Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mosterd - (kruiderij uit zaad van een mosterdplant (Sinapis alba of Brassica nigra))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mosterd zn. ‘kruiderij uit zaad van een mosterdplant (Sinapis alba of Brassica nigra)’
Mnl. mostard, mostart, mostert in mostart “sinapis” (mosterdplant) [1240; Bern.], asyne mostarde ende casen ‘azijn, mosterd en kaas’ [1286; VMNW]; vnnl. mostaerd ‘mosterd’ [1562; Naembouck], mostaert oft sennep ‘mosterd’ [1573; Thes.], mostert ‘sterke kruiderij’ [ca. 1615; WNT]; vnnl. zo mengt men mosterd onder de saus ‘dan mengt men mosterd door de saus’ [1746; WNT wijnazijn].
Ontleend aan Oudfrans mostarde ‘kruiderij van geplette mosterdzaden met azijn of wijnmost’ (Nieuwfrans moutarde), afleiding van Oudfrans most ‘ongegist druivensap, jonge wijn’ (Nieuwfrans moût) < Latijn mustum. De mosterd is dus niet genoemd naar de grondstof waaruit, maar naar de most waarmee hij bereid werd. Ook Nederlands most ‘ongegist druivensap’ [1608; WNT] is via Oudfrans most ontleend aan Latijn mustum ‘id.’.
Latijn mustum ‘ongegist druivensap, jonge wijn’ is de onzijdige vorm van mustus ‘vers, nieuw’, van verder onbekende herkomst.
In de Belgische dialecten komt nog steeds de oorspr. vorm mostaard voor, met niet-verdofte -aa-.
Er bestaan ook namen die via Frans sénevé ‘mosterd(plant)’, sanve ‘wilde mosterd’ wel teruggaan op de naam van de Zuid-Europese mosterdplant, Latijn sinapis: verouderd en dialectisch Nederlands zennep, Middelnederlands senep, sennep [ca. 1460; MNW], Oudengels senep, Duits Senf, Zweeds senap, Gotisch (gen.) sinapis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mosterd [plantengeslacht, kruiderij daaruit] {mo(e)staert, mo(e)stert [het met most aangemaakte mosterdzaad] 1201-1250} < oudfrans moustarde, gevormd van latijn mustum [most]; de betekenis is dus ‘toebereid met most’, waarmee vroeger de mosterd werd aangemaakt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mosterd znw. m., mnl. mostaert, mostert > ofra. mostarde (nfra. moutarde), met suffix-wisseling < mostace > vulg. lat. *mustacia bij mustaceus ‘mostachtig’ (zie daarvoor: most). De naam is daardoor te verklaren, dat men oudtijds de mosterd met most aanmaakte. Uit het nnl. stammen verder mnd. mhd. mostert (nhd. mostert gebruikelijk van de Beneden-Elbe tot aan Rijn en Moezel tegenover elders senf).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mosterd znw., mnl. mostaert, -ert (d) m. Uit ofr. mostarde (fr. moutarde), een afl. van lat. mustum (fr. moût): zie most. Ook in andere germ. talen ontleend. In de uitdr. weten waar Abram (Bert, Bartel) den mosterd haalt houdt men mosterd wel voor een substitutie voor most en dit wordt dan wel uit barg, moos “geld” afgeleid: al te hypothetisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mosterd. Uit het Mnl.: mnd. mhd. mostert m. (nhd. mostert m., in West-Duitsland gebruikelijk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mosterd b.nw., s.nw.
1. Sterk, prikkelende donkergeel poeier verkry deur die saad van 'n sekere plant fyn te maal, of die plant self. 2. Middelmatig geel tot ligte olyfbruin, of sodanige kleur.
In bet. 1 uit Ndl. mosterd (Mnl. mostaert). Bet. 2 as s.nw. is 'n leenbetekenis van Eng. mustard (1848). Bet. 2 as b.nw. het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. by Mansvelt (1884) in die uitdr. iemand deur die mosterd haal 'iemand straf' en in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. mosterd en Eng. mustard uit Oudfrans moustarde uit Latyn mustum 'mos', so genoem omdat die poeier wat van die saad verkry is, vroeër met mos aangemaak is.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mos’terd (de), (ook, meestal:) piccalilly, een gekruide, meestal zure saus. - Etym.: Mogelijk het gevolg van de gelijkenis tussen ’piccalilly’ en ’mosterdzuur’. Wellicht wordt hetzelfde bedoeld met Surinaamse mosterd in het volgende cit.: Alle directeurs hadden groote (Keulsche) potten vol ingemaakt zuur: Surinaamse augurken* (worden zij nog geplant?), sjalotten, uien, lemmetjes* en Surinaamsche mosterd (Bartelink 12). AN m. is een smeerbare kruiderij uit de zaden van zwarte mosterd (Brassica nigra) of witte mosterd (Sinapis alba), twee Europese kruiden uit de Koolfamilie*. - Zie ook: hot-sauce*, chatni*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mosterd: gemaalde saad v. spp. Brassica, fam. Cruciferae, as st. kruie gebr., ook wilde soorte v. dies. fam.; Ndl. mosterd (Mnl. most(a)ert) uit Ofr. mostarde (Fr. moutard) uit mostace uit Ll. mustaceus, “mosagtig” – mosterd is vroeër met mos (v. mos I) aangemaak – ook Eng. mustard is aan Ofr. ontln.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Mosterd (zwarte), Brassica nigra
Brassica: is het oude klassiek Latijnse woord voor allerlei koolsoorten. Komt wellicht van het Griekse ‘brassien’ dat ‘koken’ betekent.
Nigra: een onderdeel van de plant is zwart van kleur.
Zwarte mosterd: de naam mosterd wordt in verband gebracht met most of druivensap Om uit mosterdzaad mosterd te maken, heeft men zuur nodig en hiervoor werd vroeger most gebruikt.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mosterd (Oudfrans mostarde)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Most, evenals andere termen bij den wijnbouw, van de Romeinen overgenomen; Lat. mustum. Ook mosterd behoort hierbij, daar men de mosterd met most toebereidde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mosterd ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’ -> Indonesisch mostar, moster ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Ambons-Maleis mostòr ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Javaans mostardi, moster ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Kupang-Maleis mostòr ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Madoerees mostēr ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Menadonees mostòr ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Ternataans-Maleis mostòr ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Negerhollands mostert, muster ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments mòster, mòstert (ouder: moster) ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’; Sranantongo mostert ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mosterd kruiderij van gemalen mosterdzaad 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

41. Weten waar Abraham den mosterd haalt.

Bijna allen, die getracht hebben eene verklaring van deze uitdrukking te geven, beweren dat zij eigenlijk moest luiden: ‘weten waar Abraham den mutsaard haalt.’Zie Harrebomée III, 104. Het zou dan eene zinspeling zijn op het verhaal van Abrahams offerande, zooals het staat opgeteekend in Genesis 22, vs. 1-.14 Er bestaat evenwel een groot bezwaar tegen deze verklaring, nl. dit, dat er in dat verhaal niet naar een mutsaard gevraagd wordt. Izaäk zegt alleen: ‘Vader! ik zie het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer?’ Zie Zeeman, bl. 30-32 en Laurillard, bl. 31-32, waar de verschillende bezwaren tegen deze verklaring worden besproken, alsook Navorscher, XXVI, 248. Prof. De Goeje heeft in het Tijdschrift, II, bl. 71-75 eene andere verklaring voorgesteld. Deze geleerde wijst op de hd. spreekw. er weiss wo Barthel Most holt, en meent dat mosterd een verbastering kan zijn van most, dat zelf weder een verbastering is van het Jodenduitsche moos, dat in het meervoud geld beteekent, terwijl Barthel het Jodenduitsche bartel voor barzel zou zijn in den zin van ijzer, breekijzer. Wij zouden dan in plaats van Bartel Abraham gezegd hebbenIn Gelderland is, volgens Prof. H. Kern, Bart of Bartel de gewone verkorting voor Abraham. Zij komt in de 16de eeuw reeds voor bij Sartorius II, 6, 46, alsmede in de 17de eeuw bij Cats. Joh. Winkler citeert een naam Bartle of Bartele, wellicht eene verbastering van Bartlef, Bartolf of Bartold, welke naam Bartlef ook in deze uitdrukking als variant voorkomt van Abraham en Bart; zie Friesch Wdb., Lijst van Friesche Namen, bl. 26 en Nav. XXVII, bl. 249 vlgg. en most veranderd hebben in mosterd. Hoe vernuftig ook bedacht, is deze verklaring niet zeer aannemelijk, omdat zij veel te gedwongen is voor eene volksuitdrukking.Vgl. Borchardt no. 123 en Zeitschr. f. D. Wortf. IX, 307. Prof. De Goeje gaat bovendien van de meening uit, dat de Duitsche spreekwijze oorspronkelijker is dan de onze, zonder dat dit bewezen is.

Ik stel mij het ontstaan dezer spreekwijze veel eenvoudiger voor en zie in Abraham den naam van een jongen of een man, wien ook, en vat mosterd in den letterlijken zin op. Dat dit toch uit mutsaard zou zijn verbasterd, is hierom reeds niet zeer waarschijnlijk, omdat in naburige Duitsche dialecten ook de spreekwijze voorkomt en ook daar van Abraham en van mosterd sprake is. Zoo lezen wij bij Eckart, 561: ik sal ör well wise, wor Bartel de Mostert halt; ik will di wîsen, wâr Abram de Mustert mâlt of ook ik will di wîsen, wâr Abram de Ton (Zaun) uphangt. Zie ook Taalgids IV, 281 en vgl. V. Janus II, 40: In het Mosterthuis, daar Bartelt gewoonlijk de mostert haalt; Antw. Idiot. 1438: Weten waar Bert zijnen mostaard haalt; fri.: Hy wit. wol hwêr 't Bartele de mosterd hellet. Bedenken wij dat mosterd een gewoon alledaagsch artikel is, voorkomende in vele spreekwijzen; dat bijv. om mosterd gaan in de 17de eeuw een gewone uitdrukking was voor ‘een boodschap gaan doen’,Vgl. ook het Fransch: les enfants en vont à la moutarde, het geheim is slecht bewaard, overal bekend. en dat Abraham een algemeen voorkomende naam is, dan dunkt mij, dat de uitdr. oorspr. wil zeggen: hij weet wel waar iemand iets (in dat geval mosterd) kan koopen, hij is op de hoogte van een zaak, hij weet er alles van. Steun vindt deze meening in andere zegswijzen, die hetzelfde willen uitdrukken. Zoo lezen wij bij Goedthals, 141: Wel weten wat ter marckt t' eten is: wat daer gaens is, qui a couché en l'hospital, il sçait bien de quels draps on y use. Campen citeert bl. 86: Hy weet noch niet, waer Oost is, waarmede te vergelijken is: Weten waar Oost ligt, dat we aantreffen bij Coster, 41 vs. 934 en Molema, 307 b: Van oost wijten; wijten waar oost is. In de middeleeuwen kende men de uitdr. Wel weten van melc meten.Mnl. Wdb. IV, 1360. In een pamflet, collectie Muller 630, anno 1608, 21 v. leest men:

 o Jae ghenoech, ten is oock myn meyningh niet,
 Dat wy door onsen praet souden d'Overheyt bepaelen.
 Sy kennen die mijnen wel, daer tgout is te haelen,
 En dat het sulpher brandt op Etna den berch.

In Van Vloten's Kluchtspel III, 128 vinden wij: Ik hoor wel, dat gy mede wel weet, waar Den Haag leidt, waarmede te vergelijken is de bij Rutten, 137 opgeteekende zegswijze: Ge zult heur niet verneuken; zij kent Maastricht, waarvoor men ook zegt Sint-Nicolaas kennen, d.i. slim zijn, vooral van een minderjarig meisje sprekende (Rutten, 205); terwijl Joos citeert bl. 108: Hij weet waar Merten zijnen wijn tapt, en in het Waasch Idiot. 93 a: Weten waar Bartel zijnen wijn tapt. In N.-Brab.: hij weet wel waar zijn interest ligt. Afrik. Hij weet waar Dawid die wortels gegrawe het (Boshoff, 346).

Verder is te vergelijken hij weet wel ware syne kullekens hangen;Tijdschrift XVI, blz. 57: Hy weet wel ware syne kullekens hangen, hy is loes ghenoech. weten wat op den teerling loopt;Zie o.a. Verwijs X goede Boerden, bl. 46 en Hooft's Brieven, 500. weten wat Paap Marten song (Hooft II, 422); van de garstenbrooden gegeten hebben (o.a. Van Effen's Spectator V, 236, ontleend aan 2 Kon. IV:42-44); hij wist wel waar Petrus den sleutel heeft (Harreb. II, 181); thans bezigt men hiervoor ook weten wat er in de wereld te koop is; weten wat de boter kost (Tijdschr. XX, 78: hij weet wat die botere ter maerct mach ghelden); nd. hä weiss ech, wat de Bottir gilt (Eckart, 571). In het Deensch: han veed, hvor David henter Oellet (Bresemann, 264); hd. er weisz wo Luks Bier holt, wo Matz nach Hefen geht (Wander V, 311).

Met het oog op al deze uitdrukkingen komt mij de hier gegeven verklaring als de meest waarschijnlijke voor. De Duitsche spreekwijze zou ik geheel op dezelfde wijze verklaren en met Zeeman in Bartel willen zien ‘een eigennaam, gebruikt zooals bij ons Piet of Klaas om in 't algemeen een boerenjongen aan te duiden.’Zeeman, bl. 31 noot. Ten slotte wijs ik nog op de uitdr. van de mosterd weten, gebruikt door Bilderdijk, 10, 137 (zie Ndl. Wdb. IX, 1169).

1559. Mosterd na den maaltijd,

d.i. het benoodigde brengen als het niet meer noodig, als 't te laat is. In de latere middeleeuwen bij Goedthals, 112: Mostaert dienen als tvleesch gheten is, fol cornard sert moustarde apres disner; vgl. verder Hooft, Brieven, 135: U E brief en tijdingen zijn ten laatsten te voorschijn gekoomen: mostart naa de maaltijdt; bl. 145: My is leedt dat de Fransche tijdingen zijn gekomen als mostardt naa den eeten. Zie verder C. Wildsch. IV, 190; V. Janus III, 218; Harreb. II, 46 a; III, 286; Ndl. Wdb. IX, 26; Villiers, 83. In het fr. servir de la moutarde après diner; eng. mustard after dinner (or supper) or after meat mustard; in het Nederd. Mustert na den Mâltid; wie Moster no den Êten kommen (Eckart, 370). Synoniem was: vijghen na Paschen (Campen, 110; C. Wildsch. IV, 190); Onze Volkstaal I, 30: vigen nae Paese, in banden (om het koren te binden) nae den oestZie De Cock1. 131.; komen met het zout als het ei op is (Harreb. I, 178); komen met de paal, d.i. ovenschieter (of met bakmeel) als het brood in de oven is (Joos, 92); fri.: hy komt mei aeijen nei peaske; moster nei de mieltiid; lat. aquam infundere in cinerem.

1560. Iemand door den mosterd halen (of sleepen),

d.w.z. iemand over den hekel halen, hem den mantel uitvegen, eene scherpe, gevoelige berisping toedienen. Bij Sartorius IV, 20: Door de mostardt slepen, pro conviciari ac maledicere positum est; Anna Bijns, Refr. 170:

 Abten, proosten, dekens, canuncken ook,
 Hoortmen alomme deur den mostaert halen.

Zie verder Winschooten, 23; Hooft's Brieven, 419; De Brune, Bank. II, 387; Com. Vet. (voorbericht): ‘de groote letterhelden Erasmus, Morus enz. slepen de heerschzugtige geestelyken door den gesuikerden mostaert’In de 16de eeuw werd gesuykerde mostaert als nagerecht gegeten (Noord en Zuid IV, 123).; Tuinman I, 298; C. Wildsch. V, 82; Molema, 270 b; Afrik. iemand deur die mosterd trek; Het Volk, 6 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Hij (de heer Lohman) veracht ze (de kiezers) met adellijke verachting, en de kiezers van Goes werden nu in 't bijzonder door de mosterd gehaald; Harreb. II, 105. Synoniem was in de 17de eeuw: iemand door de pekel trekken, en thans zegt men dial. iemand door de gort, de rijstenbrij roeren (Nav. XXX, 560); Twente: iemand deur de stront halen; in Oost-Vlaanderen en in Kl. Brab.: iemand door het blauwsel trekken, met iemand den spot drijven (Schuermans, 58 b). In het Friesch: immen troch de moster fiterje of helje, flink aanzetten; stoeiend of worstelend afmatten (Fri. Wdb. II, 357 b); fr. passer qqn à tabac. Passer qqn à tabac = brutaliser, battre; passage à tabac, bont en blauw slaan. Zie no. 65 en 1003.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut