Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

naad - (verbinding tussen twee vlakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

naad zn. ‘verbinding tussen twee vlakken’
Mnl. naet ‘plaats waar twee stukken textiel aan elkaar zijn genaaid’ in vergaderd met lozen nade ‘samengevoegd met losse naad, met slecht stikwerk’ [1277; CG I], slaplakene met clenen naden ‘beddenlakens met fijn borduurwerk’ [1260-80; CG II]; vnnl. ook ‘voeg tussen twee planken’ in schuyten ... van een hout uytgheholt, sonder eenighen ... naet ‘vaartuigen van een uitgeholde boom, zonder enige naad’ [1596; WNT].
Mnd. nāt; ohd. nāt (nhd. Naht); < pgm. *nēdi-, afleiding van de stam van het werkwoord → naaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

naad* [voeg] {naet 1277} middelnederduits, oudhoogduits nat; gevormd van de stam van naaien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

naad znw. m., mnl. naet v. m., mnd. nāt v., ohd. nāt (nhd. naht) > germ. *nē-ði-, afl. van de stam van het ww. naaien. — gr. nē̃sis ‘het spinnen’ zelfde formatie maar van de wt. *snē-.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

naad znw., mnl. naet (d) v.m. = ohd. nât (nhd. naht) v., mnd. nât v. “naad”: germ. *nê-ði-, bij naaien. = gr. nḗsis “het spinnen”, op den anlaut na; want voor gr. -. moeten we van snē- uitgaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

naad m, Mnl. naet + Ohd. nât (Mhd. id. Nhd. naht) = het genaaide; een part. afleid. van naaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

naat s.nw.
1. Verbinding of voegplek van materiaal of ander stowwe. 2. Baie harde onreëlmatigheid in die struktuur van 'n diamant.
In bet. 1 uit Ndl. naad (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1945 in bet. 2), trouens wêreldwyd in die diamantindustrie (Silva 1996).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

naat: – (vroeër en selde nog) naad – , voegplek v. allerlei aard en materiaal; Ndl. naad (Mnl. naet), Hd. naht, hou verb. m. naai en naald (q.v.).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

naad. Een van de betekenissen van naad is ‘achterwerk, kont’. De letterlijke betekenis wordt in de verwensing lik mijn naad! niet gerealiseerd. Die betekenis is afgezwakt tot ‘bekijk het maar, maak maar dat je wegkomt’. De emoties die erdoor uitgedrukt worden zijn verachting, afkeer, ergernis e.d.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Naad, afl. van naaien, letterlijk: het genaaide; vgl. draad van draaien, gloed van gloeien, enz. – Naaien zelf komt van den Germ. wt. ne = naaien en ’t Idg. ne (bijvorm sne) = spinnen. – Ook naald is een afl. van naaien; ’t is eig. een metathesis van nadel: werktuig om te naaien. (Vgl. Hgd. Nadel = naald.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

naad ‘voeg, verbinding, plaats waar aaneengrenzende zaken bijeenkomen’ -> Deens nåd ‘voeg in een zeil, voeg in een scheepsplank’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds nåt ‘voeg’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins nootti ‘voegnaden tussen de dekplanken en in de wanden van het schip’ ; Frans dialect naye; nåye; naïe ‘grens; nauw bospad, grens van het omhakken van een bos; lijn die de delen van het bos verdeelt’; Zuid-Afrikaans-Engels naat ‘structuurfout in diamant’ ; Ambons-Maleis nat ‘voeg’; Menadonees nat ‘tussenruimte’; Papiaments nachi (ouder: naadsje) ‘voeg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

naad* voeg 1277 [CG I Brugge]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1589. Zijn naad (of naadje) naaien.

Eene dial. uitdr. voor zijn gang gaan, zonder veel vertoon (of gerucht) zijne zaken drijven; ook: weten vooruit te komen, zijn voordeel doen; zijn grutjes kloppen; syn. van het sedert de 16de eeuw bekende zijn tuil tuilen, waarnaast ook iemand zijn tuil laten uittuilen, iemand aan zijn lot overlaten (De Vries, 101Vgl. mnl. tulen, slempen, brassen; fri. tûlje, spelen, dartelen; tûle, scherts, boert, pret; syn tûltsjes uttûlje, zijne dwaasheid maar botvieren; zie Tijdschrift XLI, 203. Voor Zuid-Nederland vgl. Waasch Idiot. 834; Antw. Idiot. 2096: iemand zijnen tuil laten uittuilen.); iemand zijnen tuil laten gaan of volgen (Hoeuft, 613). Het was vroeger een zeer gewone uitdr., die o.a. wordt aangetroffen in Servilius, 15*: Hy naeyt vaste sinen naet; Van Vloten's Geschiedzangen I, 239; Huygens V, 59 (vs. 306); De Brune, 458: Hy naeyt daar wel zijn naeytjen onder; Winschooten, 160: Sijn naadje naajen, het welk oneigendlijk beteekend, sijn voordeel zoeken; Halma, 365: Zijnen naad of zijn naadje naaijen, zijnen gang gaan, zijn voordeel stil zoeken, aller son train sans rien dire, ne se point détourner, faire ses affaires à petit bruit; Harreb. III, 301 a; Ndl. Wdb. IX, 1339; N. Taalgids XIV, 255; De Vries, 85; Staring, De Zitbank, vs. 7. Vgl. voor Zuid-Nederland De Bo, 726 a: Laat elk zijn naad naaien, bemoei u niet met andermans zoeken; een naadje ten einde naaien, een werk voltrekken dat begonnen is.

1590. In zijn naad zitten,

d.w.z. in angst, in de benauwdheid, in de rats zitten; syn. van kieren, ('m) knijpen (in D.v.S. 13), in de knijp of de knijperd zitten (no. 1176), in zijn gat geknepen zitten, een naad of naadjes fokkenWeekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs IX, 425., met de poepers zitten, verlegen, bevreesd zijn (Waasch Idiot. 529), in zijn achterkamer zitten (langs de Vecht); in zijn stinkerd zitten, bang zijn (Gunnink, 216), pijn in zijn buik hebben, het in zijn gat hebben (Brederoo, Moortje, 2320), welke uitdrr. doen vermoeden, dat we aan naad de beteekenis van bilnaad moeten toekennen. De zegswijze wordt o.a. aangetroffen bij Speenhoff, II, 109:

 Dagen, nachten, bleef hij zoeken,
 Iedereen vroeg hij om raad;
 Maar ze was niet meer te vinden.
 Hij zat leelijk in zijn naad.

D.H.L. 12: Voor de majoor zit-i in z'n naad, niet zoo'n beetje!; Nkr. IV, 22 Mei p. 4: Die (kapitalisten) zitten zoo erg in hun naad uit angst voor de socialisten; 28 Aug. p. 5: Dus, als je eens later wilt knoeien, en zit je geducht in je naad, dan zoek je maar drie oude heeren en die maak je tot eereraad; 23 Oct. p. 4: Duymaer van Twist en Van Vlijmen zijn heel kordaat, voor hen zit de oorlogsminister schier in zijn naad. Een dienstklopperd.i. iemand die nauwkeurig alle dienstverrichtingen vervult, een strenge meerdere, dienstdoener; zie V. Ginneken II, 451, 453; D.H.L. 123: 'n Zoogenaamd ‘goeie’ kapitein, 'n 'er warm inzittende, lauwe dienstklopper, die officier speelt voor de eer; Zandstr. 30; Ndl Wdb. III, 2547; Nierstrasz, 55: Bij zijn chefs stond hij in een goed blaadje, omdat hij een echte ‘dienstklopper’ was; Amsterdammer 8 Aug. 1915 (omslag) p. 4 k. 1: Een eerste stuurman, een nurksche nijdige dienstklopper; Het Volk, 8 Mei 1914, p 2 k. 3: Echter was er dezer dagen een dienstklopper, die een der posters mede naar het bureau nam. Hiernaast een ww. dienstkloppen, nauwkeurig alle dienstverplichtingen vervullen; vleien, stroopsmeren; vgl. Woordenschat, 193: dienstkloppen, verschillende personen voor dienst commandeeren; meer dienst doen en vorderen dan noodig is; D.H.L. 61: De officieren kloppen weer dienst en zeggen model: kom, allo, in de pas, één, links, rechts. Vgl. ook een wachtje kloppen, de wacht houden; D.v.S. 86; - Het Volk, 13 Juli 1915, p 1 k. 3: Door het vele wachtkloppen en de brandwacht op Zondag is het een bof, wanneer men Zondags vrij is; Zondagsblad v Het Volk, 19 Febr. 1916, p. 2: God, God, wat is 't warm! Zoo'n wacht heeft-ie nog nooit geklopt. Een duur wachtje kloppen, de wacht voor geld afkoopen (V. Ginneken II, 458); evenzoo bij Horn, 79: der Soldat kloppt auch Wache oder schiebt Patrouille. Een dienstklopper heet in het hd. ein Dienstbeiszer, - büffel, - fuchs., die bang is voor straf, die spoedig in den naad zit, ‘'m knijpt’, heet een Harry Knijp.

1591. Uit den naad

in verbinding met sommige wkw. beteekent ‘kapot’. Het Ndl. Wdb. IX, 1340 wijst op Antw. Idiot. 1911: Iets is of gaat uit den naad, wanneer de draad waarmede het genaaid is, losgaat; evenzoo in Waasch Idiot. 451; Schuermans, Bijv. 204. Dit is evenwel in Noord-Nederland onbekend, weshalve ik liever zou denken aan ‘bilnaad’, wat ook beter past bij het wkw. loopen. In die verbinding kon ‘uit den naad’ de beteekenis aannemen van ‘kapot’ en dan in dien zin ook bij andere ww. worden gebruikt. Vgl. de syn. uitdr. zich uit de mikken loopen, waarin mik bet. dat deel van het onderlijf, waar de dijen samenkomen; gron. 't gad oet de hoaken loopen, hard en driftig loopen (Molema, 526); Limb. de bee(n) oet de vot loope; fri. de skonken ut it gat rinne; Harreb. III, IV: De hakken uit de lijken loopen, zich haasten; zie verder Amst. 69 (zich uit den naad loopen); Jord. 169: En 't was toch zoo'n zoete weelde voor de kerels, in zoo'n hitte voortgesjord te worden, met 'n honderdmaal sneller gangetje dan zij zich uit den naad roeiende, ooit konden geven; Jord. II, 253: Zij minachtte haar uit-de-naad-loopende hulpvaardigheid en vriendelijkheid voor iederen buur; Nkr. I, 16 Febr. p. 6: 's Zomers als hij uit baden gaat, dan werk ik me uit de naad; Prol. 8: As je je de heele week uit de naad hebt gewerkt om te vrete; III, 28 Maart p. 4: Men werke zich in vrijheid maar lustig uit den naad; A. Jodenh. II, 29: Ze sappelde zich 'n halleve dag uit hun naad: 'k Loop me lievers uit me naad, as dat 'k me hals, lijf en nek breek. Anders in Peet, 54: Je schimpt op bloedvin en gezwel, en je loopt je amechtig den naad uit voor een pijndoovend geneesmiddeltje. Vgl. no. 1405.

1592. Het naadje van de kous

wil zeggen het fijne van de zaak. De zegswijze is eerst in de 19de eeuw aangetroffen; zie Harreb. I, 444: Hij wil het naadje van de kous weten; Nkr. III, 1 Aug. p. 6: Hoe ingewikkeld het ook zij, het naadje van de kous weet hij; Dievenp. 141: Die vroeg van alles; 't naadje van de kous; Nkr. III, 26 Sept p. 5: In hun eigenzinnigheid meenen de sociaal-democraten van alles het naadje van de kous te kennen; S.M. 1: Zij wil nu ‘'t naadje van de kous weten’ en dringt zich tusschen de talrijke, nieuwsgierig-belangstellende buren; Ndl. Wdb. IX, 1340. In het Antw. Idiot. 2214: den rechten draad van iet kennen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut