Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

morgen - (eerste deel van de dag; op de dag na vandaag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

morgen 1 zn. ‘eerste deel van de dag’; bw. ‘op de dag na vandaag’
Onl. morgan ‘eerste deel van de dag’ in An auont in an morgan ‘'s avonds en 's morgens’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. morghen, marghen ‘id.’ in Des andern morgenis uil fruo ‘de volgende morgen heel vroeg’ [1201-25; VMNW], beide des auents inde des morgens ‘zowel 's avonds als 's ochtends’ [1270-90; VMNW], des margins slapen si te langhe ‘'s ochtends slapen zij te lang’ [1287; VMNW]; daarnaast al vroeg als bijwoord: mnl. morgen ‘op de dag na vandaag’ [1240; Bern.], margen in den dage ‘morgen overdag’ [1265-70; VMNW]. In zuidelijke dialecten (Brabants) komt een vorm morgend ‘ochtend’ voor, waarvan de -d evenals die in ochtend naar analogie van avond is gevormd. Het Engelse morning is op soortgelijke wijze gevormd naar het voorbeeld van evening.
Os. morgan (mnd. morgen); ohd. morgan (nhd. Morgen); ofri. morn, mern (nfri. moarn); oe. morgen, margen, mergen (me. mōrn, ne. morn (dicht.), morning); on. morginn, morgunn, merginn, myrginn (nzw. morgon); got. maurgins; alle ‘ochtend’; < pgm. *murgina-, *murgana-, *murguna-, *margina e.a. De verschillende vormen vertonen ablaut *u:*a in de stam en ablaut *i:*a:*u in het achtervoegsel, waaruit voor de grondvormen allerlei klinkersamenstellingen kunnen worden herleid. De Oudnederlandse vorm morgan komt van *murgana-, waarvan de -u- door de invloed van de daaropvolgende -a- is verlaagd tot -o-. Voorts wordt op grond van de Middel- en Nieuwnederlandse dialectvormen marg(h)en en merg(h)en voor het Nederlands daarnaast een stamvorm *margana- of *margina- aangenomen (FvW). En ten slotte heeft de Middelnederlandse vorm morghin aanleiding gegeven ook een grondvorm *murgina- te veronderstellen.
Verwant met: Sanskrit marká- ‘verduistering’; Litouws mérkti ‘de ogen sluiten’; Oudkerkslavisch mrakŭ ‘duisternis’, mrŭknǫti ‘donker worden’ (Russisch mrak mérknut'); Oudiers mrecht ‘bontgevlekt’; < pie. *merHk-, *morHk-, *mrHk- ‘flikkeren; donker worden’, een uitbreiding van de wortel pie. *mer- ‘flikkeren, fonkelen’ (IEW 733).
Als oudste betekenis van morgen wordt ‘schemering’ aangenomen, wat aansluit bij de betekenissen in de andere Indo-Europese talen. In het huidige taalgebruik duidt het woord meestal het deel van de dag aan dat loopt tot aan het middaguur, zie ook → ochtend en → middag. In de betekenis ‘de volgende dag’ fungeert morgen als bijwoord. Oorspronkelijk was dit het zelfstandig naamwoord, als bepaling van tijd in de datiefvorm, die mogelijk nog in mnl. morne te zien is [1250; VMNW]. Terwijl hiermee aanvankelijk de komende ochtend, volgend op de nacht, zal zijn aangeduid, moet het woord op den duur tot een metoniem zijn geworden voor ‘de volgende gehele dag’. Vergelijk Oudengels to morgne en huidig noordelijk Engels to morn, beide ‘op de dag na vandaag’. Zie ook → morgen 2 ‘landmaat’.
Lit.: N. van Wijk (1905), ‘Naar aanleiding van het woord morgen’, in TNTL 24: 7-15; H. Kern (1906), ‘Germaans *MARGANAZ’, in: TNTL 25, 307-309; T.L. Markey (1987), ‘Morning, Evening and the Twilight Between’, in: S.N. Skomal e.a. (red.), Proto-Indo-European: The Archaeology of a linguistic Problem. Studies in Honor of Marija Gimbutas, Washingon D.C., 299-321

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

morgen1* [ochtend] {oudnederlands morgen 901-1000, middelnederlands morgen, ma(e)rgen, mergen} oudsaksisch, oudhoogduits morgan, oudfries mor(ge)n, oudengels morgen, oudnoors morginn, gotisch maurgins; buiten het germ. litouws merkti [met de ogen knipperen], oudkerkslavisch mrĭknǫti [donker worden]; de grondbetekenis is ‘schemering’.

morgen2* [de volgende dag] {1201-1250} is of de 3e of de 4e nv. van morgen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

morgen 3 bijw. mnl. morghen, mnd. nhd. morgen is een naamvalsvorm van morgen 1 (ohd. morgane wijst op 3de nv. enk., vgl. os. an morgan, oe. to morgene (ne. to morrow), on. ā morgun, got. du maurgina. Een gelijksoortige uitdr. is fra. demain afgeleid van lat. māne ‘vroeg in de morgen’.

morgen 1 znw. m. ‘ochtend’, mnl. morghen m. (morghent naar analogie van avond), onfrank. morgan, morgen, os. morgan, ohd. morgan, ofri. morn, oe. morgen (ne. morning naar analogie van evening), on. morginn, morgunn, myrginn, merginn, got. maurgins. — oi. marka- ‘zonsverduistering’, osl. mrakŭ ‘duisternis, morgenschemering’, mrŭknati ‘donker worden’, lit. merkti ‘met de ogen knippen’, brekšta ‘aanbreken van de dag’ (IEW 733).

Naast mnl. morghen staan marghen, maerghen, merghen, nnl. dial. margen, mergen, die mogelijk op ablaut wijzen; dan dus de germ. stam *murgina, murgana naast *margina, margana vgl. Ν. v. Wijk Ts 24, 1905, 7-15, maar uitsluitend nl. vgl. J. H. Kern Ts 25, 1906, 307-9). Evenals avond en dag uitsluitend germ. formatie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

morgen II bijw., mnl. morghen. Met dgl. mnl. nnl. a- en e-bijvormen als morgen I. = mhd. (nhd.) mnd. morgen “cras”. Of een accus. òf een dat. enk. van morgen I. In ’t laatste geval = ohd. morgane “morgen, cras”. Vgl. os. an morgan, ags. tô morgene (eng. to-morrow), on. â, î morginn, got. du maúrgina “morgen, den volgenden dag”. Vgl. voor de bet. fr. demain “morgen” (bevat lat. mâne “vroeg in den morgen”), russ. záwtra “id.” (bevat útro “ochtend”).

morgen I (ochtend), mnl. morghen m., ook - naar analogie van avond - morghent, een vorm die nog in het Zuidndl. bestaat. = onfr. morgan, morgen, ohd. morgan (nhd. morgen), os. morgan, ofri. morn, ags. morgen (eng. morning, naar evening), on. morginn, -unn, myrginn m., got. maúrgins m. “ochtend”. Hiernaast mnl. ma(e)rghen, merghen, nnl. dial. margen, mergen, die op een ablautenden grondvorm met a wijzen (= merc. margen?). Of van de idg. basis merq-, waarvan ook obg. mrakŭ “duisternis”, mrŭknᶏti “donker worden”, lit. mérkiu, mérkti “de oogen sluiten”, mírksiu, mirksĕti “met de oogen knippen”, oi. marká- “verduistering”, òf van mergh- en verwant met lit. mírgu, mirgé̇ti “flikkeren”, márgas “bont” (ook arm. mułj “nacht”? en gr. mórphnos “donkerkleurig”? basis-auslaut gh?). Deze balt. vormen kunnen echter evengoed idg. g hebben en direct met on. myrkr, os. mirki, ags. mierce “donker” verwant zijn. Mer-g- en mer-q-kunnen idg. auslaut-varianten zijn. Als wij voor morgen een labiovelaar mogen aannemen, is directe verwantschap met got. brahw (zie brasem) en de hierboven behandelde basis merq-, die dan als merq-, merequ̯- op te vatten is, ’t aannemelijkst. Dat brahw idg. qw heeft, is zeer onwsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

morgen 1 m. (begin van den dag, volgende dag), Mnl. morghen, Onfra. en Os. morgan + Ohd. morgan (Mhd. en Nhd. morgen), Ags. morgen (Eng. morn), On. morginn (Zw. morgon, De. morgen). Go. maurgins; daarbij dial. en Mnl. met abl. marg(h)en, merg(h)en + Skr. markas = verduistering, Osl. mrŭknạti = donker worden, Lit. mirksėti = met de oogen knippen, waarnevens mirgėti = flikkeren, zoodat dus morgen = schemering: Idg. wrt. merk. Voor de ontwikkeling der bet. vergel. Fr. demain = de dag van morgen (d.i. de volgende ochtend), van lat. mane = ochtend. Dial. en Mnl. morgend(t) naar avond, evenals Eng. morning naar evening.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mörge (zn.) morgen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) meurgen, Aajdnederlands morgan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1môre s.nw., tw.
1. Oggend, of uitroep wat in die oggend as groetvorm gebruik word. 2. Eerste gedeelte van 'n tydperk of toestand.
Uit Ndl. morgen (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 as s.nw. op 10 Januarie 1654 in die aanhaling "'s morgens vroegh" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1916 as tw.).

2môre bw., s.nw.
1. Gedurende of op die dag wat op vandag volg, of die dag self. 2. Die nabye toekoms.
Uit Ndl. morgen (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 20 Januarie 1652 (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. as deel van die uitdr. morro is nocher dag (1909).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

môre: – more – , oggend; Ndl. morgen (Mnl. morghen en morghent na anal. v. avont, daarnaas marghen/maerghen/merghen, dial. Ndl. margen/mergen), Hd. morgen, Oeng. morgen (Eng. morning na anal. v. evening), vgl. ook Eng. (to-)morrow; hoofs. Germ. en herk. hoërop onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

morgen ‘de dag na vandaag’ -> Zuid-Afrikaans-Engels môre ‘de dag na vandaag’ ; Negerhollands morg, morǝk, moruk, morgen ‘de dag na vandaag’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † morek ‘de dag na vandaag’ .

morgen ‘ochtend’ -> Frans dialect morguennée ‘ochtend’; Zuid-Afrikaans-Engels môre ‘ochtend’ ; Ambons-Maleis morgòn, morgen ‘goedemorgen!’; Kupang-Maleis morgòn ‘goedemorgen!’; Menadonees morgòn ‘goedemorgen!’; Ternataans-Maleis morgòn ‘goedemorgen!’; Creools-Portugees (Batavia) morgen ‘ochtend’; Negerhollands morg ‘ochtend’; Berbice-Nederlands moroko ‘ochtend; goedemorgen!’; Skepi-Nederlands murg, mag ‘ochtend; goedemorgen!’; Sranantongo morgu ‘goedemorgen!’; Arowaks moroko ‘goedemorgen!’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

morgen* ochtend 0901-1000 [WPs]

morgen* de dag na vandaag 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1554. Morgen brengen!

Men geeft dit ten antwoord om het door een ander voorspelde of gezegde als hoogst onwaarschijnlijk te brandmerken; een ironische uitdrukking: in denzelfden zin: morgen aan de koffie of morgen, als Kaatje verjaart; dat kanje denken! dat kun je begrijpen! oele!Zie aldaar., goeje morgen (Pothof); en voorheen: ja nebben!Ndl. Wdb. VI, 1685.; ja warme broers!Ndl. Wdb. III, 1429.; 16de eeuw: morgen noene; 18de eeuw: zoo menigen Franschman!; nd, märgen brenge (Eckart, 369); hd. ja, übermorgen; ja, kuchen! Het dichtst bij onze tegenw. uitdr. staat morgen weerkomen, dat we vinden in Brederoo's Moortje, 2001. Zie verder Ndl. Wdb. IX, 1138; V. Schothorst, 170; Nest, 34; 120; Nkr. VII, 8 Nov. p. 1. Ook overal in Zuid-Nederland; zie o.a. bij Rutten, 148: morgen komen (brengen); Waasch Idiot. 145 a; Antw. Idiot. 834. In Maastricht en elders morgen vreug (Molema, 270 a; 't Daghet XII, 188); mörrige mots! jèh franksN. Taalgids XIV, 197. of mergen! (Antw. Idiot. 1906). Synonieme uitdrukkingen zijn je tante op een houtvlot! (in D.v.S. 57); an me blouse (in Menschenwee, bl. 30; 40) of aan (of op) mijn lijf geen polonaise, o.a. in Nkr. VIII, 15 Febr. p. 2: Maar ik bedank ze feestelijk, op mijn lijf geen polonaise, zeg ik; 29 Aug. p. 2: Dit zou evenwel een ganschelijk onjuiste onderstelling geweest zijn, mijn waarde. Pas si bête, zegt de Franzoos, wat in goed Hollandsch zooveel beteekent als: op mijn lijf geen polonaise (een japonlijf met langen schootDe Telegraaf, 2 Juli 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.). Nu de polonaise vergeten is, vat men dit woord op als naam van den dans en hoort men den variant: Aan mijn corpus geen fox-trott! (naam van een dans).); Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 405: Ik heb ééns in m'n leven 'n boterbriefje gehaald en na dien tijd heb 'k gedacht.... an mijn lijf geen tweede polonaise; bl. 463: Ik draag nooit anders as horlogies met koperen kasten en ringen met similie.... An mijn lijf geen polonaise. Wat jij Robbie? Vgl. hd. guten Morgen, herr Fischer.

1555. De morgenstond heeft goud in den mond,

d.w.z. ‘vroeg opstaan is profijtelijk’; hd. Morgenstunde hat Gold im Munde; ook Morgenstunde hat plumbierte Zähne (zie Germ.-Rom. Monatschr. IX, 58); bij Joos, 150: de morgenstond heeft goud (of rozen) in den mond; morgenwerk, gulden werk. Vgl. verder Pers, Bellerophon I, 145: De Morgenstondt draeght Honingh in den Mondt; Tuinman I, 173 met de verklaring dat ‘wel bestede morgenuuren groot voordeel toebrengen’; Sewel, 499; W. Leevend I, 209; Martinet, no. 16.

De zegswijze komt ook in het Deensch en in het Zweedsch voor: Morgenstund har guld i mund; Morgonstund haar guld i munn (Wander III, 733; 734). De voorstelling, dat de morgenstond, Aurora, goud in haren mond draagt, vindt men in velerlei volkssagen. In de Zweedsche valt een gouden ring uit haren mond, als zij lacht, in de Noorweegsche vallen goudstukken uit haren mond, als zij spreekt, en uit haar haren, wanneer zij zich kamt. In de Deensche vallen edelgesteenten uit haren mond en goud en zilver uit het haar, en in de Rumeensche valt goud en zilver uit haar haar, wanneer zij zich kamt. Zie Harreb. III, 453; Villiers, 83; Borchardt, bl. 201 noot; Germania XXV, 80; Wander III, 733; Ndl. Wdb. V, 465; IX, 1059 en Brunner, Deutsche Rechtsgeschichte I, 71, anm. 6, die de verklaring meent te moeten zoeken ‘in einer steifleinenden Schulmeisterwitz über das wort aurora (aurum in oraZeitschrift des Algem. Deutschen Sprachvereins XVII, bl. 321; Fr. Seiler, Deutsche Sprichwörterkunde, 23-24.)’. Zie evenwel Taal en Letteren XIII, 575, waar gewezen wordt op het Hongaarsche gezegde: die vroeg opstaat vindt een goudstuk, en mond gehouden wordt voor een zich als van zelf voordoend rijmwoord, daar men niet te veel achter zoeken moet; vgl. avondrood, water in de sloot; mist, vorst in de kist; het is een moord in een mandje; zoo zat als 'ne patat (in Antw. Idiot. 1960); met lijpen en drijpen (Antw. Idiot. 1875); in Drenthe: zoo wies as 'n patries; zoo dom as 'n koffietrom; fri. mei in hei (drift) en in bei, en dergelijke. Zie no. 1465.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut