Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

musket - (mannetje van de sperwer; wapen)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Musket Mosket Naam voor het ♂ van de Sperwer.
ETYMOLOGIE N Musket

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

musket (Oudfrans mousquet)
Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mosket [mannetje van de sperwer] {1605} < oudfrans moschet (frans émouchet), hetzelfde woord dat ook musket heeft opgeleverd.

musket [mannetje van de sperwer, ouderwets geweer] {musket, musschet [sperwer] 1287; de betekenis ‘geweer’ 1584} < frans mousquette (16e-eeuws) < italiaans moschetto [idem, pijl, musket], van mosca [vlieg] < latijn musca [idem]; ettelijke wapens werden naar dieren genoemd, bv. slang, kat, ram, onager.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mosket znw. m. ‘mannetje van de sperwer’, mnl. musket, musscet o. < ofra. mouchet (nfra. émouchet) ‘sperwer; torenvalk’. Men denkt wel aan het verkleinwoord van muscio, waarvoor zie: mus, maar het is bevreemdend, dat het verkleinwoord van zo een kleine vogel een grote vogel als de sperwer is gaan betekenen.

musket znw. o. ‘ouderwets geweer’, sedert eind der 16de eeuw < fra. mousquet > ital. moschetto, dat eig. ‘sperwer’ betekent (vroeger werden schietwerktuigen wel meer naar vogels benoemd). — Zie voor de vogelnaam onder mosket.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

musket znw.o., sedert ’t eind van de l6.eeuw. Uit fr. mousquet > it. moschetto; dit is identisch met ofr. mouchet (fr. émouchet) “mannelijke sperwer”, dat als mnl. musket, musscet o., nnl. mosket (de) ontleend is. Een afl. van lat. musca (fr. mouche) “vlieg”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mosket m., uit Ofra. mosquet, (Nfra. mouchet, vogel, — mousquet, vuurwapen: vaak gaf men vogel- en slangennamen aan vuurwapens), van Mlat. muscheta, dim. van Lat. musca: z. mus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

musket ‘ouderwets geweer’ -> Javaans masketi ‘ouderwets geweer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

musket ouderwets geweer 1584 [De Bruijn Tw. 10] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut