Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muziek - (toonkunst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

muziek zn. ‘toonkunst’
Mnl. musike ‘muziek’ in museke ‘muziek’ [1240; Bern.], horen ... den sanc van hemelscher musiken ‘de klanken van hemelse muziek horen’ [1265-70; VMNW], instrumenten van musiken ‘muziekinstrumenten’ [1285; VMNW], noten van musiken ‘muzieknoten’ [1287; VMNW]; vnnl. musijcke ‘muziek, symfonische muziek’ [1599; Kil.].
Ontleend wrsch. via Frans musique ‘toonkunst’ [1150; TLF], aan Latijn mūsica, dat zelf ontleend is aan Grieks mousikḕ tékhnē ‘muziek’, letterlijk ‘de kunst der muzen’. Hierin is mousikḕ een afleiding van Moũsa ‘zanggodin, godin van kunst of wetenschap’, zie → muze, met het achtervoegsel -ikós, zie → -isch; voor tékhnē zie → techniek.
muzikaal bn. ‘betreffende muziek; welluidend; begaafd inzake muziek’. Vnnl. musicael, muzikaal ‘welluidend’ in beyerwerck ofte musicael accoordt van klocken ‘gebeier of welluidende samenklank van klokken’ [1536; WNT klok I], ‘betreffende muziek’ in musicale compositie [1555; WNT uitbreiden I]; nnl. ‘begaafd inzake muziek’ in het muzikaal kind [1781; Vad.lett., 130]. Ontleend aan Frans musical ‘als muziek, welluidend’ [1508; TLF], eerder al ‘inzake muziek’ [ca. 1350; FEW], dat zelf ontleend is aan middeleeuws Latijn musicalis, een afleiding van klassiek Latijn mūsica ‘muziek’, zie hierboven, met het achtervoegsel -ālis ‘behorende tot, betreffende’. Zie ook → musical.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muziek [toonkunst] {musike 1201-1250} < frans musique < latijn musica < grieks mousikè (technè) [muzen(kunst)], van mousa (vgl. muze).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muziek znw. v., mnl. musîke v. < fra. musique < lat. musica < gr. mousikḕ téchnē) eig. ‘kunst der Muzen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muziek znw., mnl. musîke v. Uit fr. musique (lat. mûsica, gr. mousikḗ. Onder fr. invloed gebleven, vandaar nnl. -iek (oudnnl. ook -ijk(e)). Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muziek v., uit Lat. musicam (-a), van Gr. mousikḗ = kunst, zelfst. gebr. vr. adj. van moũsa = Muze.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

muziek (Frans musique)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

muziek In de betekenis ‘jenever’ alleen gevonden in een Bargoens woordenboekje uit 1937. Het werd ook gebruikt voor ‘geld’. De betekenisovergang is niet duidelijk, maar zonder twijfel zal het woord jenever sommigen als muziek in de oren hebben geklonken. Omstreeks 1874 zei men van een dronkaard hij ziet den hemel voor een contrabas aan. De summiere verklaring luidt: ‘Zijn gezicht is beneveld.’ Een variant is hij ziet den hemel voor een doedelzak en zijne vrouw voor eene jeneverflesch aan. Deze laatste uitdrukking is onlangs nog in Den Haag gehoord.

[Bolhuis 119; Herroem 65, 66]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muziek, van ’t Lat. musica, eig. de Kunst, waarmee de Muzen werden vereerd en die door de Muzen werd beschermd; later beperkt tot de Toonkunst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

muziek ‘toonkunst’ -> Indonesisch musik; (Bahasa Prokem) mokus ‘westerse muziek’; Ambons-Maleis moesik ‘toonkunst’; Atjehnees meuséb, muséb ‘toonkunst; blaasinstrument’; Javaans mungsig, musig, musik ‘Europese muziek; blaasorkest; strijkorkest’; Kupang-Maleis musik ‘(Europese) muziek’; Madoerees musik ‘toonkunst’; Makassaars musî́ ‘(schuif)trompet; orkestje met blaasinstrumenten’; Minangkabaus musik ‘toonkunst’; Soendanees musik ‘Europese muziek; speeldoos’; Papiaments muzik (ouder: muzyk) ‘toonkunst’; Surinaams-Javaans musig ‘toonkunst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muziek toonkunst 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut