Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

na - (volgend op); (dichtbij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

na vz. ‘volgend op’; bw. ‘dichtbij’
Onl. nāh (voorzetsel) ‘volgend op, achter, na; naar, in de richting van; volgens, overeenkomstig’ in resp. nah themo bluothe ‘na de bloei’, her neyget sich nah uns ‘hij buigt zich naar ons’, nah sinemo willan ‘volgens zijn wil’ [alle ca. 1100; Will.], ‘volgend op; naar; volgens’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. na (bijwoord) ‘daarna; nabij’ in resp. dewangelisten sangen na ‘daarna zongen de evangelisten’ [1265-70; VMNW], na of uerne ‘dichtbij of veraf’ [1250; CG II], ook als bn. ‘dichtbij (van verwantschapsbetrekkingen)’ in broeder kind ende zuster kind ende narre (comparatief) ‘neven en nichten en nadere verwanten’ [1254; CG I].
Vaak in combinatie met werkwoorden: mnl. nacomen ‘opvolgen’ [1240; Bern.], ende hiet hem tfolc commen na ‘en beval het krijgsvolk om hem te volgen’ [1285; VMNW], die liep hem naer ‘die liep hem achterna’, doe volghedi den vianden naer ‘toen achtervolgde hij de vijanden’ [alle 1285; VMNW], na te segghen ‘(iemands woorden) te herhalen’ [1245-96; MNW], die heer, die hy sijn munte ... naslaet ‘de heer, wiens munt hij namaakt’ [15e eeuw; MNW].
Os. nāh (mnd. ); ohd. nāh (nhd. nah(e)); ofri. nēi, (nfri. nei); oe. nēah (ne. nigh); on. ná- in bijv. nábúi ‘nabuur’ (nde. nåbo); got. nēhw(a); alle ‘nabij, dichtbij’ (bw. en vz., ohd. ook bn.), < pgm. *nēhwa-, *nēhwō-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *nēhw-ia-, waaruit: onl. nāio (bw.) ‘bijna’ [10e eeuw; W.Ps.]; ohd. nahi, nāho ‘nabij’.
De in alle Germaanse talen voorkomende, en dus wrsch. oorspronkelijke betekenis was ‘dichtbij’. Hieruit ontstonden bij uitbreiding in het Duits en het Nederlands vormen met de betekenissen ‘direct volgend op’, ‘in de richting van’ en ‘volgens’, die alle al in het Oudnederlands als voorzetsel en in het Middelnederlands ook als bijwoord voorkomen.
Mnl. naer is oorspr. de vergrotende trap van na, maar beide woorden waren vrijwel synoniem. In de 17e eeuw probeerden grammatici een streng onderscheid te maken. Onder de gezaghebbende invloed van taal- en letterkundige Balthazar Huydecoper (1695-1778) ontstond na 1730 in de schrijftaal de huidige tweedeling: na wordt gebruikt bij een opeenvolging in tijd en naar geeft een richting aan en betekent ook ‘volgens’.
In combinatie met werkwoorden komt alleen de korte vorm na- voor. Hierin is altijd het betekeniselement ‘volgend op’ aanwezig, in ruimtelijke zin, bijv. in (iemand) nakijken, vaker in temporele zin, bijv. in naklinken, nadruppelen. Subcategorieën worden gevormd door woorden die een controlerende activiteit uitdrukken, bijv. (iets) nakijken, nameten, of een imiterende activiteit, bijv. na-apen (bij een verouderd synoniem apen), → nabootsen, natekenen, nazeggen. In al deze betekenissen is na- productief.
Zelfstandige naamwoorden met na zijn meestal afgeleid van een werkwoord, bijv. namaak. Slechts een beperkt aantal staat op zichzelf, bijv. nadagen, nagerecht, nasmaak, nazomer. In nabuur en nabestaande heeft na nog de oorspr. betekenis ‘dichtbij’.
Zie ook → naast, oorspr. de overtreffende trap van mnl. na, en → nader, dat later is ontstaan uit een nieuwe vergrotende trap naarder bij → naar 1.
naderhand bw. ‘later’. Mnl. naderhant ‘later’ in een peert dat hem al verderft waert ende naderhant starf ‘een paard dat hem al niets meer waard was en later stierf’ [1375; MNW]. Ontstaan uit de vaste verbinding mnl. na der hant ‘later’, letterlijk ‘na de hand’, met → hand in de overdrachtelijke betekenis ‘temporele nabijheid’, zoals nu nog in ophanden zijn ‘binnenkort te gebeuren staan’, op voorhand ‘van tevoren’.
Lit.: Van der Sijs 2004, 518

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

na* [volgend op (voorzetsel), nabij (bijw.)] {1200 als voorzetsel; als bijw. 1236} oudsaksisch, oudhoogduits nah, oudengels neah (engels nigh), oudnoors ná-, gotisch nehw < het bn. oudsaksisch, oudhoogduits nah, oudengels neah, oudnoors nær, gotisch nehwa, waaruit ook het voorzetsel ontstond. Etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

na 1 voorz., mnl. ‘na, naar’ is het als voorz. gebruikte bijw. na 2. Hetzelfde gebruik hebben mnd. ‘na, naar’, ohd. nāh ‘na, naar, bij, naast’ (nhd. nach), of ri. nei, na ‘na, naar’, oe. nēah, got. nēhwa ‘nabij’. — Zie ook: naar 2.

na 2 bijw., mnl. ‘nabij, nauwkeurig, bijna’, os. ohd. nāh, oe. nēah (ne. nigh), on. nā-, got. nēhw ‘nabij’. — Daarnaast staan vormen als onfrank, nāio ‘bijna’, ohd. nāho, ofri. nei, ‘nabij’. Het bijw. is gevormd van het bnw. os. ohd. nāh, oe. nēah (ne. nigh), on. nār, got. nēhws ‘nabijzijnd’. — Zie ook: naar 2.

De etymologie is onzeker: 1. lit. pranokti ‘inhalen’, lett. nākt ‘bereiken’ (Zupitza Gutt. 66-67). — 2. Uit idg. grondvorm *n-oku̯ ‘aankijkend, gewend naar’ (IEW 40), zeer gewaagd. — 3. Bij de groep van genoeg en dan dus uit te gaan van idg. *nek-wo en niet van *neku̯-o (F. A. Wood, PBB 24, 1899, 530).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

na I voorz., mnl. “na, naar” (met ruime gebruikssfeer). = na II, als voorz. gebruikt. Evenzoo als voorz. ohd. nâh “na, naar, bij, naast” (nhd. nach), mnd. “na, naar”, ofri. nei, na “id.”, ags. nêah, got. nehwa “nabij”. Zie ook naar I. De tegenwoordige schrijftaalonderscheiding tusschen na en naar gaat op Huydecoper terug.

na II bijw. Het gebruik als bnw. in een naê verwant e. dgl. heeft zich uit het adverbiale gebruik ontwikkeld naar analogie van andere woorden, die zoowel attributief bnw. als predicativum bij zijn zijn. Uit mnl. “nabij, nauwkeurig, bijna”, zelden als bnw. “na, nabijzijnd”. = ohd. os. nâh, ags. nêah (eng. nigh), on. nâ- (in samenst.), got. nehw “nabij”. Met anderen uitgang: onfr. nâio “pene”, ohd. nâho, ofri. nei, “nabij”. Van het bnw. ohd. os. nâh, ags. nêah (eng. nigh), on. nâr, got. nehws “nabijzijnd”. Oorsprong onzeker. Eenige van de voorgeslagen combinaties zijn: 1. die met lit. nókti “inhalen, bereiken, rijpen”; 2. die met pehl. naχ “de eerste”; 3. die met oi. náçati “hij bereikt, verkrijgt” (*neḱ-wo-; vgl. genoeg); 4. die met alb. nes “morgen”. Mnl. naer, nnl. naar = ohd. nâhór, os. nâhor, ofri. niâr, ags. nêar (eng. near) “naderbij”, waarnaast got. nehwis, on. næ̂r “id.”. De superlatief luidt mndl. naest (nnl. naast), ohd. nâhôst, nâhist (nhd. nächst), os. nâhist, ofri. nêst, ags. nîehst (eng. next), on. næ̂str “naast” (bnw.). Ndl. nader, reeds laat-mnl., is een jongere analogievorm. Mnl. naerre “nader” (bnw. en bijw.) = mnd. nârre, ags. nêarra, on. nœ̂rri; gevormd evenals meerder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

na 1 bijv.(dichtbij), Mnl. id., Os. nâh + Ohd. nâh (Mhd. nâch, (Nhd. nah), Ags. néah (Eng. nigh) Ofri. nei, On. nár, Go. nehws + Osk. nesimo, Oier. nessa = naaste, volgens sommigen bij den wortel van genoeg.

na 2 bijw. en voorz. (achter), Mnl. id. + Ohd. nâh (Mhd. nâch, Nhd. nach), Ags. néah, Go. nehw: een versteende naamval van na 1.; de bet. zijn: 1. nabij, 2. zich aansluitend aan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nao (vz.) 1. na 2. naar; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) nau, Aajdnederlands nah <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

na I: bw., later ook b.nw., “naby”; Ndl. na (Mnl. , “naby, noukeurig, byna”), Hd. nahe, Eng. nigh – uit komp. naar (vgl. Eng. near) wat sedert 18e eeu in Ndl. ondersk. is teenoor na (by vRieb gew. nae).

na II: voors. en voegw., in Afr. word Ndl. gebr. v. voor 18e eeu (d.w.s. van na as voors. i.v.m. rigting en tyd) behou, hoewel in ouer Afr. naar (i.v.m. rigting) soms nog voorkom; so ook Hd. nach (i.v.m. rigting en tyd); aangeneem word dat na as voegw. ontw. het deur weglating v. dat in bv. nadat.

na III: (dial. v.) soort jakkals (vWiel 168), naas naatjie m. Afr. dim. -tjie; sou dit misk. verb. hou m. //a-b, “basterjakkals”? v. Kroen 21a; v. egter ook nadro(e).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Na voors. In Afrikaans word na soms ná wag gebruik: Hoekom laat jy dat ek so lank na jou wag? – Boekenoogen 13443: “Na voorz. Nê iets wachten, er op wachten.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

na ‘voorzetsel’ -> Negerhollands na, a ‘voorzetsel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) na ‘voorzetsel (op, in, naar)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

na* voorzetsel 1200 [CG II1 Servas]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1588. Iemand te na gaan (komen of spreken),

d.w.z. iemand beleedigen, krenken; vooral in de uitdr. ‘iemands eer, kroon, goeden naam te na gaan, afbreuk doen, raken, kwetsen, beleedigen’; mnl. enen te na (of te naer) gaen, te zeer in de nabijheid komen van iemand, hem met een vijandelijk doel naderen (Mnl. Wdb. II, 879) en enen naer gaen, iemand kwellen, waarvan het mnl. adj. nagingel, kwetsend, beleedigend; synoniem was enen sere naken, op iemand aandringen, hem te lijf gaan. Vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 509: Ay spreeck zoo reuckloos niet: dat gaet mijn eer, mijn kroon, ja Venus kroon te na; Halma, 365: Iemand te na komen, iemand beleedigen of in zijne eere raaken, offenser, choquer ou affronter quelqu'un. Zie De Bo, 725 a, waar enkele plaatsen uit de 16de eeuw van te naer gaen (- komen) vermeld worden; Rutten, 150; Waasch Idiot. 452 a; Antw. Idiot. 1911; Villiers, 84. In Kl. Brab. kent men alleen iemand te naar komen, hem krenken. In 't fri. immen (of eat) to nei kommen; hd. jem. zu nahe kommen.

2493. Iemand het vuur na de schenen leggen,

d.i. het iemand zeer moeilijk maken, zoodat hij er zich niet meer uit zal weten te redden; het hem benauwd maken, hem in 't nauw brengen; mnl. het enen na(er) leggen of enen sijn vel verwarmen. ‘Het spreekwoord wordt niet alleen op den geldschuldige, maar ook op den leugenaar en den drogredenaar toegepast. Het zal wel oorspronkelijk zijn van de helsche pijnigingen, die men gebruikte, om iemand te doen bekennen, wat hem te laste werd gelegd, onverschillig of hij 't kwaad al of niet bedreven had, en dus tot de tijden der inquisitie behooren’; Harreb. II, 244 b. Zie verder V. Moerk. 255: Mijn man die leyt mijn het vuur soo na aende scheenen, dat ick altemet krancksinnich ben; Gew. Weeuw. II, 29: Ik zal hem het vuur nader aan zijn scheenen leggen, en die sprong zuur doen opbreeken; Rotgans, Boerenkermis (ed. 1851), bl. 21: Ik zal dat vuurtje jou meer aan de scheenen leggen; Van Effen, Spect. IV, 198: Mars, die de Koningin van Paphos 't vuur zo na aan de scheenen legt, dat die goedaardige sloof 't verzoek van haar Minnaar niet kan afslaan. Hiernaast kwam in de 17de eeuw voor iemand het vuur (of vier) na (of naar) leggen, o.a. in Vondel, Jos. in Egypte, vs. 935; Hooft, Brieven, 253; 473; Ged. I, 189; Brederoo III, 428, vs. 65; Pers, 667 b; bij Tuinman I, 56: Het vuur is hem aan de voeten gelegt, dit is, hy heeft het hard, hy moet veel uitstaan; Sewel, 698: Iemand het vuur heel na aan de scheenen leggen, to put one to his plugers (?) in arguing, to drive him to a non plus. Vgl. ook Zandstr. 62: Hoewel we hun den laatsten tijd 't vuur wat erg warm aangelegd hebben; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Ze legden hem het vuur nog al na aan z'n schenen; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 2 k. 4: Zelfs toen geruchten de ronde deden dat de Italiaansche regeering zijn bondgenooten het vuur aan de schenen begon te leggen, wisten de Duitsche kranten van den prins geen kwaad; Ndl. Wdb. XIV, 336. Vor Zuid-Nederland vgl. Joos, 112: iemand bij het vuur zetten, iemand zoodanig uitvragen, dat hij spreken moet; Waasch Idiot. 711: iemand bij 't vier zetten, in 't nauw brengen, foppen; Antw. Idiot. 1371: het vier op de teenen hebben, in 't nauw gebracht zijn; het vuur vóór de teenen leggen (vgl. Ndl. Wdb. VIII, 1431); fri. immen it fjûr oan 'e skinen (teannen) lizze, in 't nauw brengen, op de proef stellen; fr. mettre le feu sous le ventre à qqn, le presser vivement, l'exciter (Hatzf. 1050 a); hd. einem Feuer unter den Schwanz, auf (oder unter) den Frack machen, ihn zur Eile oder zum ernsten Angriff einer Sache antreiben (Wander I, 1006).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut