Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muts - (hoofddeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

muts zn. ‘hoofddeksel’
Mnl. mutse ‘bonthoed, bontmuts’ in op haer hoet behagele bonte mutsen ‘op hun hoofden mooie hoofddeksels van bont’ [1340-60; MNW-P], ‘kap met schoudermanteltje van geestelijke’ in die mutse (en maect niet) den canonc ‘de koorkap maakt niet de kanunnik’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. mutse ‘hoofddeksel’ in si hebben die mutse onder die kinne geknoopt ‘... onder de kin vastgeknoopt’ [1516; WNT vischsop], die mutse met die plume op thooft ‘de hoed met de veer op het hoofd’ [1539; WNT welven], mutse, amutse, almutse ‘mantel, tot op de schouders neergelaten kap; hoofddeksel van bont’ [1599; Kil.]; nnl. muts bij overdracht ook ‘vagina’ [1984; Van Dale], ‘onbenullige, domme vrouw; stommeling’ [1992; Van Dale].
Herkomst omstreden. Kluge en Pfeifer zien in navolging van Knobloch de Duitse vorm Mütze en de Nederlandse vormen muts, mutse, mutze niet als verkorting van de vormen met al- en a-, maar als ontlening aan vulgair Latijn *muttius ‘verkort overkleed’, zelfstandig gebruik van het bn. *muttius ‘ingekort, afgesneden’, dat een vervorming is van klassiek Latijn mutilus ‘verminkt’; in het Nederlands bestond ook een ww. mutsen, motsen ‘verminken’ (WNT) en in het Duits een ww. mutzen ‘kort afsnijden’ (Grimm). De vormen met al- zijn in ieder geval ontleend aan middeleeuws Latijn almutia, almutium, almucia ‘kap met korte mantel’ [1158-60; TLF], een woord dat meestal verklaard wordt als ontleend aan Arabisch al-mustaqah ‘de mantel’; Arabisch mustaqa is zelf weer ontleend aan Perzisch muštä ‘pelsmantel met lange mouwen’. Deze herkomst is echter o.m. om fonetische en historische redenen niet zeker (TLF). Gamillscheg denkt eventueel aan Arabisch al-musallā ‘het gebedstapijt’. Dat het woord een kruising zou zijn van Latijn amiculum, amictus ‘bovenkleed, mantel’ en middeleeuws Latijn caputium ‘hoofdbedekking’ (Gamillscheg) is om fonetische redenen ook niet wrsch. (TLF). Volgens Kluge en Pfeifer is almutia een afleiding van hetzelfde vulgair-Latijnse *muttius met het Latijnse voorvoegsel ad- ‘naar, tot’, zie → ad-. De vormen met a- zijn wrsch. ontleend via Frans aumusse ‘koormantel gevoerd met bont’ [1190; TLF] aan Latijn almutia en varianten.
Mnd. almüsse, malmûsse, malmutze en mutse, mutze, mütze; mhd. almuz, armuz ‘koorkap; hoofddeksel’ en mutze, mütze (nhd. Mütze ‘muts’, oberdeutsch Mutze ‘wambuis, jas’); nzw. mössa.
Latijn mutilus is verwant met Iers mut ‘kort’; < pie. *mutos ‘ingekort, besneden’ (IEW 753).
De muts is bekend geworden via het christelijk Latijn. De almutia was een koormantel, een grote bontkap die tot halverwege de rug hing, over de met pels gevoerde toga en het koorhemd. Omdat ook in de winter bij elk Gloria het hoofd moest worden ontbloot, werd ten slotte het hoofddeksel van de rest van de zware almutia losgemaakt, zodat een afzonderlijke muts en schoudermantel ontstonden.
Van de betekenis ‘vrouwelijk geslachtsdeel’, vanwaar de in het NN algemeen gebruikelijke pejoratieve aanduiding voor ‘domme vrouw’, is de herkomst onduidelijk. Het is onzeker of deze betekenis wel bij muts ‘hoofddeksel’ hoort. Misschien is het ontleend aan Duits Mutze ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ [15e eeuw; Grimm], dat volgens Grimm zeker een ander woord is dan dat voor ‘hoofddeksel’.
Lit.: J. Knobloch (1985), ‘Dt. Mutze “Kopfbedeckung” als Lehnwort’, in: Diachronica 2, 263; Debrabandere 2000, 87-88

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muts [hoofddeksel] {mutsche, muts(e) 1373} ook middelnederlands a(l)mutse < middeleeuws latijn almutia [mantel met kap], met het lidwoord al < arabisch mustaqa [mantel met lange mouwen]. De uitdrukking zijn muts staat verkeerd [hij is slecht gehumeurd] is ontstaan omdat men vroeger vond, dat aan de stand van het hoofddeksel te zien was hoe iemands humeur was. De uitdrukking met de muts naar iets gooien [ergens een slag naar slaan] is waarschijnlijk ontleend aan een of ander kinderspel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muts znw. v. m., mnl. mutse v. ‘muts, kap, koorkap’, mnd. mutze, musse, musche, malmuse, laat-mhd. mütze, mutze; maar daarnaast Kiliaen ook amutse, almutse, almuys, mhd. armuz, almuz. Het woord werd uit het Romaans overgenomen, vgl. fra. aumusse, aumuce, spa. almucio > mlat. almucia (sedert de 11de eeuw) ‘kap, waarmee geestelijken hoofd en schouders bedekken’. — De vorm met al- wijst op arab. oorsprong, vgl. mustaḳa > pehl. mustak < perz. muštä ‘pelsmantel met lange mouwen’. Oorspronkelijk was de almutse dus met bont afgezet; later ging dit verloren en het kledingsstuk kon enerzijds een kort manteltje aanduiden, vgl. opperhd. mutze, mutzen ‘buis, jak’ anderzijds alleen het hoofddeksel. — > ne. dial. schots mutch (sedert 1473, vgl. Bense 239).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muts znw., mnl. mutse v. “muts, kap, koorkap”, bij Kil. ook amutse, almutse, almuys. = mhd. armuz, almuz o., laat-mhd. mütze, mutze (nhd. mütze) v., mnd. mutze, musse, musche, malmûse v. ”id.”, fr. aumusse, aumuce, spa. almucio, mlat. almutium, -a, armutia, it. mozzetta “mantel met kap (van geestelijken)”. Uit het Rom. is ’t woord in ’t Germ. (Ndl. Ndd. Md. Nederrijnsch) gekomen; over den oorsprong van ’t rom. woord is men ’t niet eens: o.a. wordt ’t uit arab. al-mustaqah “wijde mantel” afgeleid, waarvan de oorsprong weer in ’t Perz. en tenslotte in ’t Oi. wordt gezocht. Voor ’t verdwijnen van ’t vóórtonige al- vgl. pul.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muts v., Mnl. mutse, almisse, bij Kil. mutse, amutse, gelijk Mhd. almuz, mütze (Nhd. mütze), uit Mlat. almutium = 1. koorkap (Fr. aumusse), 2. koorhoed. Vergel. voor de ontwikkeling der bet. kap. De oorspr. van almutium wordt betwist; men brengt het gewoonlijk tot Ar. al-mustaqah = pelsmantel, Perz. musṭah = zijden mantel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

möts (zn.) hoofddeksel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) muts, Middelnederlands mutse <1340-1360>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

mus s.nw. Ook, verouderd, muts.
1. Enigeen van verskeie soorte nousluitende, randlose hoofbedekkings van 'n sagte materiaal, soms met 'n klap of klappe om die ore of nek te beskerm. 2. Enigiets wat soos 'n mus (mus 1) lyk en gebruik word om iets mee te bedek, bv. 'n teemus of eiermussie. 3. (ongewoon) Sambreelvormige uitbreiding of kap aan die uiteinde van die steel van die paddastoel. 4. (plantkunde) Dun, kapvormige vliesie oor die deksel en boonste deel van die sporedosie van bladmosse.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. muts (al Mnl., ook in die vorme mutse en a(l)mutse), met assimilasie van ts na s. Bet. 3 en 4 is leenbetekenisse van Eng. cap (1762 in bet. 3, 1864 in bet. 4), of bet. 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 op 17 Maart 1661 in die aanhaling "als oock rode mutsen ende root laecken" (Resolusies van die Politieke Raad, C.2).
Mnl. mutse uit a(l)mutse, met lg. uit Middeleeuse Latyn almutia 'mantel met kap', met lg. gevorm uit die lw. al en Arabies mustaqa 'pelsmantel met lang moue'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

muts (de, -en), (ook, niet alg.:) condoom. - Etym.: De vergelijking met het gelijknamige hoofddeksel ligt voor de hand. - Syn. hoedje*, kondo*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mus: hoofdeksel; Ndl. muts (Mnl. mutse, by Kil mutse naas a(l)mutse/almuys, by vRieb muts maar plekn. Clapmus), Hd. mütze, naas ouer vorme a(l)mutse, Eng. amice, Fr. aumuce/aumusse, Sp. almucio – mntl. hibr. wd. m. Arab. al- + Germ. wd., egter reeds Ll. almutium, “kapmantel”, wat misk. teruggaan op Arab. mustaka en dit op Pers. musta (uit must, “vuis”, ong. “wat i. d. vuis saamgevat kan word”); mus misk. te skei v. ander vorme, anders òf hibr. òf Arab.-Pers.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

muts: burgerlijke, domme vrouw; saaie vrouw die nooit eens uit de band springt. Refereert volgens sommigen aan het schaamhaar. Heestermans (1989) denkt eerder aan een verband met de (verouderde) uitdrukking in de muts (slaapmuts) slapen: een sufferd zijn. De denigrerende term muts wordt niet alleen door mannen gebruikt, maar hoor je ook van vrouwen over andere vrouwen. Hiervan afgeleid is het werkwoord mutsen, dat niet alleen ‘copuleren’ maar ook ‘kletsen, ouwehoeren’ betekent. Op de muts gaan betekent ‘copuleren’, net zoals het studentikoze mutsje volpompen. Mutserig (als bijvoeglijk naamwoord en als bijwoord) is ‘truttig’. Een mutsenclub staat voor een gezellige vrouwengroep. Als scheldwoord is muts blijkbaar niet krachtig genoeg want jongeren voegen er graag allerlei versieringen aan toe: vuile muts; uit de baarmoeder geslingerde muts enz.

VN’s eindredactrice Martje Breedt Bruyn – een door het Leven geslagen muts in de menopauze (Theo Van Gogh, Er gebeurt nooit iets, 1993)
Onlangs moest ik commentaar geven op het onderzoeksgegeven dat de Nederlandse vrouw zo traditioneel is: een echte ‘muts’ die alleen maar thuis bij de kinderen en de automaat wil zitten. (Opzij, januari 2001)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

muts (Latijn almucia, almucium)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muts (vroeger ook amutse, almutse) wordt gewoonlijk gehouden voor het Lat. almutia = koorkap, later ook door leeken gedragen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

muts ‘hoofddeksel’ -> Engels mutch ‘slaapmuts; hoofddeksel voor vrouwen en kinderen’; Schots mutch, much ‘kap of muts (van mannen en vrouwen); oude vrouw’; Zweeds mössa ‘hoofddeksel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins myssy ‘hoofddeksel’ ; Ests müts ‘hoofddeksel’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect moutche ‘nachtmuts van een man of vrouw’; Amerikaans-Engels dialect mutch ‘hoofddeksel voor vrouwen’; Papiaments mùts ‘hoofddeksel’; Sranantongo musu ‘hoofddeksel; condoom’; Saramakkaans músu ‘hoofddeksel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muts hoofddeksel 1373 [MNW] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1583. De muts staat hem verkeerd,

d.w.z. hij is slecht gehumeurd, verdrietig, slecht gemutst (zie no. 656); dial. de kop staat hem verkeerd of kroes; de pet staat hem de eene week wel eens anders dan de andere (hij is ongelijk van humeurNdl. Wdb. XII, 1397.); fri. de mûtze stiet him forkaerd; hd. seine Mütze schief aufhaben. De wijze waarop iemand zijne muts draagt, placht als kenteeken van zijne stemming te gelden; staat ze ‘op drie haartjes’Zie R. Visscher, Brabbeling, 30., op ‘half zeven’ of op ‘half elf’ (Harreb. III, 478), dan is hij vroolijk; heeft hij ze onverschillig, scheef opgezet, quand il a mis son bonnet de travers, zooals de Franschen zeggen, dan maakte men daaruit op, dat hij slecht geluimd was (Taal- en Letterbode V, 295). Vgl. het mnl. haer caproen stont al int noort (= scheef, verkeerdTijdschrift XIX, 149.) of verdraeyt; verder Westerbaen II, 649: Hoe of ons dan de muts sal staen, als 't land sal schijnen wegh te gaen (als we in zee steken); Zeeus, Ged. (anno 1721), bl. 391: Hoe! hebje kwestie of staet u de muts niet wel?; C. Wildsch. III, 50; Halma, 364: De muts staat hem niet wel van daag, il n'est pas de bonne humeur aujourd'hui, il s'est levé le cul le premier. Hierbij behoort ook de uitdr. daar staat hem de muts niet naar, daarvoor is hij niet goed gehumeurd (Tuinman, I, 65); hij is niet zoo (of niet half zoo) gek, als hem de muts staat, hij is beter dan men hem wel zou aanzien, dat we lezen bij V. Loon, 97; Van Effen, Spect. IV, 222; IX, 79; Sewel, 502: hy is zo gek niet als hem de muts wel staat; Waasch Idiot. 768: hij is zoo zot niet als dat zijn muts staat; syn, van: zoo schaapsch niet zijn als men wol draagt of zoo rot niet zijn als men stinkt ('t Daghet, 160; 190). Zie verder Tuinman I, 65; Joos, 86: hij heeft zijn vieze (of slechte, kwade) muts op; zijn muts staat scheef (ook bij Eckart, 378); in Drente: hij hef de blikken musse op, hij is slecht gehumeurd (Bergsma, 54); Rutten, 149: zijne goede muts aanhebben welgemutst zijn; zijne slechte muts aanhebben, slecht gezind zijn; Antw. Idiot. 840: zijn goei of zijn slechte, kwaai muts ophebben, goed of slecht gezind zijn; zijn zotte muts ophebben, een vroolijke bui hebben; zijn muts staat verkeerd, hij is kwalijk geluimd; zijn losse muts opzetten over, zich onverschillig betoonen over iets (in Mgdh. 101; Nachtkr. 29: Zoo had ze een losse muts over alles opgezet, trok zich weinig van de om 'r gebeurende dingen aan); hij heeft er een licht mutsje over op (Harreb. II, 111) naast er een zware muts over ophebben; fr. in swiere mûtse op hauwen, in zorg zijn over iets; vgl. Ndl. Wdb. IX, 1279 en no. 281.

1307. Een kwast,

d.i. een zonderling, een zot, een fat, ook een kwastelorum of een kwasteldorom genoemd (Draaijer, 23 b; Molema, 232; Rutten, 127). Misschien moet men er eigenlijk onder verstaan, iemand die allerlei kwasten en strikjes draagtWinschooten, 200: Hij draagt quasten (dat een soort van strikken zijn) aan zijn beenen; Brederoo, Sp. Brab. vs. 58.; vgl. een hoed, een pruik, een haneveer; een kruk (zie no. 1298); barg. kruif (eig. haarkrul), kwast, verwaande kerelNdl. Wdb. VIII, 402; Köster Henke, 37.; bij De Bo, 723 a: een dwaze mutse (= vrouw); doch mogelijk is evenzeer, dat wij moeten denken aan kwast, ook een harde kwast, eig. een knoest in het hout, in de 17de eeuw in overdrachtelijken zin een lastig, koppig, grillig mensch, iemand met allerlei kuren. Zie Hooft, Uitlegk. Wdb. III, 198; Coster, 29, vs. 592; 40, vs. 908; 541, vs. 1450; Langendijk, Vad. Koopl. 12 (Panthéon-ed.); Spaan, 130: een houtig kwasje, een lastig heer; 169: een netelig kwasje; C. Wildsch. III, 353; Halma, 524: Quastig, koppig, hoofdig; een quastige vent, un bourru, un fantasque, un capricieux ou bizarre; quast, un bourru, un sot; dat is eene quast van een vent, een koppig of wonderzinnig mensch, c'est un bourru, un capricieux, un bizarre, un têtu; Sewel, 330: Kwast (quibus, halve gek), fob, fool, boohy; fri. in kwast, een geurmaker. In den zin van lastig wezen wordt kwast gebruikt bij Van Effen, Spect. VIII, 205: De naam van gryzen knorrepot, van viezen kwast, van ouden zot. In dien van zot komt het voor in de Gew. Weeuw. I, 17; in Zuid-Nederland beteekent het vroolijke snaak, spotvogel, losbol, verkwister, kwieskwas (Teirl. II, 194); zie Waasch Idiot. 381 a; De Bo, 593 a; Antw. Idiot. 733; Teirl. II, 193; Schuermans, 313. Het is mogelijk, dat we kwast in dezen zin in verband moeten brengen met het ww. kwasten, drinken, lichtmissen (De Bo, 593; Schuermans, 313), dat wellicht hetzelfde is als het door Kiliaen vermelde quasten, quisten, cum impetu effundere, profundere. Het daarnaast voorkomend synonieme kwispel (De Bo, 597 b; Rutten, 127) of kwispelaar en het ww. kwispelen (zwieren, boemelen; Tuerlinckx, 355) doet eerder denken aan kwast, kwispel in den zin van staart en vandaar kwasten, kwispelen, als een staart heen en weer gaan, slingeren, doordraaien, leegloopen, dweilenZie Ndl. Wdb. III, 3734; VIII, 726; 818.. Ook in het Nd. spreekt men van en dulle quast, en fine quast (Eckart, 420 b; Grimm VII, 2330) en in de 16de eeuw komt de naam Hans Quast voor als zot, dwaas, gekZie Bolte und Seelmann, Niederd. Schauspiele älterer Zeit, 157; Reuter, 89.; in het Westphaalsch: 'n kwast van 'n kerel, 'n wunderliken kwast, 'n hanskwast (Woeste, 435 a).

1584. Met de muts naar iets gooien (werpen of smijten).

In de 17de en 18de eeuw beteekende dit: er niet naar kunnen talen, ergens niet aan behoeven te denken; het kwijt zijn; zie V. Moerk. 225; Schijnh. 430; Van Effen VI, 168; Tuinman I, 250. Tegenwoordig beteekent deze zegsw. iets trachten te verkrijgen of er een slag naar slaan; er naar gissen; zie Harreb. II, 110; Nw. School VIII, 296; Handelsblad, 22 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 1: Vandaar een voortdurend conflict tusschen importeurs en den fiscus. Men gooit er met de muts naar. Zoo werd een onechte oudheid door den fiscus verbazend hoog getaxeerd; Molema, 386 b; d'r is gein smieten mit de muts na, er is geen bijkomen aan, 't is ver boven of buiten mijn bereik, ik kan er niet naar talen; evenzoo bij Gunnink, 209; fri. dêr is gjin smiten mei de mûtse nei, daarover weet ik mijn groote verwondering niet uit te drukken; ook: daar is niet tegen te bolwerken; oostfri. d'r is gên schmîten mit de mütse na, 't is niet te bekomen; syn. van er is geen gooien naar (o.a. C. Wildsch. II, 144); in het fri.: hy docht er mar in smeet mei de mûtse nei, hij raadt er maar in den blinde op los, zonder iets van de zaak te weten. In den zin van ‘een gooi naar iets doen’ (vgl. no. 714) hoort men ook wel: ‘met zijn petje ergens naar gooien’,Ndl. Wdb. XII, 1397. wat doet vermoeden, dat de uitdr. aan het een of ander jongensspel is ontleend. Zie Ndl. Wdb. IX, 1279; Zuid-Limb.: met zijn klak naar iets slaan, zooals een jongen naar een vlinder.

1585. Zoo vast als een muts met zeven keelbanden,

d.w.z. heel vast, heel zeker; Tuinman I, 59 spreekt van: Dit was ruim zoo vast als een mutsje met een keelband; bij Modderman, 149: De vreugde is niet zoo vast als een mutsje met een keelband; Folie I, 146: 't Is soo vast als een Muts met negen-en-negentig keelbanden. Van zeven is sprake bij Van Dale: Dat is zoo vast als eene muts met zeven keelbanden, dat is vast en zeker; De Vrijheid, 6 Dec. 1922, 3de blad: Of je van de kat of den kater gebeten wordt, is anders precies hetzelfde. En in elk geval staat het dan toch maar vast als een muts met zeven keelbanden, dat ik m'n buurvrouw wel degelijk goed begrepen heb; fri. in mûtse mei saun kielbânnen.

1843. Iemand een pluimpje geven,

of iemand een pluim of een veer op den hoed of de muts zetten of steken, d.w.z. iemand prijzen, hem een complimentje maken. De eigenlijke bet. der uitdr. is iemand mooi maken, hem opsieren, als met een pluim op den hoed (vgl. no. 1726; de 17de-eeuwsche uitdr. iemand een leelijken hoed (= krans, kroon) opzetten, hem smaad aandoenOok in het fr. voilà un beau chapeau qu'on lui a mis sur la tête.; bij overdracht: iemand mooi maken in het oog der menschen, hem loven, prijzen. Duidelijk blijkt deze ontwikkeling uit Hooft, Brieven, 140: Ik wil hem altijdts wel verzeekeren, dat hy geenen noodt heeft van vereedelt oft ridder geslaagen, oft opgepotst te worden met pluimaadjen van tijtelen. Zie verder C. Wildsch. V, 46; Van Effen, Spect. VII, 203; Sewel, 643: Zet hem een pluimpje op (vleid hem een beetje), only fawn him a little; in V. Janus III, 37: iemand een pluim op het hoofd zetten; Afrik. iemand 'n pluimpie gee (of steek); Uit één pen, 50: Zonder nou m'n eigen een pluim op de muts te willen zetten; Dievenp. 16: 'n Pluim, die de officier of de president van de rechtbank 'n rechercheur op z'n hoed steekt; Nkr. VII, 6 Dec. p. 2: Hij had ons nooit zoo'n pluim op den hoed gestoken als 't niet was om daarmee de vrijzinnigen te kunnen tergen; Het Volk, 4 Aug. 1914, p. 8 k. 4: Ik vind het niet noodig om mekaar een veer op den hoed te steken; Lvl. 11: De aanzienlijken die 'n pluim in d'r kont krijgen van een of anderen perspoen als ze verrekken. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 527 b: iemand een pluimpken geven, lof toezwaaien; Rutten, 178: dat is een pluim op zijnen hoed; Schuermans, 492 a: een pluimken op zijnen hoed steken, zich om ets roemen of fier zijn (zie ook Joos, 80); er steekt geen pluimken op, het is niet schoon, niet treflijk; Land v. Waas: dat is een pluimken op uwen hoed, eene reden om fier te zijn; daar verdient hij een blommeken veur, daar dient hij om geloofd; iemand een blommeken geven, hem prijzen; dat is een blommeken op uw mouw, dat strekt u tot eer (Waasch Idiot. 126; 290); het eng. a feather in one's cap, een eerbewijs, iets om trotsch te zijn, en het fr. c'est une plume à son chapeau, se dit de quelque chose qui est de distinction ou qui flatte la vanité (Littré, 3, 1172). In het Friesch: immen in fiter of in fear yn 'e broek stekke naast in plomke krije.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut