Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mus - (zangvogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mus zn. ‘zangvogel (geslacht Passer)’
Onl. musca ‘mus’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. musge ‘mus’ [1240; Bern.], mussche [1287; VMNW]; vnnl. mus ‘mus’ [1610-19; WNT verbeten].
Ontleend aan vulgair Latijn muscio ‘mus’, afleiding van Latijn musca ‘vlieg’, vanwege het kleine formaat van de mus.
Evenzo ontleend zijn: mnd. (misschien via het mnl.) musche; ohd. (glosse) muscha (mhd. (Nederrijns) musche, nhd. alleen gewest.). De ontlening blijft vooral beperkt tot het gebied ten westen van de Rijn (Frings 1966). Het verband met Oost-Fries (Wangeroogs) mûzûk en Noord-Fries mösk, määsk, wijzend op een grondvorm *mosukō, is onduidelijk.
Hetzelfde vulgair-Latijnse woord heeft geleid tot Oudfrans musson, moissun ‘mus’, dat nu alleen nog in randdialecten voorkomt, en Catalaans moixó ‘mus’ (FEW muscio).
Lit.: Frings 1966, 164; Frings 1968: 334-336

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mus [zangvogel] {oudnederlands musca 901-1000, middelnederlands mussche, mussch, mosch} middelnederduits musche, middelhoogduits musche < vulgair latijn ∗muscio [kleine vogel], van latijn musca [vlieg], dus eig. ‘vliegenvanger’ (vgl. mouche).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mus, mos znw. v., mnl. mussce, mossce, evenals onfrank. musca, mnd. musche, mhd. (nederrijns) musche m. ‘musje’ is in een gebied reikende van de Nederrijn tot aan Trier ontleend < lat. muscio (vgl. ofra. musson, mousson), (Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 178-179). De naam van de vogel bet. eig. ‘vliegenvanger’, daar hij afgeleid is van lat. musca ‘vlieg’.

Voor de vormen in Oost-Nederland zie de kaart Nr. 7 bij K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

musch, mosch znw., mnl. mussce, mossce v. = onfr. musca v., mnd. musche (westf. müsche) v. “musch”, mhd. (nederrijnsch) musche m. “muschje”, muscha reeds in een glossaar, dat wsch. op een 9.-eeuwsch glossaar uit de Lahn-streek (middelfrank.) teruggaat. Verwantschap van dit woord (in dit geval germ. *muskiô(n)- “musch”) met lat. musca “vlieg” (zie mug) of veeleer ontl. hieruit is aannemelijk: vgl. laat-ohd. gras-mucca (nhd. grasmücke) v.”curruca”, oudnhd. (1557) ook graszmusch genoemd, - en ofr. mussun, mousson, norm. moison “musch” < lat. muscio (Reichenauer glossen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

musch v., Mnl. mussche, met Ndd. musche (van waar Hgd. mosch), uit Lat. muscam (-a): z. moesje, en vergel. mosket en Hgd. mücke in grasmücke.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mösj (zn.) mus; Aajdnederlands musca <901-1000> < Latien musca.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mossie s.nw.
Enigeen van 'n aantal kleinerige voëltjies wat wydverspreid in S.A. voorkom, o.a. die gewone mossie en die huismossie.
Afleiding met -ie van Ndl. mos, ook mus. Volgens Kloeke (1950: 199) klink mossie "vertrouwd ouderwets 'Hollands'". Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm mosseltje en by Mansvelt (1884) in die vorm mossi met die opmerking "Zoo zeer heeft in dit woord de uitgang i (je) alle bet. van verkleining verloren, ... dat ... de verkleiningsuitgang voor den Afr. noch iets kleins, noch iets liefelijks beduidt en dus geheel krachteloos is geworden".
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1875 - 1884).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mossie I: alleen as dim., voëls. (spp. Passer, fam. Fringillidae); Ndl. mus(ch)/mos(ch) (Mnl. mussce/mossce), in 9e-eeuse Frk. glosse reeds muscha, hou verb. m. Lat. musca, “vlieg” – dié voël wsk. as “vlieëvanger” benoem (i.v.m. sy gebied v. dVri J NEW).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Dood Bnw: Segsw.: So dood soos ’n mossie. In Ndl. lui die uitdrukking: Zo dood als een pier. – Corn. en Vervl. 1909: Zoo dood als ’en musch: Joos 449: Id.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

MUSSENPasseridae
Mus is ontleend aan het Latijnse musca = vlieg; ook wel ‘klein vliegend dier’. De betekenis van mus zou dan ‘klein vogeltje dat overal voorkomt’ zijn. Zoals ook insecten overal voorkomen.

HUISMUSPasser domesticus
Duits Haussperling
Engels House Sparrow
Frans Moineau domestique
Fries Mosk
Betekenis wetenschappelijke naam: bij het huis horend vogeltje. De Huismus leeft daar waar mensen wonen, want om te nestelen en voedsel te vinden heeft de soort zich aan ons gebonden. Geheel en al een cultuurvolger, dit mede dankzij een hoog ontwikkelde onderlinge sociale instelling. Naast de gebruikelijke naam Mus vermelden wij de soortgelijke streeknamen Huusmus(se) (Ach), Hussemus (Ach), Hoesmusse (Ach), Hoesmösj (Maa), Hûsmosk (Fr), Musk (Gr), Muske (Ach, KvO), Musse (Ach, Goe, ZVl), Mosse (ZBW), Mos(ke) (Tex), Mors (Gd) en Moets. Bij ‘Huis’ e.d. gaat het om woningen waar de soort onder de dakpannen kan nestelen. De namen Dakmus (Vla), Panmus (Vla) en Dakschijter duiden daar op. Met Roestvogel wordt z’n verblijfplaats onder de dakbalken aangeduid. Andere huiselijke namen zijn Huisschijter, Huispoep, Huusklets (NLb) – een kletskous –, Huwklets (TBw), Huuskloot (Lij), Hussekont (Lij) en Huwkrits (NLb). Een ‘krits’ is misschien een ruziemaker. Kets (ONB) is ook een kattige vrouw en Klut (NLb) een kluitje, zoals we een mus zien zitten. Het voor de eeuwwisseling zo algemeen en niet mensenschuw vogeltje maakt vaak een ‘brutale’ indruk en krijgt dan heel wat schimpnamen. Aan de reeds genoemde kunnen we toevoegen Korezijker (NLb) en Slet (Tex). En uit de naam Brommus (ONB) blijkt ook al weinig achting voor z’n zangkunst. Steenmus hoort duidelijk bij z’n woongebied. Op straat pikt hij altijd een graantje mee en heet daar Straatmus, Straatjongen en Strontpikker (Kem). De namen Straalmus en Strötsj (Lb) kunnen betekenen dat hij straalt van gezondheid. Kaaiarabier (Rdm) zegt men op de havenkaden. Behalve een katje in Gresketje (TBw) – een klein vogeltje in het gras – is hij ook een Holkater (Ens). Wij vragen ons af of Flots (Lb), Floers (NLb) of Vloers (NLb) uit elkaar zijn gevormd en kunnen alleen opmerken dat een ‘flots’ een manzieke vrouw is, een ‘floers’ een rouwband en ‘vloers’ met velours of fluweel van doen heeft. Z’n oude namen Leuning (Ach), Luninge (Ach), Leunink (Ach) en Löanig (Twe) zijn verwant met het Duitse en Oostfriese Lüning. Over de betekenis bestaat geen duidelijkheid. Mogelijk is deze ‘schaller’ wegens zijn luidruchtig getjilp. Anderen zien verwantschap met ‘woonplaats’, in welk geval deze namen b.v. ‘huisvogel’ kunnen betekenen. In het Middelnederlands komt de naam Sparre voor. In het Duits Spar, zijnde een gemoedelijke benaming, afgeleid van Sperling. Vroeger werden mussen tot nestelen gelokt in een z.g. mussenpot, via welke ze meestal in de kookpot terecht kwamen. Vandaar de naam Potmus. De betekenis van Reeuwteuw (Ens) is wellicht ‘ouwe zeur’ en kan tevens een nabootsing van het tjilpen zijn. Uiteenlopende namen in België zijn Ankermus, Blokmus, Dikke Mus, Grote Mus, Pai, Papmus, Pauwmus, Stroomus en Tarwemus. Overigens, naast de Franse naam moineau was een oudere naam ‘moine’ bekend, die tevens monnik betekent. Naderhand is er verband gelegd tussen mus en monnik en wel vanwege beider donkergrijze uiterlijk of volgens anderen, vanwege het donkere kopkapje dat de man-mus zowel als de geestelijke draagt. Dat de Huismus een onaanzienlijk vogeltje wordt gevonden blijkt uit het gezegde ‘iemand blij maken met een dooie mus’. Geheel iets anders is de achtergrond van ‘het was zo warm dat de mussen dood van het dak vielen’. Hier ging het oorspronkelijk om mossen, d.w.z. dat het op de daken van boerderijen groeiende mos bij warm weer opdroogde en er als dood afviel. Deze vogel is ons zo vertrouwd dat we zijn naam hebben gegeven aan mensen die graag thuis blijven, want we zeggen “hij (zij) is een echte huismus”.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mus (Latijn muscio)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Er valt geen mus van het dak zonder dat het zo bedoeld is, alles vindt plaats met een reden, alles is voorbestemd, van hoger hand zo beschikt.

Deze uitdrukking gaat terug op Matteüs 10:29, 'Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil'). Hier wordt bedoeld dat God ook zorgt voor het geringste beestje. De moderne uitdrukking heeft van het dak in plaats van ter aarde, mogelijk onder invloed van de zegswijze de mussen vallen van het dak ter typering van een grote hitte. In het hedendaagse taalgebruik wordt de uitdrukking vooral gebruikt in letterkundige context, waarbij het bijvoorbeeld gaat om de almacht van de auteur ten opzichte van het verhaal dat hij vertelt.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 56, 7-9. En wetti nit dat men twe muschen copt om enen virdonc? ende nochtan en valter ene ter erden nit sonder dat ghehinknesse vs vader die in den hemele es.
De held weet niet wat wij wel weten: dat hij zijn voorbestemde einde tegemoet loopt, welke beslissing hij ook neemt. Geen mus die zonder doel van het dak valt, al is de val zelf wellicht hoogst toevallig. (NRC, jan. 1995)
Om haar te helpen vroeg ik haar of dit hetzelfde was als die beroemde mus van W.F. Hermans, die in een roman niet van het dak kon vallen of het had een bedoeling. (Connie Palmen, De erfenis. CPNG, 1999, p. 36)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Mos Mosch Heterofonen voor Mus ↑. Streken waar de o in de naam voorkomt zijn o.a. Texel (Mos; “een oudere naam is Slet”) [Dijksen 1992], Kop van Noord-Holland (Mos, Mosk) [Pannekeet 1990] (ook Mosch bij de uit Hoorn afkomstige Houttuyn 1763), Schouwen-Duiveland (Mosse) [Beekman et al. 1986].
Zie ook fries Mosk. B&TS melden ook Moets, maar geven geen locatie hiervoor op.

Reade Mosk Officiële friese naam voor de Roodmus ↑ [Boersma 1972]. Letterlijk staat er: ‘rode mus’.
De Roodmus werd op 19 juni 1968 voor het eerst in de provincie Friesland gesignaleerd, te weten bij Oosterend op Terschelling. Daarna volgden nog vrij veel waarnemingen: de Roodmus is een oprukkende nieuwkomer in N (wel zijn de wn.en bijna uitsluitend aan de kust). Voor de etymologie van Mosk ↑ en zie sub Mus.

Mosk Officiële friese naam voor de Huismus ↑ [Boersma 1972]. De Vries 1911 geeft: “Mosk, Hûsmosk.” In de Kop van Noord-Holland komen de westfriese namen Mosk en Mos voor [Pannekeet 1984].
De naam is ws. typisch fries. Ook bij Houttuyn 1763 (de auteur was afkomstig uit Hoorn in de Kop van Noord-Holland) is alléén sprake van Mosch ↑; “Musch” wordt daar niet genoemd. De oost- en noordfriese naam voor de soort luidt heel anders: Lüning (zie sub Leuning).
Meer dan Mus in het N, komt Mosk in het fries in gevleugelde uitdrukkingen voor: Sa sêd as in mosk, letterlijk ‘Zo zat als een Mus’; Jin fermeitsje as de moskjes yn it sân ‘zich bijzonder vermaken’, letterlijk ‘zich vermaken als de Musjes in het zand’; Do bist ek in mosk út it protterbosk, hear! ‘Jij bent me ook een mooie!’, letterlijk ‘jij bent ook een Mus uit het Spreeuwenbos, hoor!’; Kwyt wie Hantsje de mosk ‘de vogel was gevlogen’, letterlijk ‘zoek als Hansje de Mus’ (vgl. sub Hanne).
In mosk is syn fearren like nedich as in swan ‘iedere stand vraagt zijn eigen staat’ [Zantema 1992] ~’n Mosk het z’n vere nôdig, maar ’n swaan ok; Je loike de mosk van Enkhuzen wel (gezegd van iemand die erg brutaal of inhalig is); westfries De kloinste mosk ken ’n aai lègge ‘dat kan zelfs de geringste of domste presteren’ [Pannekeet 1984]. Voor de etymologie van Mosk zie sub Mus.

Mus Algemene N benaming voor voornamelijk twee verwante soorten, de Huis- en de Ringmus ↑. Houttuyn 1763 geeft voor Linnaeus’ 27e “Vink”, “Fringilla domestica”, de N naam Gemeene Mosch (Houttuyn was afkomstig uit Hoorn, Mosch is daarom als westfries te beschouwen). Zie ook Mos en Mosk.
ETYMOLOGIE N/vlaams Mus, Musch musch, muysch, mussce (1270), mussche, musge (Bern c.1240) [VT]; N Mos, Mosch ↑, Mosse, fries Moskmossce, mossche, mosch; mnd/mhd (nederrijns) musche1, westfaals müsche [FWH], muss in de ss. D Riettmuss ‘Rietgors’ bij Eber & Peucer 1549; luxemburgs Mösch; oudnederfr musca, musche [Suolahti]; muscha (11e eeuw, cod. Parisin. 9344 [Suolahti]); oudf mussun, musson, mousson, normandisch moison ‘Huismus’; muscio (betekenis hiervan:?; ‘vliegenvanger’? – maar de Mus is geen vliegenvanger bij uitstek! Misschien kan óók, of beter: musca ‘nieuwsgierige of indringerige (vogel)’ (met als motief de lastigheid van Mussenzwermen voor de oogst van het graan) [mb.00B,26; 00D,45]); dan musca ‘vlieg’; ~Gr μυῖα myîa (<*musia) ‘Vlieg’, albanees mize, litouws musė, R муха moecha (mucha).
N Mosch is mogelijk door a-Umlaut uit (een oudere, aan) oudnederfr musca (voorafgaande vorm) ontstaan. Het zal dit Mosch zijn dat de Friezen als Mosk ↑ hebben overgenomen. Mus(se) wordt door Van Loey 1971 en Van Bree 1972 gezien als een spontane palatalisatie (d.w.z. umlaut zonder umlautsfactor) van de oude klinker. Deze spontane palatalisatie wordt ook wel ingweoonse palatalisatie genoemd, omdat ze alleen plaatsgevonden heeft in de kustdialecten hollands, zeeuws en vlaams (ook dialectisch veugel ‘vogel’ zou een voorbeeld zijn van ingweoonse palatalisering). Mus(se) komt echter ook buiten de genoemde dialecten voor, bijv. in de Achterhoek, terwijl ook D dial. Müsche i-umlaut vertoont [Suolahti p.128]. Bovendien is er D dial. Mösch. De vraag is nu, van welke grondvorm men uit mag gaan; opmerkelijk is dat FWH nog uitging van een germ *muskiô(n)-.
Niet ondenkbaar is dat er wat de betekenis betreft een relatie is met mnl mosse ‘dienstmeid, meid (verachtelijk)’, westnoordbrabants mos ‘liederlijke vrouw’ en D Musche ‘straatmeid’, ‘jonge Koe’. Sommige N volksnamen voor de Huismus hebben dezelfde strekking (zie bijv. Kets, Slet). Weijnen 1996 en Kluge 1967 leggen geen van beiden een eventueel verband met de vogelnaam Mus [De Tollenaere 030203].

==

1 D Grasmücke ‘Grasmus’ biedt geen houvast voor de etymologie van Mus (contra FWH en VT); voor de etymologie zie sub Grasmus.

Spaanse Mus Passer hispaniolensis (Temminck: Fringilla) 1820. Synoniem: Passer salicicola (Vieillot: Fringilla). In de Lage Landen is deze soort voor het eerst op 4 mei 1997 vastgesteld, op Texel, ontdekt door Gaxiola en Wassink. Het is een enigszins op (Huis)Mus gelijkende soort (de zijn zelfs bijna niet te onderscheiden), die ws. voor het eerst (door Temminck) is beschreven van een Spaans exemplaar. Vandaar de wetenschappelijke naam hispaniolensis, wat overgenomen is in N Spaanse Mus, E Spanish Sparrow, F Moineau espagnol, zweeds Spansk sparv, deens Spansk Spurv, ijsl Spánarspör, portugees Pardal-espanhol, pools Wróbel hiszpanski en serv.-kr. Vrabac španjolski. De Spaanse Mus komt echter maar in zeer bescheiden mate in Spanje voor (veel meer in de Balkan), dus is de naam minder gelukkig. It Passera sarda wijst op het voorkomen van de soort op Sardinië.
Door vroegere auteurs werd de soort wisselend als een variëteit of ondersoort van de Huismus beschouwd, dan wel als een zelfstandige soort. Schlegel 1844 voert hem op als “Passer salicarius” (naar “Passer domesticus salicarius” van Keyserling & Blasius 1840) en vermeldt D Schwarzbrüstiger Sperling (huidig D Weidensperling) en F Moineau à poitrine noire. Er is nog een alternatieve N naam (geweest): Halsbandmus ↑.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mus ‘zangvogel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels mossie ‘Kaapse mus’ ; Papiaments mùs ‘zangvogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mus zangvogel 0901-1000 [WPs] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1266. Den kraaienmarsch blazen,

d.w.z. vluchten, en bij overdracht: sterven (Zondagsblad van Het Volk, 1906, p. 219); vgl. naar den musschenhemel gaan (Harreb. II, 110 b; I, 303 a), flauw vallen; gaan mollen rooven, begraven worden (Plantijn; vgl. fr. s'en aller au pays des taupes); den aftocht blazen en in de 18de eeuw de mars blazen of slaanVgl. hd. einem den Marsch blasen, iemand bevelen weg te gaan.. In Groningen: de kraaimars goan (Molema, 224 a). Wil deze uitdr. misschien zeggen: den weg opgaan naar de kraaien (vgl. Vondel's Roskam, vs. 148 en Geusevesper, 7)? Ook de Grieken zeiden als verwensching ες κορακας! loop naar de raven, de raven mogen uw lijk verteren!

1582. Zich verblijden met een doode musch,

d.w.z. eig. zich verblijden met een doode musch in de meening, dat ze leefde; zich verblijden met iets, dat eig. niets beteekent; meenen, dat men iets werkelijk bereikt heeft, terwijl dit toch volstrekt niet het geval is; lat. carbonem pro thesauro invenire. In de 18de eeuw is de uitdr. te vinden in V. Janus I, 144; III, 36; het Boere-krakeel, 53:

 Hoe kunnen zig de luy vermaeken
 Mit doode Mossen, als men zegt!
 Eer dat men van den staet der zaeken
 Nae waerheid, iens is onderrecht.

Harrebomée II, 71 b: Hij verblijdt zich met eene doode mees (of muschW. Kist, Eduard van Eikenhorst (Haarlem, 1809-1811) 3, 259: Ik heb mij dan, in mijne gedachten, met eene doode mees verheugd; vgl. Everaert, 66: Wien dat lydt ghebrec, ghy en achs een meese (waar mees gebezigd is in den zin van iets van geringe waarde).); Falk. VII, 78: Zal 'k vader en moeder lekker maken met een dooie mosch?; Nkr. III, 18 April, p. 4: 't Is klaar als water, dat we ons met een dooie musch verblijden; VII, 10 Mei, p. 2; Het Volk, 20 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Maar gelukkig het is niet waar en de heeren maken zich blijde met een doode musch; 14 April 1914, p. 13 k. 4: Weer zal de bourgeoisie zich verheugen met een doode musch als zij straks de verslagen der debatten leest. In Zuid-Nederland is ook bekend: Twisten voor 'nen dooden hond (of een doode musch), twisten om eene kleinigheid (Joos, 91) en in Antw. iemand blij maken met 'n doo(de) mus(ch), met eene nietigheid (Antw. Idiot. 252; ook in Limb. volgens 't Daghet XIII, 48); fri. hy formakket him mei in deade mosk; Afrik. hy verheug hom oor 'n dooi mossie; vgl. eng. to find a mare's-nest.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal