Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mul - (zn. fijne aarde; bn. pulverig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mul 1 bn. ‘pulverig’
Mnl. alleen in de samenstelling mullheit ‘stoffigheid’ [1477; Teuth.]; nnl. mul ‘pulverig’ in als te mul ende bros van natujre [1634; WNT]. Daarnaast staat het veel oudere zn. mnl. mul ‘stof, zand, losse droge grond’, zoals in doe warp hi mul in sijn ansichte ‘toen wierp hij zand/stof in zijn gezicht’ [1285; VMNW]; nnl. mul (BN) ‘stof, gruis’.
Het bn. is uitsluitend Nederlands en veel jonger dan het zn., waaruit het dus wel secundair zal zijn ontstaan, bijv. via uitdrukkingen als het is mul ‘het is stof’ > ‘het is stoffig’.
Bij het zn. horen: mnd. müll ‘stof’ (waaruit door ontlening nhd. Müll ‘droog afval’); nfri. mel- in mellich ‘stoffig’; oe. myll ‘stof’; < pgm. *mulja- ‘stof’, een afleiding bij de wortel van → malen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mul2* [fijne aarde] {mul, mol 1287} verwant met molm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mul 2 znw. o. (v. m.) ‘fijne aarde of zand, turfmolm’, mnd. müll ‘stof’, nhd. müll ‘droog huisvuilnis’, oe. myll ‘stof’. — Substantivering van het bnw. mul 5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mul III bnw., reeds oostmnl. blijkens Teuth. mullheit — stubbicheit. Een bnw. *mulja-, met denzelfden stam als ’t znw. mnl. zuidnnl. mul o. “stof, losse grond, gruis” = mnd. mul, westf. müll o. “stof”, ags. myl (v.*muljô-?) “id. “.Van de bij malen I, mol I enz. besproken basis mel-, mol-, mel-. In ’t Zaansch meul (daarnaast vroeger moel; vṛddhi-vorm?) “fijn en droog” (van grond), “zacht, murw” (van gras, vleesch).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mol 1 v. (aarde), dial. en Mnl. mul + Ndd. mul, Fri. müll, Ags. myl: uit *mulj-, van den zw. gr. van malen.

mul 1 bijv.(fijn), van den zw. graad van malen.

mul 4 m. (visch), uit Lat. mullus.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Malen, van den Germ. wt. mal (ook mol, mel) = fijn maken; verwant zijn: molen, molm, meel, mul; ook malen = 1°. draaien (als een molen), bijv. maalstroom, en 2°. zaniken: voortdurend draaien als een molen; ook 3°. mijmeren: over iets malen = zijn gedachten om één punt laten draaien. Eveneens: iemand in de maling nemen = om hem in een kring heen draaien en hem bespotten. – Malen in de bet. van schilderen, zie Maal.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mul* fijne aarde 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut