Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mossel - (eetbaar schelpdier) (Mytilus edulis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mossel zn. ‘eetbaar schelpdier’ (Mytilus edulis)
Mnl. muss(c)ele, mossele ‘schelpdier’ in dune salt eten negene musscle ‘je mag geen mosselen eten’ (in een geneeskundig voorschrift) [1253; VMNW], .i. corf met mosselen ‘een mand mosselen’ [1288-1301; VMNW].
Ontleend aan vulgair Latijn muscula ‘mossel’, ontwikkeld uit klassiek Latijn mūsculus ‘id.’, letterlijk ‘muisje’, verkleinwoord van mūs ‘muis’, verwant met → muis 1, wegens de overeenkomst in vorm en kleur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mossel [weekdier] {mossel(e), mussel(e) 1253} < oudfrans mousle, muisle < latijn musculus [muisje, spier, mossel], verkleiningsvorm van mus [muis]; vgl. voor het verband tussen muis en spier de muis van de duim en engels muscle [spier]; daarnaast is middelnederlands mosschele een oudere ontlening direct aan het lat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mossel znw. v. mnl. mossel(e), mussel(e)< ofra. mousle, muisle (nfra. moule)> vulgair-lat. mŭsclus > lat. mūsculus. — Daarnaast staan mnl. mosscel(e), musscel(e), os. muskula, ohd. muscula (nhd. muschel), oe. muscle, muxle (ne. mussel), die rechtstreeks op het vulgair-lat. teruggaan. Lat. mūsculus betekent eig. ‘muisje’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mossel znw., mnl. mossel(e), mussel(e) v. Uit ofr. mousle, muisle (fr. moule); dit uit vulgairlat. mŭsc’lus (lat. mûsculus). Evenzoo mnd. mussel. Een oudere ontl. - uit rom. *musclu resp. een v. *muscle, -a - is mnl. mosscel(e), musscel(e) v. “schelp, mossel” = ohd. muscula (nhd. muschel), os. muskula, mnd. muskele, muschele, ags. muscle, muxle (eng. mussel) v. “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mossel v., Mnl. moschele, gelijk Hgd. muschel. Eng. mussel, Fr. moule, uit Lat. musculum (-us) = mossel, eigenlijk dimin. van mus = muis (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mossel s.nw.
Eetbare tweekleppige weekdier, of vleisgedeelte hiervan as gereg geëet.
Uit Ndl. mossel (Mnl. mossel(e), mussel(e)). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die aanhaling "mosselen, van fatsoen gelijcq in 't Vaderlandt in de binnewaters".
Ndl. mossel uit Oudfrans mousle, muisle uit Latyn musculus 'muisie, spier, mossel', verkleinw. van mus 'muis'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mos’sel, Surinaamse mossel (de), tweekleppig weekdier (Crassostrea sp.). Tot de gewoonste soorten behoren () de (Surinaamse) oester* en mossel (Crassostrea), welke laatste twee zich ook op bomen langs de kust en in de riviermonden bevinden (Enc.Sur. 617). - Etym.: AN mossel (Mytilus edulis) is een ander tweekleppig weekdier dat o.m. aan de Ned. kust voorkomt en gekweekt wordt.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

mossel: 1) (in Vlaanderen) futloos persoon; slappeling; lamzak*. Men zegt ook wel: een mossel van een vent.

Dikwijls hoor ik echtparen zeggen dat ze het maar over één ding oneens zijn: de opvoeding van de kinderen. De ene partij is veel te streng en de andere is veel te toegeeflijk. En dan komen klachten en verwijten: je zult van hem een mossel maken – de kinderen zullen zich van je afkeren met al je strengheid. (Vrouw en Wereld, mei 1976)

2) (vaak voorafgegaan door dikke) (in Vlaanderen) dikke vrouw. In Nederland wordt het woord nog smalend gebruikt voor een vrouw in het algemeen. De uitdrukking het stinkt hier naar mosselen verwijst dan naar de visgeur die vrouwen volgens sommigen (vooral homo’s) met zich dragen. Mossel is immers ook een Bargoense benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel. In Vlaanderen wordt het woord in deze betekenis nog veel gebruikt (de term komt o.a. voor in het werk van Louis Paul Boon). Een geile vrouw wordt wel eens een hete mossel genoemd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mossel, van ’t Lat. musculus = mossel; eig. muisje als verkleinw. van mus = muis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mossel ‘weekdier’ -> Fries mossel ‘weekdier’; Engels mussel ‘weekdier’; Zweeds mossel ‘weekdier’ (uit Nederlands of Nederduits); Esperanto muslo ‘weekdier’ ; Negerhollands mośel ‘oester’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mossel weekdier 1253 [CG II1 Gezondh.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut