h3nobh-, met in sommige van deze woorden hetzelfde achtervoegsel als in navel. In het Latijn, Grieks en Keltisch trad in de nultrap assimilatie -nb- > -mb- op.
Lit.: Schrijver 1991, 61-62

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naaf* [middenstuk waardoor de as gaat] {nave, na(e)f 1477} oudsaksisch naƀa, oudhoogduits naba, oudengels nafu, oudnoors nǫf; buiten het germ. oudpruisisch nabis, oudindisch nabhya- [naaf].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naaf znw. v., mnl. nāve v. m., os. naƀa-, ohd. naba v. (nhd. nabe), oe. nafu (ne. nave), on. nǫf v. ‘naaf van het wiel’. — oi. nābhi-, nábhya- ‘naaf, navel’, opr. nabis ‘naaf’, lett. naba ‘navel’. De idg. wt. *nō̆bh- staat naast *embh-, *ombh- vgl. gr. omphalós ‘navel, schildknop’, lat. umbo ‘schildknop’, oiers imbliu ‘navel’ (IEW 314-315). — Zie ook: navel.

I. Habermehl heeft op een kaart van de Taalatlas afl. 3, 6 aangegeven, onder welke benamingen de naaf in onze dialecten bekend is. Het woord naaf wordt gebruikt in Limburg, Gelderland, Overijsel, Utrecht en sporadisch in Noord-Holland en in de buurt van ’s-Gravenhage. Daarentegen vinden wij dom, domp, domme in Zuid-Holland en Noord-Brabant, verder in Zuid-Nederland in Antwerpen, Brabant en Limburg; bus is algemeen in Zeeland, West-, Oost- en Frans-Vlaanderen, sporadisch ook in Friesland; verder toet(e), tuut, tuit in Groningen, Drente en Z.O.Friesland en eindelijk twolle, toel, tool, tulle in Friesland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naaf znw., mnl. nāve v.m. = ohd. naba v. (nhd. nabe), os. naƀa (in samenst.; zie avegaar), ags. nafu (eng. nave), on. nǫf v. “naaf van een wiel”. Verwant met navel en lett. naba “navel”, opr. nabis “id., naaf”, oi. nábhya- “naaf”, nā́bhi- “id., navel, verwantschap”. Dat de idg. basis vóór de n nog een vocaal had, wordt bewezen door de ablautende woorden ier. imbliu “navel”, lat. umbo “knop op het schild”, umbilîcus “navel”, gr. omphalós “id., knop op ’t schild”. Afwijkend consonantisme heeft av. nâfa- ”navel, familie” (naast nabâ-nazdišta-”de naastverwante”). [Vgl. een dgl. wisseling bij russ. pup, po. pęp, serv. pȕpak: lit. bámba “navel”.] Formaties van deze basis hadden in ’t Idg. blijkbaar reeds beide bett. “naaf” en “navel”. Zie nog avegaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

naaf. Combinatie van de groep van navel met die van nevel — opnieuw verdedigd door Meringer WuS. 5, 43 vlgg. — moge aanlokkelijk zijn door de klank-overeenstemming, de semantische toelichting is geforceerd en cultuurhistorisch onwsch.: ospr. bet. ‘navelstreng’ = ‘het bevochtigende, bloed toevoerende’ (vgl. ook Meringer WuS. 10, 289, waar een grondbet. ‘placenta’ wordt aangenomen).
Germ. vormen met vocaal vóór de nasaal zijn wellicht bewaard in ohd. amban, ambon, os. ambon ‘abdomina’. Teuth. ame, hame ‘stuk vlees uit de buik van een varken gesneden, abdomen’ kan een kruising van dit woord met mnl. hāme ‘ham’ enz. (zie ham I) zijn. Vgl. Lidén KZ. 61, 17 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aaf m., door aphaerese uit naaf. In Aaf(je) is dood (= avoes is dood, de kan is leeg) werd avoes (z.d.w.) door volksetym. vervormd tot den vrouwennaam Aaf(je).

naaf v., Mnl. nave, Os. naƀa + Ohd. naba (Mhd. nabe, Nhd. id.) Ags. nafu (Eng. nave). On nǫf (Zw. naf, De. nav) + Skr. nābhiṣ = 1. naaf, 2. navel, Gr. omphalós = navel, Lat. umbilicus = navel. Lett. naba = navel, Opr. nabis = 1. naaf, 2. navel: de Lat. en Gr. vormen = Idg. *ombh-, uit *onbh-, de andere = Idg. *nobh- (z. navel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naaf s.nw.
Middelstuk van 'n wiel waardeur die as gaan.
Uit Ndl. naaf (Mnl. nave). Kloeke (1950: 163 - 165) skryf die afwesigheid van die (veral) suidelik S.Hollandse dom(p) vir naaf daaraan toe dat naaf die 'schrijftaal-woord' was wat ook in die Statebybel voorkom, en 'wel in het bij de Boeren zo bij uitstek populaire Eerste Boek der Koningen 7: 33'. Scholtz (1963: 245) verskil van hierdie standpunt omdat naaf al in die 2de helfte van die 17de eeu 'seker al 'n algemeen Hollandse spreektaalwoord' was.
D. Nabe, Eng. nave, Sweeds (hjul) nav.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naaf: middelstuk v. wiel; Ndl. naaf (Mnl. nāve), Hd. nabe, Eng. nave, hou verb. m. nael III en nawel (in nawellemoen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naaf ‘middenstuk van wiel waardoor de as gaat; (verouderd) scharnier waarop een deur draait’ -> Fries naaf ‘middenstuk van wiel waardoor de as gaat’; Frans dialect desnafié, dèsnafyî ‘defect (slot, horloge), slordig, in lompen gehuld (lett.: ontnaafd, zonder naaf)’; Indonesisch naf, nap ‘middenstuk van wiel waardoor de as gaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naaf* middenstuk van wiel waardoor de as gaat 1477 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut