Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

morgen - (landmaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

morgen 2 zn. ‘oude akkermaat’
Onl. morgen ‘oppervlakte-eenheid voor akkerland’ [1099; ONW]; mnl. morghen.
Hetzelfde woord als → morgen 1 ‘ochtend’. Met een morgen werd een gebied aangeduid dat in een ochtend kon worden geploegd. De precieze grootte van een morgen was niet overal gelijk, maar besloeg over het algemeen ongeveer 1 hectare. Een belangrijke maat in Nederland was de Rijnlandse morgen (0,85 hectare), die voor de invoering van het metrieke stelsel zelfs enige tijd een officiële standaardmaat is geweest.
Ohd. morgan, morgon ‘id.’ (nhd. Morgen). Nfri. moargen is ontleend aan het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

morgen3* [landmaat] {1130-1161} namelijk zoveel land als men op één ochtend kan ploegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

morgen 2 znw. m. o. ‘landmaat’, mnl. morghen m., ohd. morgan (nhd. morgen) betekent eigenlijk ‘zoveel land, als men met een span op een morgen ploegen kan’.

Dergelijke maataanduidingen zijn oostnl. gie eig. zoveel land, als men in een dag wieden kan’ (vgl. geden ‘wieden’). Ook elders bijv. mlat. dies ‘zoveel land als men op een dag kan beploegen’, of sicilisch médimnos ‘zoveel land als men met een schepel bezaaien kan’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

morgen III (landmaat), mnl. morghen m. Mnl. nnl. dezelfde bijvormen met a, e als bij morgen I en morgen II. Ook ohd. morgan (nhd. morgen), mnd. morgen m. komen als landmaat voor. = morgen I. Oorspr. bet.: “zooveel land als men op één morgen beploegen kan”. Vgl. mlat. dies “tantum terrae, quantum quis per diem uno aratro arare potest”, sicilisch médimnos; “iugerum”, oorspr. “zooveel land als men met één schepel koren bezaaien kan”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

morgen 2 o. (maat), + Hgd. id.: hetz. w. als morgen 1, dus = wat een gespan in een morgen ploegt; vergel. dagmat en Mlat. diurnalis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

morg s.nw. (verouderend)
Oppervlaktemaat van 100 by 100 jaart, ongeveer 8565 m2.
Uit Ndl. morgen (al Mnl.), so genoem omdat die oppervlaktemaat die hoeveelheid grond aangedui het wat 'n mens op een oggend kon ploeg. Eerste optekening in vroeë Afr. op 27 Augustus 1657 in die aanhaling "53 1/2 morgen lants" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

morg: gew. ook as koll. (maat, omvang) v. mv. gebr.; Ndl. morgen naas margen/mergen (by vRieb margen/mergen) is dies. wd. as Ndl. morgen, Afr. môre/more (q.v.), maar as landmaat in Ndl. veroud. en vervang d. hect-/hektare en in sommige dele v. Suidelike Afrika d. acre; ’n morg was eint. soveel grond as in ’n môre met ’n span geploeg kon word.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

morgen 'vlaktemaat'
Onl. morgen, mnl. morghen, ohd. morgan, morgon, nhd. Morgen, een vlaktemaat met de betekenis 'zoveel land als men met een span op één ochtend beploegen kan', hetzelfde woord als morgen 'ochtend'. De grootte van een morgen kon per gewest verschillen, maar besloeg over het algemeen een kleine hectare. De enigszins maatgevende Rijnlandse morgen bedroeg ongeveer 0,85 hectare. In toponiemen meestal als tweede deel in combinatie met een telwoord dat het aantal morgens aangeeft, zie → Zevenmorgen en → Duizendmorgen. Vergelijk ook mlat. dies "tantum terrae quantum quis per diem uno aratro arare potest", mnl. dachmaet, deimt 'zoveel land als iemand in één dag kan afmaaien' (ca. tweederde morgen).

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Morgen, landmaat, in verschillende streken varieerend, waarvan de algemeenst in gebruik zijnde was de Rijnlandsche, die ± 4/5 H.A. was. Oorspr. zooveel als een man in een morgen beploegen kan; zoo ook in het mnl. dachmaet, en in het mlat. dies (eig. dag).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

morgen ‘landmaat’ -> Fries moargen ‘oude landmaat’; Engels morgen ‘landmaat’; Amerikaans-Engels morgen ‘landmaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

morgen* landmaat 1130-1161 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal