Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mos - (primitieve sporenplant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mos zn. ‘primitieve sporenplant (stam Bryophyta)’
Mnl. mos ‘mos’ [1226-50; VMNW], ‘moerassige grond’ in Hier in dit aerme eerdsche mos ‘hier in dit ellendige aardse moeras’ [1350-1400; MNW-R].
Os. mos ‘mos’ (mnd. mos); ohd. mos ‘mos, moeras’ (nhd. Moos ‘mos’); nfri. moas; oe. mos ‘mos, moeras’ (ne. moss ‘mos’, dial. ‘(veen)moeras’); on. mosi ‘mos, veengrond’ (nzw. mossa ‘mos’, mosse ‘veengrond’); < pgm. *musa(n)-. Frans mousse < Oudfrans mosse [1176-81; TLF] is ontleend aan het Oudnederlands.
Verwant met: Latijn mūscus ‘mos’ (Spaans musco); Litouws mūsaĩ ‘schimmel op zure melk’; Oudkerkslavisch mŭchŭ ‘mos’ (Russisch moch); < pie. *mus- (IEW 742).
De betekenis ‘moerassige grond’ is bij uitbreiding ontstaan uit ‘plaats waar veel mos groeit’ en komt alleen in de Germaanse talen voor. In het Nederlands is deze zeldzaam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mos1* [plantjes] {1226-1250} oudhoogduits mos [mos, moeras], oudengels mos [moeras] (engels moss), naast oudnoors mosi [mos, moeras], middelnederlands mose [slijk, modder], ook oudhoogduits mios, oudengels meos [mos]; buiten het germ. latijn muscus [mos], litouws musos, oudkerkslavisch mŭchŭ [mos].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mos 1 znw. o. ‘mos, poel’, mnd. mos ‘mos’, ohd. mos o. ‘moeras, poel’ (nhd. moos), oe. mos o. ‘poel, moeras’ (ne. moss) < grondvorm germ. *musa, waarnaast *musan in on. mosi m. ‘moeras, mos’. Ablaut: *meusa: Kiliaen mies (verouderd!), ohd. mios (nhd. dial. mies), oe. mēos m. o. ‘mos’ en *meuza in on. mȳrr v. ‘moeras’, verder *mausa in zuidnl. moos 1. — lit. mūsaĩ ‘schimmel op zure melk’, osl. mŭchŭ ‘mos’, Een -s-afl. van de idg. stam *meu, waarvoor zie: modder. — Een -sk-afl. is mnl. mosch ‘poel, mos’, nnoorw. dial. musk ‘motregen, duisternis’, nde. dial. musk ‘schimmel’, vgl. lat. muscus ‘mos’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mos znw.o., dial. zuidndl. m., mnl. mos (mosc, most zijn secundaire vormen) o. “mos, poel”. = ohd. mos o. “mos, moeras, poel” (nhd. moos), mhd. mos o. “mos”, ags. mos o. “poel, moeras” (eng. moss). Hiernaast de n-stam on. mosi m. “mos, moeras”. Met ablaut Kil. mies (“vetus”), ohd. mios (nhd. dial. mies), ags. mêos m. o. “mos”, met gramm. wechsel on. mŷrr v. “moeras”. Verwant met lat. muscus “mos”, oruss. mŭchŭ “id.”, lit. musaĩ “schimmel op zure melk”, misschien ook arm. mamuṙ “mos”. De rom. woordfamilie, waartoe fr. mousse “mos, schuim” behoort, komt uit het Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mos. Owvla. (herb.) mos ‘muscus’. Een langere stam, te vergelijken met on. mosi m., ook in mnl. mōse v. (nog wvla.) ‘slijk, modder’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mos 1 o., Mnl. mos, mosc + Ohd. mos (Mhd. id., Nhd. moos), Eng. moss, On. mosi (Zw. mossa, De. mose); daarnevens met ablaut Ohd. mios (Mhd. mies), Ags. méos + Lat. muscus, Osl. mŭchŭ, Lit. musai = mos, schimmel. In de meeste Germ. talen beteekent het woord: mos en slijkgrond, wellicht met mosgrond tot overgang; het behoort bij den wortel van modder. Uit het Germ. komt Fr. mousse.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mos ‘plantjes’ -> Frans mousse ‘mos; belletjes in het water; bubbeltjes in drankjes’ Frankisch; Frans dialect † moste ‘drassig terrein, terrein bedekt met mos’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mos* plantjes 1091-1100 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2164. Een rollende steen vergaart geen mos,

d.w.z. iemand, die niet lang op dezelfde plaats blijft of zich niet lang bij 't zelfde ambacht of vak houdt, kan geen vorderingen maken, komt niet vooruit; immers ‘blijven doet beklijven’. De zegswijze is in zeer vele talen bekend; ook in het mlat. assidue non saxa legunt volventia muscum; non petra muscatur, quae se mutando gravatur; raro lapis tegitur musco, qui sepius ambit (Werner, 51; 84; Erasmus, CCII); vgl. Campen, 34: Een steen die men heen en weder wentelt, bewasset selden; Gruter, I, 103: Een wentelende steen, wert niet moschachtig; Cats I, 502: Wees in 't verhuysen niet te los, een steen die rolt, en gaert geen mos; De Brune, 66; 95; 380; Bank. I, 58; Harreb. II, 104; III, 299: Een rollende steen gaart geen mos; enz. Voor andere talen zie Wander IV, 808 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut