Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muze - (beschermgodin van kunst en wetenschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

muze zn. ‘beschermgodin van kunst en wetenschap’
Vnnl. muse ‘godin van kunst of wetenschap’ in Silenus tvoesterkind vanden Musen ‘Silenus, het voedsterkind van de Muzen’ [1548; WNT versluizen I], muse waren negen goddinnen aller wetenschap ende consten [1560; WNT wetenschap], aen de solder sijn de Musae's in haer ampt ... geschildert ‘op het plafond zijn de muzen in hun functie geschilderd’ [1599; WNT zolder].
Ontleend, wellicht mede via Frans muse ‘muze’ [13e eeuw; TLF], later ook ‘inspiratiebron van een kunstenaar’ [1575; TLF], aan Latijn Mūsa, dat zelf ontleend is aan Grieks Moũsa ‘zanggodin, een der negen godinnen van kunst of wetenschap’, met als varianten Aeolisch Moĩsa, Dorisch Mõsa, Spartaans Mõha < ouder *montya, van onbekende verdere herkomst.
De negen muzen waren dochters van de oppergod Zeus. Zij waren godinnen van de kunsten en wetenschappen, met functies en attributen die in de loop der eeuwen wisselden. Het aanroepen van een muze of de muzen was bij antieke schrijvers standaard; in de renaissance keerde deze gewoonte weer terug.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muze [zanggodin] {1565} < latijn Musa < grieks mousa, dat weleens, zij het niet terecht, verbonden is met latijn mons [berg], en dan ‘bergnimf’, mogelijk omdat de muze werd vereerd op de berg Piëria in Thracië; de werkelijke etymologie blijft onbekend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

muze (Latijn Musa)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Muzen, bij ons ook Zanggodinnen geheeten. Zij waren bij de Ouden de godinnen van kunst en wetenschap. Homerus roept slechts één Muze aan (Musa, d. i. de denkende), de goddelijke geefster van alles, wat een dichter moet kunnen en kennen. In den Romeinschen tijd had men er negen, n.l. Klio voor de geschiedenis; attribuut: een schrijfrol (d. i. een opgerold perkament, waarop geschreven werd; vandaar de uitdrukking: “geschiedenisrol”); Kalliope (kallieopee): heldendicht, met wastafeltje en schrijfstift; Melpomene (melpoomenee): treurspel, met treurend masker; Thalia (taliea): blijspel, met vroolijk masker; Urania: sterrenkunde, met hemelbol; Terpsichore (terpsiechoree): dansreien en koorgezang, met een lier; Erato éératoo): minnedicht met lier; Euterpe (euterpr): muziek, met een fluit; Polyhymnia: gewoonlijk als muze der lofzangen (hymnen) voorgesteld; zij heeft echter geen attribuut; wel wordt zij afgebeeld met de armen in haar gewaad gehuld, terwijl zij een lichte dansbeweging uitvoert; vandaar dat zij ook wel als de muze van den dans wordt beschouwd.
Een museum was oorspronkelijk een heiligdom, aan de Muzen gewijd; later een inrichting voor kunst en wetenschap, als staande onder bescherming der Muzen.
Ook ons woord muziek herinnert aan de Muzen. Oorspr. duidde het bij de Grieken de gezamenlijke kunsten en wetenschappen aan, die hoofd en hart vormden, in tegenstelling met de gymnastiek, die alleen de ontwikkeling van het lichaam bedoelt. Eerst in den Christelijken tijd kreeg het woord een engere beteekenis, n.1. die van toonkunst.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muze zanggodin 1565 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut