Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mortel - (metselspecie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mortel zn. ‘metselspecie’
Mnl. eerst in de vorm morter ‘metselspecie, kalkmengsel’ [1240; Bern.], hout ende steene ende morter [1285; Rijmb.], dattet scheen dat die muere golt voer morter hadde ‘dat het leek of de muren gevoegd waren met goud’ [1460-80; MNW-P], dan ook mortel ‘kalkmengsel, metselspecie’ in hout, steen, mortel [1460; MNW].
Mortel is gevormd met dissimilatie van de tweede -r > -l uit morter, dat is ontleend aan Latijn mortārium ‘vijzel; mengsel met kalk’, zie → marmer; reeds in het Latijn is de betekenis van ‘vijzel’ ook overgegaan op ‘datgene wat in de vijzel verpulverd wordt’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mortel [metselspecie] {mortel(e) [steengruis, mortel, cement] 1350, morter 1201-1250} < latijn mortarium [vijzel, ook: specie] (vgl. mortier).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mortel znw. m. ‘metselspecie’, gedissimileerd uit mnl. morter, moorter(e) o. m. v. < lat. mortarium ‘mortel’ een afl. van de idg. wt. *mer ‘fijnwrijven’, waarvoor zie: vermorzelen. — Evenzo zijn ontleend mnd. mortel, mhd. morter, mortel (nhd. mörtel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mortel (metselspecie), soms o. Met dissimilatie uit mnl. morter, moorter (-ere) o. m. v. Evenals mhd. morter,-el (nhd. mörtel) m., mnd. mortel uit lat. mortârium “mortel”, waaruit ook fr. mortier > eng. mortar “id.”. Vgl. mortier. Voor een met lat. mor-t- hoogerop verwant germ. mur-t- zie bij morsdood.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mortel v., Mnl. mortel, morter, gelijk Mhd. id. (Nhd. mortel), door dissim. uit Lat. mortarium = 1. mortier. 2. mortel: die twee bet. heeft ook het Fr. mortier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

meuter, zn.: mortel. Door ass. rt > t uit meurter < Mnl. mo(o)rter, mo(o)rtel, Vnnl. morter (Kiliaan). Uit Lat. mortarium ‘mortel’, waaruit ook Fr. mortier. Brabants meuter in de fn. Van de Meuter: 1577 van de Muertere = 1594 van de Meuter, Vilvoorde (Debrabandere 2003).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

moortel zn. m.: mortel, metselspecie. Vlaams moortel is ook ‘slijk’. De bet. ‘modder, slijk’ schuilt nog in de familienaam Van de Moortele, Van de Moorter. De bet. ‘mortel’ komt overal voor. Mnl. mo(o)rtel, morter ‘mortel’, 1275 ten mortre, 1291 ten moerterkine, Ronse, 1407 moerterdraghers, 1448 moirtercupe, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. morter ‘mortel’ (Kiliaan). Uit Lat. mortarium ‘mortel’, waaruit ook Fr. mortier in de familienaam Dumortier.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

moortel(e) (G, R, ZO), zn. m.: mortel, slijk. De bet. 'modder, slijk' schuilt nog in de familienaam Van de Moortele, Van de Moorter. De bet. 'mortel' komt overal voor. Mnl. mo(o)rtel, morter 'mortel', 1275 ten mortre, 1291 ten moerterkine, Ronse, 1407 moerterdraghers, 1448 moirtercupe, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. morter 'mortel' (Kiliaan). Uit Lat. mortarium 'mortel', waaruit ook Fr. mortier in de familienaam Dumortier.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

moortel, zn. m.: mortel, slijk. De bet. ‘modder, slijk’ steekt nog in de FN. Van de Moortele, Van de Moorter. Mnl. mo(o)rtel, morter ‘mortel’, Vroegnnl. morter ‘arenatum, coementum, intritum’ (Kiliaan). 1530 wortelvast, mortelvast ende naghelvaest, Menen (OWW). Uit Lat. mortarium ‘mortel’, waaruit ook Fr. mortier in de FN. Dumortier. Ww. moortelen (DB) ‘ploeteren’. Samenst. moortelvet (DB) ‘zeer vet, dik’.

murtel (DB), zn. m.: stukje, brok, iets wat afgebrokkeld is. Zoals mortel bij Idg. *mer- ‘fijnwrijven’.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

mortel 'laaggelegen, modderige plaats'
Mnl. mortel, moortel, mortele, ontstaan uit mnl. morter met dissimilatie van de tweede -r tot -l, dat teruggaat op lat. mortarium 'vat voor het stampen van mortel, vijzel', vandaar 'steengruis, beslagen kalk, metselspecie', in plaatsnamen 'wat op mortel lijkt' en zo ter aanduiding van een laaggelegen, modderige plaats of natte weide. De ontlening moet ver terugreiken, anders zou het woord mortier hebben geluid, als in het Frans. Waar mortier als toponiem voorkomt, betreft het een latere ontlening (vergelijk 1474: tgoet ten mortiere, voor een hoeve bij Tiggelt).

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mortel (Latijn mortarium)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mortel ‘metselspecie’ -> Duits dialect Mörtel ‘kleine, gemetselde (dorps)dijk’; Indonesisch mortél ‘metselspecie’; Negerhollands mortel ‘kalk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mortel metselspecie 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal