Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mot1 - (dial.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mot 1, zn.: mist. Ook Nederrijns mot ‘nevel’. Vnnl. 1672 in mot en dyzig weder (WNT). Zw. dial. muta ‘motregenen’. Misschien van Mnl. mot ‘fijn stof’ (EWN) of van een basis die ‘vochtig zijn’ betekent, verwant met Oind. mudirá ‘wolk’ (Weijnen).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mot 3, mok, bn.: gebroken, geschonden (stro). Verkort uit blamot, zie mot 1.

mot 5, pred. bn.: blut, alles verloren hebbend (in het spel). Korte vorm van Wvl. blamot ‘murw’. Zie mot 1.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

mot I mist (Strook vanaf Noordwest-Overijssel tot Zuid-Limburg). = eerste deel van motregen ~ zw. dial. muta ‘fijn regenen’. Van een basis die ‘vochtig zijn’ betekent en ook aanwezig is in oind. mudirá- ‘wolk’, nl. modder en gr. múdos ‘vochtigheid’. ~ smots I ↑.
OT IV 60-62, 118-121, IEW 741-742.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal